NEDERLANDS

De trouwe Johannes

TÜRKÇE

Sadık Uşak


Er was eens een oude koning, die ziek was geworden en dacht: dat kon wel eens een sterfbed worden, waar ik op lig. Toen vroeg hij: "Laat de trouwe Johannes bij mij komen." De trouwe Johannes was zijn liefste dienaar en heette zo, omdat hij hem zijn leven lang trouw geweest was. En toen deze aan het bed kwam, zei de koning tegen hem: "Trouwe Johannes; ik voel dat mijn einde nadert, en dan heb ik geen andere zorg dan voor mijn zoon: hij is nog zo jong dat hij nog niet voor zichzelf kan zorgen; en als u mij niet belooft, hem te onderrichten in alles wat hij weten moet, als u zijn pleegvader niet wilt zijn – dan kan ik de ogen niet rustig sluiten." Toen antwoordde de trouwe Johannes: "Ik zal hem niet verlaten en hem trouw dienen; al ging het om mijn leven." Toen zei de oude koning: "Nu sterf ik getroost en in vrede." En hij sprak verder: "Na mijn dood moet u hem het hele slot laten zien; alle kamers, zalen en gewelven, en alle schatten die er zijn; maar de laatste kamer in de lange gang, die moet u hem niet tonen; waar de beeltenis staat van de prinses van het Gouden Dak. Als hij dat beeld zou zien, zou hij in hevige liefde voor haar ontbranden; hij zou bewusteloos neervallen en om harentwille in groot gevaar komen; daarvoor moet u hem behoeden." En toen de trouwe Johannes de koning nog eens de hand daarop gegeven had, werd deze stil, legde zijn hoofd op het kussen en stierf.

Toen de oude koning ten grave gedragen was, vertelde de trouwe Johannes aan de jonge koning, wat hij zijn vader op zijn sterfbed had beloofd; en hij zei: "Die belofte zal ik zeker houden, en u trouw zijn, zoals ik ook hem trouw ben geweest – al ging het om mijn leven." De rouwtijd ging voorbij; toen sprak de trouwe Johannes tot hem: "Nu is het tijd dat u uw erfgoed ziet; ik wil u het vaderlijk slot tonen." Hij leidde hem nu overal rond, in zolders en kelders; en liet hem al de rijkdommen en de prachtige zalen zien, alleen dat ene vertrek deed hij niet open, daar stond het gevaarlijke beeld in. Maar het was zo opgesteld, dat zodra de deur openging, het oog erop vallen moest, en het was zo, dat het scheen te leven; en het was of er op de hele wereld niets mooiers en lieflijkers was. Maar de jonge koning merkte wel, dat de trouwe Johannes steeds die ene deur oversloeg; en hij zei: "Waarom wordt deze deur nooit geopend?" - "Daar is iets," antwoordde hij, "waar u voor terugschrikt." Maar de koning zei weer: "Ik heb nu het hele slot gezien, nu wil ik ook weten wat daar in is," en hij liep er heen en wilde de deur met geweld openstoten. Daarvan weerhield de trouwe Johannes hem en hij zei: "Ik heb je vader voor zijn dood beloofd je ervan te weerhouden om te kijken wat er in die kamer is; voor u en voor mij zou het einde een groot ongeluk zijn." - "Neen," zei de jonge koning, "als ik daar niet in mag, dan is het nog veel erger, dag en nacht zou ik onrustig zijn, tot ik het met eigen ogen gezien had. Nu blijf ik hier tot u mij toegang geeft."

Toen zag de trouwe Johannes in, dat er niets aan te veranderen was, en hij zocht, bezwaard van hart en onder diepe zuchten, de sleutel in de grote bos. Terwijl hij de deur opende, trad hijzelf meteen het eerst naar binnen, en hoopte nog het beeld te bedekken zodat de koning het niet zag; maar wat gaf dat? De koning ging op de tenen staan en keek over zijn schouder naar binnen. En toen hij het beeld ontdekte, dat zo heerlijk was en blonk van goud en edelstenen, toen viel hij bewusteloos neer. De trouwe Johannes hief hem op, droeg hem naar zijn bed en dacht vol zorg: "Nu is het ongeluk gebeurd; wat zal er nu van ons worden?" Toen sterkte hij hem met een teug wijn, zodat hij weer bijkwam. Het eerste wat hij zei, was: "Wie is dat prachtige beeld?" - "Dat is de prinses van het Gouden Dak," antwoordde de trouwe Johannes. Toen zei de koning weer: "Ik heb zo'n grote liefde voor haar opgevat, dat alle bladeren van alle bomen het niet konden zeggen als ze spreken konden; mijn leven zet ik in, om haar te krijgen. Mijn trouwste Johannes, u moet me helpen."

De trouwe dienaar peinsde er geruime tijd over, hoe hij deze moeilijkheden moest aanvatten, want het was al moeilijk om haar persoonlijk te naderen. Eindelijk had hij er wat op gevonden; en hij zei tegen de koning: "Alles wat ze aan en om zich heeft is van goud: tafels, stoelen, schotels, bekers, kommen en alle huisraad; in uw schatkamers liggen vijf tonnen goud, laat één van de beste goudsmeden dit bewerken tot allerlei vaatwerk en gereedschappen, vogels en wilde en wonderbaarlijke dieren, we willen daarmee op reis gaan en ons geluk beproeven." De koning beval, dat alle goudsmeden ontboden zouden worden; zij moesten dag en nacht werken, tot eindelijk de heerlijkste voorwerpen klaar waren. Alles werd in een schip geladen; toen trok de trouwe Johannes een koopmanspak aan, en de koning moest dat ook doen, om niet herkend te worden. Dan voeren ze over zee en voeren zo lang, tot ze in de stad kwamen waar de koningsdochter van het Gouden Dak woonde.

De trouwe Johannes liet de koning op 't schip blijven en op hem wachten. "Misschien," sprak hij, "breng ik de prinses mee, zorg dus dat alles klaar is, laat al het gouden vaatwerk neerzetten en zorg, dat het hele schip versierd is." Nu stopte hij in zijn voorschoot allerlei gouden dingetjes, ging aan land en recht toe recht aan naar 't paleis. Toen hij op het voorplein kwam, stond daar bij de fontein een lief meisje, ze had twee gouden emmers in de hand en putte water. Terwijl zij het blinkende water weg wilde dragen, draaide zij zich om, zag de vreemde man en vroeg, wie hij was. Toen antwoordde hij: "Ik ben een koopman" en opende zijn voorschoot en liet haar even kijken. Daar riep zij uit: "O wat een beeldige dingen, allemaal van goud!" zette de emmer neer en bekeek het stuk voor stuk. "Dat moet de prinses zien," ging ze voort, "die houdt zo van alles wat van goud is, dat ze zeker alles van je zal kopen." Ze nam hem bij de hand en bracht hem naar boven, want zij was de kamenier. De prinses bekeek de gouden dingetjes, was er verrukt over en zei: "Het is zo mooi gemaakt, ik wil alles kopen." Maar de trouwe Johannes sprak: "Ik ben maar de knecht van een rijke koopman; wat ik hier bij me heb is nog niets, bij alles wat mijn heer in zijn schip heeft; en dat is het kunstigste en het kostelijkste, wat ooit in goud is gemaakt." Ze wilde dat alles bij haar gebracht zou worden, maar hij zei: "Daar zouden vele dagen voor nodig zijn, zo groot is de schat; en zoveel zalen om het op te stellen, dat dit huis niet eens groot genoeg is." Toen werd haar nieuwsgierigheid en lust nog meer geprikkeld, zodat ze eindelijk zei: "Breng mij dan naar het schip, ik wil er zelf ingaan en de schatten van je meester bekijken."

Nu bracht de trouwe Johannes haar naar het schip en hij verheugde zich over 't slagen van zijn list; en de koning - die zag dat zij nog veel mooier was dan het beeld; en hij dacht dat zijn hart van vreugde zou barsten. Zij kwam aan boord, de koning bracht haar naar binnen, de trouwe Johannes echter bleef aan dek bij de stuurman en liet de trossen losgooien. "Alle zeilen hijsen," zei hij, "zodat 't schip vliegt als een vogel door de lucht." De koning binnen toonde haar het gouden vaatwerk, stuk voor stuk, de schotels, de bekers, de kommen, de vogels en al de wonderbaarlijkste dieren. Uren gingen voorbij terwijl ze alles bekeek, en in haar blijdschap merkte ze niet dat het schip was gaan varen. Toen ze 't laatste bekeken had, bedankte ze de koopman en wilde weer naar huis, maar aan dek gekomen zag ze dat ze ver van land op hoge zee voeren en met volle zeilen voortijlden. "O!" riep ze verschrikt, "ik ben bedrogen, ik ben ontvoerd en in de macht van een koopman geraakt; ik kan beter sterven!" De koning echter vatte haar bij de hand, en zei: "Een koopman ben ik niet, ik ben een koning en niet minder van geboorte dan u; maar dat ik u met list geschaakt heb, dat is uit overmaat van liefde gebeurd. De eerste maal dat ik uw beeld gezien heb, ben ik bewusteloos neergestort." Toen de prinses van het Gouden Dak dat hoorde, troostte ze zich, haar hart sprak voor hem, zodat ze graag erin toestemde zijn vrouw te worden.

Eens op een keer toen zij midden op zee voeren, zat de trouwe Johannes op de voorsteven en speelde een deuntje; daar zag hij in de lucht drie raven, die naar hem toe kwamen vliegen. Hij hield op met spelen en luisterde wat zij tegen elkaar zeiden, want hij kende de vogeltaal. De ene riep: "Kijk, die trouwt de prinses van 't Gouden Dak." - "Ja," kraste de tweede, "maar ze zijn er nog niet." En de derde: "Jawel, ze is al bij hem in 't schip." Toen begon de eerste weer en riep: "Geeft dat wat? Zodra ze aan land komen, zal hem een vuurrood paard tegemoet springen; daar zal hij zich op willen zetten; doet hij dat, dan gaat het paard er met hem vandoor en door de lucht, zodat hij de prinses nooit weer ziet." Dan de tweede: "Is er geen redding mogelijk?" - "Jawel, als een ander snel opstijgt, de pistool uit de halster haalt en 't paard doodschiet. Dat is de redding van de jonge koning. Maar wie weet dat? en wie het weet en 't hem zegt, die wordt van steen, van de voetzool tot de knie!" Toen zei de tweede: "Ik weet nog wat! Als 't paard dood is, dan krijgt de koning zijn bruid nog niet; als ze samen bij 't kasteel komen, ligt er een prachtig bruidshemd klaar in de hal, 't ziet er uit als van goud en zilver, maar dat is in werkelijkheid zwavel en pek; wie het aandoet verbrandt tot 't merg in zijn knokkels." De derde zei: "Is dan geen redding mogelijk?" - "Jawel," zei de tweede, "als iemand 't hemd met handschoenen opneemt en 't in 't vuur werpt en 't verbrandt – dat is de redding van de jonge koning. Maar wat geeft dat? wie het weet en 't hem vertelt, die wordt van steen, van de knie tot het hart." Toen sprak de derde: "Ik weet nog wat! Al verbrandt het hemd, dan krijgt de koning zijn bruid nog niet: als na de bruiloft het bal begint, en de jonge koningin zal dansen, zal ze opeens verbleken en voor dood neervallen; als iemand haar niet opneemt en uit haar rechter borst drie druppels bloed zuigt en die weer uitspuwt, dan sterft ze. Wie het verraadt en 't hem vertelt, die wordt van steen van hart tot hoofd." Toen de raven dat samen gekrast hadden, vlogen ze weg, en de trouwe Johannes had alles goed begrepen, maar daarna werd hij stil en treurig; want als hij verzweeg wat hij gehoord had, kwam er ongeluk over zijn meester; vertelde hij het hem, dan kostte 't hem zijn leven. Eindelijk echter zei hij bij zichzelf: "Mijn koning zal ik redden, al moest ik sterven."

Zij kwamen eindelijk aan land. Het gebeurde als de raaf had voorspeld; er kwam een prachtig paard aangesprongen, rood als een vos. "Welaan," zei de koning, "hij moet mij naar 't kasteel rijden," en hij wilde opstijgen. Maar de trouwe Johannes drong hem opzij, zwaaide zich in 't zadel, trok 't pistool uit de halster en schoot het paard neer. De andere dienaren die de trouwe Johannes niet goed zetten konden, riepen luid: "Wat een schande, zo'n prachtig dier te doden, dat de koning naar 't kasteel zou rijden!" Maar de koning zei: "Zwijg, laat hem begaan, hij is mijn trouwe Johannes, wie weet waar het goed voor was!" Nu gingen zij naar 't kasteel, en daar lag in de hal een prachtig bruidshemd, en het leek geheel van goud en zilver. De jonge koning liep erheen en wilde 't aanpakken, maar de trouwe Johannes schoof hem terzijde, pakte 't zelf met handschoenen aan en gooide 't op 't vuur en liet 't verbranden. De andere dienaren spraken er weer schande van en zeiden: "Kijk, nu verbrandt hij het eigen bruidskleed van de koning." Maar de jonge koning zei: "Wie weet waar het goed voor was, laat hem begaan, hij is mijn trouwe Johannes!" Nu werd de bruiloft gevierd; het bal begon, de bruid trad binnen. De trouwe Johannes hield haar in 't oog en keek naar haar gezicht. Opeens verbleekte zij en viel voor dood neer. Toen sprong hij snel naar haar toe, tilde haar op en droeg haar naar een zijvertrek; daar legde hij haar neer, knielde en zoog drie bloeddruppels uit haar rechter borst en spuwde ze uit. Weldra begon ze weer te ademen en kwam weer bij, maar de koning had het ook gezien en wist niet wat de reden van deze daad van de trouwe Johannes was; hij werd boos en riep: "In de gevangenis met hem!" De volgende morgen werd de trouwe Johannes veroordeeld en naar de galg geleid; en toen hij op de ladder stond en de strop om de hals zou krijgen, sprak hij: "Ieder die sterven moet, mag vóór zijn dood nog éénmaal spreken; kan ik dat recht ook verkrijgen?" - "Ja," antwoordde de koning, "het is u vergund." Toen zei de trouwe Johannes: "Onrechtvaardig ben ik veroordeeld, en ik ben u altijd trouw geweest." En hij vertelde hoe hij op zee het gekras van de raven had gehoord en verstaan en hoe hij, om zijn meester te redden, alles had moeten doen zoals hij het gedaan had. Toen riep de koning: "O mijn trouwe Johannes. Vergeving! Vergeving! Breng hem weer hier!" Maar de trouwe Johannes was bij het laatste woord dat hij gesproken had, dood gevallen en was versteend.

De koning en de koningin hadden daar groot verdriet van, en de koning zei: "O, wat heb ik deze grote trouw slecht beloond!" en hij liet 't stenen beeld naar 't kasteel brengen en naast zijn bed neerzetten. Elke keer als hij het zag, begon hij te huilen en zei: "Kon ik je maar weer levend maken, mijn trouwe Johannes!" Toen begon de steen te spreken en zei: "Ja, u kunt mij weer levend maken; als u ervoor over hebt het liefste wat u bezit." De koning riep: "Alles wat ik op de wereld heb, wil ik afstaan voor u!" Het stenen beeld zei weer: "Houw eigenhandig uw beide kinderen 't hoofd af; besprenkel mij met hun bloed, dan ben ik behouden." De koning schrok toen hij hoorde dat hij zijn liefste kinderen zelf moest doden; maar hij dacht aan de onwankelbare trouw, waarmee Johannes voor hem de dood was ingegaan. Hij trok zijn zwaard en sloeg eigenhandig zijn beide kinderen 't hoofd af. Maar toen hij met hun bloed het stenen beeld besprenkeld had, keerde bij hem het leven terug, en de trouwe Johannes stond weer gezond in levenden lijven voor hem. Hij zei tegen de koning: "Uw trouw zal niet onbeloond blijven." En hij nam de kinderhoofdjes, zette die weer op hun lichamen en bestreek de wonde met hun eigen bloed. Daarvan werden ze op 't zelfde ogenblik gezond, ze sprongen op en speelden weer verder, alsof er niets gebeurd was. Nu was de koning overmatig blij; en toen hij de koningin zag aankomen, verborg hij de trouwe Johannes en de beide jongens in een grote kast. Toen ze binnentrad, sprak hij: "Ben je gaan bidden in de kerk?" - "Ja," zei ze, "en ik heb voortdurend aan de trouwe Johannes gedacht; dat hij door ons toedoen zo ongelukkig is geworden." Toen zei hij: "Lieve vrouw, wij kunnen hem tot 't leven terugbrengen, maar dat gaat alleen ten koste van onze zoontjes, die moeten wij offeren." De koningin verbleekte en schrok tot diep in haar hart, maar toch zei ze: "Dat zijn wij hem verschuldigd ter wille van zijn grote trouw." Hij was blij dat zij net zo gedacht had als hijzelf; hij trad op de kast toe en ontsloot die, hij haalde er de kinderen en de trouwe Johannes uit en sprak: "God zij geprezen, Johannes is verlost en onze zoontjes zijn ook weer in 't leven teruggekeerd." En hij vertelde haar hoe alles was gebeurd. Toen leefden zij tezamen in groot geluk tot aan hun einde.
Vaktiyle yaşlı bir kral vardı; hastalanıp da yatağa düşünce "Bu herhalde benim ölüm döşeğim olacak" diye düşündü ve sadık Johannes'i çağırttı.
Uşaklarının içinde en çok sevdiği oydu çünkü; kendisine yıllarca sadık kalmıştı. Yatağının başucuna geldiğinde kral ona şöyle dedi:
"Bak Johannes, benim sonum yaklaştı; oğlumdan başka düşündüğüm bir şey yok. O daha çok genç, kime danışacağını bilemez. Onu her konuda bilgilendireceğine ve ona bir baba gibi davranacağına dair bana söz vermezsen, bu dünyadan gözü açık giderim."
Sadık uşak şöyle cevap verdi:
"Onu asla yalnız bırakmayacağım, hayatım pahasına da olsa hep onun hizmetinde olacağım!"
Kral, "O zaman rahatça ölebilirim" diyerek ekledi: "Ben öldükten sonra ona bütün sarayı gezdir. Tüm odaları ve salonları, kemerli odaları ve hazine dairesini göster. Ama uzun koridorun ucundaki son odayı gösterme sakın; o odada Altın Çatının Prensesi gizli tutulmakta. Oğlum onu görürse kesinlikle anında aşık olacak ve düşüp bayılacaktır; onun yüzünden de büyük bir tehlikeye girecektir. Sen onu bundan koru!"
Sadık uşak bir kez daha onun elini sıktıktan sonra kral bir daha konuşmadı, başı yastığa düştü ve öldü.
Yaşlı kral mezara gömüldükten sonra sadık uşağı genç krala, ölüm yatağındayken babasına vermiş olduğu sözden bahsetti:
"Onun sözünü dinleyeceğim ve tıpkı ona olduğu gibi sana da sadık kalacağım, hayatım pahasına da olsa" dedi.
Matem sona erdikten sonra sadık uşak genç krala:
"Sana kalan mirası görme zamanın geldi, sana babanın sarayını göstereyim" dedi ve ona her yeri gezdirdi; tüm zenginlikleri ve hazine dairesini. Sadece içinde tehlikeli tablonun bulunduğu odayı göstermedi. Ama o resim öyle bir yere konulmuştu ki, kim baksa onu canlı sanıyordu ve sanki dünyada bundan daha hoş ve güzel bir kadın olamazdı!
Genç kral her defasında uşağın bu odanın önünde durmadan geçip gittiğini fark etti:
"Niye bu kapıyı bana hiç açmıyorsun?" diye sordu.
"içinde seni korkutacak bir şey var da ondan" diye cevap verdi uşak.
Ama kral, "Bütün sarayı gördüm, şimdi burada ne var, bilmek istiyorum" diye diretti.
Sadık uşak onu çekerek:
"Babana ölümünden önce söz verdim, odada ne olduğuna bakmayacaksın. Bunun hem sana hem bana zararı dokunabilir çünkü" dedi.
"Yapma" diye karşı çıktı genç kral. "İçeri girmezsem meraktan çatlarım; ne olduğunu gözlerimle görmezsem gece gündüz huzurum kaçar. Sen onu açıncaya kadar buradan ayrılmayacağım işte!"
Sadık uşak yapılacak başka bir şey olmadığını anlayınca istemeye istemeye ve içini çekerek koskoca anahtarlıktan bir anahtar çıkardı. Kapıyı açar açmaz, oğlanın resmi görmesini engellemek için içeriye önce kendisi girdi. Ama kral ayaklarının ucunda yükselerek omzunun üzerinden baktı. Ve genç kızın resmini gördü. Kız şahane güzellikteydi, altın ve kıymetli taşlarla bezenmişti; öyle ki, oğlan düşüp bayıldı. Sadık uşak onu yerden kaldırarak yatağına taşıdı, çok üzgündü. "Korktuğum başıma geldi. Tanrım, şimdi ne olacak?" diye aklından geçirdi. Sonra biraz şarap vererek oğlanın kendine gelmesini sağladı.
Genç kralın ilk sözü şu oldu:
"Ah, resimdeki bu güzel kız kim?"
"Altın Çatının Prensesi'dir o" diye cevap verdi sadık uşak.
Genç kral, "Ben ona öylesine aşık oldum ki, ağaç yapraklarının dili olsa yine sevgimi yeterince söyleyemez. Sen benim sadık uşağımsın Johannes. Bana destek olmalısın" dedi.
Sadık uşak uzun uzun düşündü; işe nereden başlayacağını bilemedi. Prensese bakmak hiç de kolay değildi. Sonunda bir çare buldu; krala dönerek:
"Onun çevresinde her şey altından yapılmış: masalar, iskemleler, tabaklar, bardaklar, çanaklar, yani tüm mutfak aletleri. Senin hazine dairendeyse beş ton altın var; bir kuyumcu getirt, o altınlardan vazolar, her türlü mutfak aleti, çeşitli kuşlar, yabani hayvan ve bir sürü güzel yaratıklar yaptırt. Tüm bunlar onun hoşuna gidecektir. Bu işe başlayalım ve şansımızı deneyelim" dedi.
Kral ülkesindeki tüm kuyumcuları çağırttı; adamlar gece gündüz çalıştı, sonunda harika eserler meydana çıktı. Hepsini bir gemiye yüklediler; sadık Johannes bir tüccar kılığına girdi, kral da tanınmamak için aynı şekilde giyindi. Sonra denize açıldılar ve uzun süre yol aldıktan sonra Altın Çatı Prensesi'nin bulunduğu şehre geldiler.
Sadık uşak krala gemide kalmasını ve kendisini beklemesini söyleyerek: "Ben belki prensesi buraya getiririm. Sen her şeyi ayarla, altın kap kaçağı etrafa yaydırt ve bütün gemiyi süslet" dedi.
Sonra bir önlük giyerek ceplerini hep altın takılarla doldurarak karaya çıktı ve doğru saraya gitti. Avluya girdiğinde çeşme başında güzel bir kız gördü; elindeki iki altın kovaya su doldurmaktaydı. Pırıl pırıl suyu taşırken yabancı adamı görünce ona kim olduğunu sordu.
Sadık Johannes, "Ben bir tüccarım" diyerek önlüğünü açarak ceplerini gösterdi.
Kız, "Oo, ne güzel altın bunlar!" diyerek elindeki kovayı yere bıraktı ve her bir takıyı ayrı ayrı inceledi ve ekledi:
"Bunları prenses görmeli, o böyle şeylere bayılır, sizden hepsini satın alır herhalde."
Sonra adamı elinden tutarak saraya götürdü. Bu kız prensesin oda hizmetçisiydi.
Prenses tüm bu takıları çok beğendi:
"Güzel çalışılmış, hepsini satın almak isterim" dedi.
Ama sadık uşak: "Ben çok zengin bir tüccarın yamağıyım aslında. Burada gördükleriniz, efendimin gemisindekilerin yanında hiç kalır; orada hep en pahalı ve sanat değeri çok yüksek parçalar var" dedi.
Prenses onları da buraya getirmesini istedi, ama uşak: "Bu iş günler alır, çünkü sayıları o kadar çok ki! Zaten onları hepsini sergileyecek sayıda odanız yok sizin."
Prensesin merakı ve hevesi gittikçe arttı. Sonunda: "Beni gemiye götür, efendinin hâzinesini kendi gözlerimle görmek istiyorum" dedi.
Sadık uşak onu gemiye götürdü ve genç kral kızın resimdekinden çok daha güzel olduğunu görünce ona sırsıklam aşık oldu. Derken prenses gemiye bindi, kral onu içeri buyur etti, ama sadık Johannes dümencinin yanında kalarak karadan açılmalarını sağladı: "Yelkenler fora, kuş gibi uçalım!" diye emretti.
Kral prensese altından mutfak takımlarını, tabakları, çanakları, bardakları, kuşları, yabani hayvanları... hepsini birer birer gösterdi. Böylece saatler geçti ve prenses her şeye bakarken o kadar eğlendi ki, geminin karadan açıldığının farkına varmadı. Son parçaya da baktıktan sonra krala teşekkür ederek eve dönmek istedi ve güverteye çıktığında karadan çok uzaklaşarak açık denizde fora yelken yol almakta olduklarını gördü.
"Oo, ben aldatıldım, kaçırıldım, bir tüccarın eline esir düştüm; ölsem daha iyi!" diye sızlandı.
Kral onun elini tutarak şöyle konuştu:
"Ben tüccar değilim; ben bir kralım, hem de doğuştan; tıpkı senin gibi. Ama seni kapana kıstırdığım doğru değil! Senin resmini ilk gördüğüm anda düşüp bayıldım."
Altın Çatının Prensesi bunu duyunca sakinleşti; oğlandan hoşlanmıştı ve onunla evlenmeye razı oldu.
Onlar denizde böyle gidedursun, geminin güvertesindeki sadık Johannes saz çalarken havada yaklaşmakta olan üç tane karga gördü. Saz çalmayı bıraktı ve onların aralarında ne konuştuklarına kulak kabarttı, çünkü kuş dilinden anlıyordu.
Bir tanesi: "Ayy, adam Altın Çatının Prensesi'ni kaçırıyor" dedi.
İkincisi: "Evet, ama başardı sayılmaz."
Üçüncüsü: "Başardı işte, gemisine aldı."
Birinci kuş: "Olsun" dedi. "Karaya çıkınca kızıl bir at adama doğru sıçrayacak, o da ona binmeye çalışacak. Bunu başardı mı, at onunla birlikte havaya uçacak ve bir daha prensesi göremeyecek."
ikinci kuş, "Yani bunun kurtuluşu yok mu?" diye sordu.
"Var, aynı anda biri o ata atlayıp kılıfından çıkardığı tüfekle onu öldürürse genç kral kurtulmuş olur. Ama bunu kim bilecek ki! Ve eğer biri bunu bilir de krala söylerse, o kişi ayak parmaklarından dizlerine kadar taş kesilecek."
ikinci kuş, "Ben daha fazla biliyorum. At öldürülse bile kral prensesine sahip olamayacak; evlenip de saraya geldiklerinde bir tepsi içinde altın ve gümüş işlemeli - ama aslında kükürt ve katrantan yapılma - bir damat gömleği görecekler; damat onu giyerse iliklerine kadar yanıp kavrulacak" dedi.
Üçüncü kuş: "Kurtuluş yok mu yani?"
"Var" dedi ikinci kuş. "Biri eldivenle o gömleği tutup ateşe atarsa genç kral kurtulur. Ama neye yarar ki! Bunu bilip de ona söyleyecek olan da dizlerinden kalbine kadar taş kesilecek."
Bunun üzerine üçüncü kuş:
"Ben daha da fazlasını biliyorum" dedi. "Damat gömleği yakılsa bile kral prensesi elde edemeyecek; çünkü düğün merasiminden sonra kral gelini dansa kaldırınca kız birdenbire düşüp bayılacak. Eğer onu birisi yerden kaldırıp sağ memesinden üç damla kan emip tükürmezse ölecek. Ve bunu önceden haber verecek olan kişi de tepeden tırnağa taş kesilecek!"
Kuşlar aralarında böyle konuştuktan sonra uçup gittiler. Sadık uşak hepsini anlamıştı ve o saatten sonra hep sakin ve düşünceliydi. Duyduklarını efendisine söylemese oğlan mutsuz olacaktı; söylese kendisi taş kesilecekti! Sonunda kararını vererek kendi kendine söylendi:
"Ben kendim ölsem de efendimi kurtaracağım!"
Karaya vardıklarında kargaların dediği çıktı. Kızıl renkte yağız bir at çıktı önlerine. "Harika! Saraya bununla giderim!" diyen kral ona binmek istedi. Ama sadık uşağı onu önleyerek hemen kılıfından çıkardığı tüfekle hayvanı vurup öldürdü. Sadık Johannes'i çekemeyen öbür hizmetkârlar:
"Yazık oldu hayvana, kralı saraya götürecekti!" diye söylendiler.
Ama kral "Susun!" dedi. "Bırakın onu, o benim en sadık uşağım; herhalde bir bildiği vardı ki, böyle davrandı."
Daha sonra saraya gittiler; salonda bir tepsi vardı, üzerinde de altın ve gümüş işlemeli bir gömlek!
Genç kral hemen o gömleği alıp giymek istedi, ama sadık Johannes onu eldivenle tuttuğu gibi ateşe attı.
Öbür hizmetkârlar, "Şuna bakın, kralın damatlık gömleğini yaktı" diye yine söylendiler.
Ama genç kral, "Elbet bir bildiği vardır, o benim en sadık uşağım" dedi.
Neyse, düğün yapıldı; dans başladı; gelin kalktı, ama tam o sırada sadık Johannes karşısına dikilerek onun yüzüne baktı, kızın benzi attı ve ölü gibi yere düştü. Sadık uşak onu hemen kaldırıp bir odaya taşıdı, sonra yere yatırarak sağ memesinden üç damla kan emerek tükürdü. Çok geçmeden kız nefes almaya başladı ve kendine geldi.
Kral tüm bunları gördükten sonra uşağının neden böyle davrandığını anlayamadı; öfkelendi ve: "Atın şunu zindana!" diye bağırdı.
Ertesi gün sadık Johannes ölüme mahkûm edilerek darağacma götürüldü. Tam asılacağı sırada:
"Ölmeden önce herkesin bir çift söz söylemeye hakkı vardır; bu hakkı ben de kullanabilir miyim?" diye sordu.
"Evet, kullan bakalım" dedi kral.
Bunun üzerine sadık Johannes: "Ben haksız yere mahkûm edildim, şimdiye kadar sana hep sadık kaldım" diyerek denizdeyken kuşların konuşmasını, efendisini kurtarmak için neler yaptığını bir bir anlattı.
Kral, "Ah benim sadık uşağım! Affet! Affet! İndirin onu aşağı" diye seslendi.
Ama yukarıdaki sözler sadık Johannes'in ağzından son kez çıkmıştı; o anda yere düşerek taş kesildi.
Kral ve kraliçe bu duruma çok üzüldüler.
Kral, "Ah, böylesine sadık bir adama ben neler yaptım!" diye sızlanarak Johannes'in taşlaşmış gövdesini kendi yatak odasına taşıtarak başucunu koydurttu.
Ne zaman ona baksa ağlıyor ve kendi kendine, "Ah, ne yapsam da seni yine canlandırsam, benim sadık Johannes'im!" diye yakınıyordu.
Derken aradan uzun bir zaman geçti. Kraliçe ikiz doğurdu. İki tane erkek çocuğu oldu. Oğlanlar büyüdü, karı kocanın yegâne eğlenceleriydi onlar!
Bir keresinde kraliçe kiliseye gitti ve çocuklar babalarının yanında kalıp oynamaya başladılar. Kral yine taşlaşmış figüre bakarak üzgün üzgün içini çekti: "Ah, seni bir canlandırabilsem, sadık Johannes'im!" diye mırıldandı.
O anda taş konuşmaya başladı ve şöyle dedi: "Evet, beni yine canlandırabilirsin; en sevdiğin şeyi feda edersen!"
Bunun üzerine kral, "Senin uğruna her şeyimi feda etmeye hazırım!" dedi.
"Her iki çocuğunun kafasını kendi ellerinle kestikten sonra onların kanıyla benim vücudumu sıvazlarsan, tekrar dünyaya gelirim" diye cevap verdi taşlaşmış vücut.
Kral bunu duyunca dehşet içinde kaldı; yani en sevdiği çocuklarını kendi eliyle öldürecekti, öyle mi?
Sonra kendisi uğruna ölen Johannes'in sergilediği sadakati düşündü, kılıcını çekerek çocuklarının kafalarını kendi eliyle uçurdu. Onların kanlarıyla taşlaşmış vücudu sıvazlayınca sadık Johannes hayata döndü: yine eskisi gibi taze ve sapasağlam karşısında duruyordu. Krala şöyle dedi:
"Senin sadakatin de ödülsüz kalmayacak!" diyerek çocukların kafalarını alıp vücutlarına oturttuktan sonra onları kanlarıyla sıvazladı; aynı anda çocuklar canlanıp sanki hiçbir şey olmamış gibi oynamaya koyuldular.
Kralın sevincine diyecek yoktu; kraliçenin gelmekte olduğunu görünce uşağıyla çocukları elbise dolabında sakladı. Kadın içeri girer girmez:
"Kilisede dua ettin mi bugün?" diye sordu karısına.
"Evet" dedi karısı, "Ama durmadan bizim yüzümüzden hayatını kaybeden sadık uşağımızı düşündüm."
"Bak karıcığım, biz onu yine hayata döndürebilirmişiz, ama bunun için her iki çocuğumuzu da feda etmek gerekiyormuş!" dedi kral.
Kraliçe sarardı, yüreği cız etti, ama şöyle konuştu:
"Göstermiş olduğu o inanılmaz sadakati yüzünden biz ona borçluyuz."
Bunun üzerine kral çok sevindi, çünkü karısı da onun gibi düşünmüştü. Hemen kapağını açtığı dolaptan iki çocuğunu ve sadık uşağını çıkarıverdi ve "Hele şükür kurtuldu, çocuklarımıza da kavuştuk!" diyerek olan biteni anlattı.
Ondan sonra ömürlerinin sonuna kadar hep birlikte mutlu yaşadılar.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.