NEDERLANDS

Van de visser en zijn vrouw

DANSK

Fiskeren og hans kone


Er was eens een visser en z'n vrouw, die zo arm waren, dat ze alleen maar in een pot konden wonen, vlak aan zee. De visser ging elke dag hengelen; en dan hengelde hij en hengelde hij maar.

Zo zat hij ook eens bij zijn hengel en keek steeds in 't blanke water, en hij keek en keek. Daar dook de dobber diep onder, en toen hij 'm ophaalde, had hij een grote bot. Toen zei de bot tegen 'm: "Hoor jij es visser," zei-d-ie, "laat me leven, een echte bot ben 'k toch niet, ik ben een betoverde prins. Wat had je eraan als je me dood maakte? Lekker ben ik toch niet, zet me weer in 't water en laat me zwemmen." - "Nou," zei de man, "zoveel woorden hoef je ook niet vuil te maken; een bot die praten kan, die zou 'k ook liever maar laten zwemmen."

Meteen zette hij de bot weer in 't blanke water, de bot dook onder en liet een lange streep bloed achter zich. Toen stond de visser op en ging naar z'n vrouw in de pot. "Man," zei de vrouw, "niks gevangen?" - "Nee, " zei de man, "een bot gevangen, die zei – een betoverde prins was-ie, toen liet ik 'm maar weer zwemmen." - "Heb je dan geen wens gedaan?" zei de vrouw. "Nee," zei de man, "wat zou ik nu wensen?" - "Ach," zei de vrouw, "wat is dat nou, altijd in zo'n pot te wonen, je had toch wel 'n vissershutje kunnen wensen. Kom ga ernaar toe, en roep 'm; zeg 'm, we wilden zo graag 'n klein hutje hebben – dat doet-ie vast." - "Ach," zei de man, "moet ik er dan weer op uit?" - "Och," zei de vrouw, "je had 'm toch gevangen, je hebt 'm weer laten zwemmen – hij doet 't vast. Vooruit, ga meteen." De man wou nog niet echt, maar hij wilde z'n vrouw ook niet tegenwerken, en daarom ging hij weer naar de zee.

Toen hij daar kwam, was de zee helemaal groen en geel en goor – niet meer zo blank als eerst. Hij ging er bij staan en zei:

"Mannetje, mannetje Timpe Te,
botje, botje in de zee,
mijn vrouwtje die heet Ilsebil,
ze wil niet zoals ik wil."

Daar kwam de bot aanzwemmen en zei: "Nou, wat wil ze dan?" - "Och," zei de man, "ik had je immers gevangen – nou zei m'n vrouw, ik had wat moeten wensen. Ze wou niet meer in die pot wonen. Ze wil 'n hut." - "Ga maar," zei de bot, "ze heeft 'm al." De man ging weer weg, en de vrouw zat niet meer in die pot, er stond nu een hut, en de vrouw zat voor de deur, op 'n bank. Toen nam z'n vrouw hem bij de hand en zei: "Kom d'r maar in; kijk, dat is toch veel beter." En ze gingen naar binnen, en in de hut was eerst een kleine gang, en een klein mooi kamertje en 'n opkamer en daar stond voor elk 'n bed, en d'r was een keuken en 'n kelder, alles op z'n mooist, en gereedschappen, tin, en koper, en alles wat er bij hoort. En d'r achter een plaatsje met kippen en eenden, en nog 'n tuintje met groente en vruchtbomen. "Nou?" zei de vrouw, "is 't niet mooi?" - "Ja," zei de man, "zo moet 't blijven, dan kunnen we echt gezellig leven." - "Dat kan je denken," zei de vrouw. En ze aten wat en gingen naar bed. Zo ging het acht dagen, en veertien dagen. Toen zei de vrouw: "Hoor es man. Dat hutje is nauw en 't plaatsje en de tuin zijn maar erg klein, die bot had ons best een groter huis kunnen geven. Ik zou wel in een mooi stenen slot willen wonen; kom, ga naar de bot, die moet ons een slot geven." - "Och vrouw," zei de man, "die hut is groot genoeg, wat willen wij nou in een kasteel doen." - "Ach wat," zei de vrouw, "ga nou maar, de bot kan dat zeker wel." - "Nee vrouw," zei de man, "die bot heeft ons nou al die hut gegeven, ik wil nou niet weer aankloppen, de bot mocht es boos worden." - "Ga toch!" zei de vrouw, "hij kan 't immers goed en doet 't graag, ga jij nou maar." De man z'n hart werd zwaar, hij wou niet, hij zei bij zichzelf, "'t Is niet in orde." Maar eindelijk ging hij toch. Toen hij aan de zee kwam, was het water helemaal violet en donkerblauw en grauw en dik, en helemaal niet meer zo groen en geel als de vorige maal. Hij ging staan en zei:

"Mannetje, mannetje Timpe Te,
botje, botje in de zee,
mijn vrouwtje die heet Ilsebil,
ze wil niet zoals ik wil."

"Nou, wat wil ze dan?" zei de bot. "Ach," zei de man half bedroefd: "ze wil in een groot stenen slot wonen." - "Ga maar, ze staat al voor de deur," zei de bot. Toen ging de man terug en dacht dat hij naar huis ging – en toen hij er kwam, stond de vrouw voor een groot stenen paleis, en de vrouw stond bovenop de trappen en wou binnengaan, ze nam hem bij de hand en zei: "Ga mee naar binnen." En hij ging mee naar binnen en in 't slot was 'n groot deel met marmeren tegels bevloerd, en er waren veel bedienden, die de grote deuren open hielden, en de wanden waren allemaal blank met mooie tapijten behangen en in de kamer stonden louter gouden stoelen en tafels, en kristallen kroonluchters hingen aan de balken, en al de zalen en kamers hadden vloerkleden, en eten en beste wijn stond op de tafels, die bijna bezweken onder de zwaarte. En achter 't slot was een grote hof met een koeienstal en 'n paardenstal en koetsen, en een grote prachtige tuin, met de mooiste bloemen en vruchten, en een park van 'n halve mijl met herten en reeën en hazen en alles wat men zich maar wensen kon. "Nou," zei de vrouw, "is dat niet mooi?" - "Och ja," zei de man, "zo zal 't ook blijven, en nu zullen wij in dit mooie slot wonen en tevreden zijn." - "Daar zullen we 's over denken," zei de vrouw, "en er een nachtje over slapen." En zo gingen ze naar bed. De volgende morgen werd de vrouw eerst wakker, 't was net dag, en ze zag uit haar bed 't heerlijke land voor zich liggen. De man rekte zich nog uit, toen stootte ze hem met haar elleboog in de zij en sprak: "Man, sta op en kijk 't raam uit. Zeg, kunnen wij niet koning worden over dat heerlijke land? Ga naar de bot, zeg dat we koning willen zijn." - "Och vrouw!" zei de man, "wat wouen wij koning zijn! Ik wil geen koning zijn." - "Nou," zei de vrouw, "wil jij geen koning zijn, ik wil koning zijn. Ga naar de bot en zeg 'm: ik wil koning zijn." - "Ach vrouw," zei de man, "wat moet jij koning zijn? Dat wil ik niet eens zeggen." - "Waarom niet?" zei de vrouw – "ga dadelijk, ik moet en ik zal koning zijn." Toen ging de man heen en hij was heel verdrietig, dat zijn vrouw koning wou worden. "Dat is niet goed en het klopt niet," dacht hij. En hij wou niet gaan. Maar hij ging toch. En toen hij bij de zee kwam, was de zee helemaal grijsgrauw en zwart en dik, en 't water kwam van onder naar boven en 't stonk ook. Toen ging hij staan en zei:

"Mannetje, mannetje Timpe Te,
botje, botje in de zee,
mijn vrouwtje die heet Ilsebil,
ze wil niet zoals ik wil."

"Nou, wat wil ze dan?" zei de bot. "Ach," zei de man, "ze wil koning worden." - "Ga maar terug, ze is het al," zei de bot.

Toen ging de man terug. En toen hij er kwam was het slot veel groter, met een grote toren en allerlei versiersels, en een schildwacht voor de deur en soldaten en pauken en trommels. En toen hij 't huis binnen ging, was alles van zuiver marmer en puur goud, en fluwelen dekens en gouden kwasten. Daar gingen de deuren van de zaal open en de vrouw zat op een gouden troon met diamanten en ze had een grote kroon op en 'n scepter van goud en aan beide zijden stonden een rij van kamerjuffers, de één een hoofd kleiner dan de vorige. Toen ging hij voor haar staan en zei: "Och vrouw, ben jij nou koning?" - "Ja," zei de vrouw, "nou ben ik koning." Toen bleef hij zo staan en keek haar aan, en toen hij een hele poos gekeken had, zei hij: "Och vrouw wat staat dat prachtig, dat je nou koning bent. Nu moeten we ook niets meer wensen." - "Nee man," zei de vrouw en ze werd onrustig, "mij valt de tijd zo lang, ik kan het niet meer uithouden. Ga naar de bot, koning ben ik, nou moet ik ook keizer worden." - "Ach vrouw," zei de man, "waarom wil jij nu keizer worden?" - "Man," zei ze, "ga naar de bot, ik wil keizer zijn." - "Ach vrouw," zei de man, "keizer kan hij je niet maken, ik mag dat niet aan de bot vragen, keizer is er maar één in het rijk, keizer kan de bot je niet maken, dat kan niet, dat kan hij niet." - "Wat?" zei ze. "ik ben de koning en jij bent mijn man, wil je dadelijk gaan? Ga dadelijk, als hij mij koning kan maken, dan kan hij mij ook keizer maken; ik zal en ik wil keizer zijn: ga er heen." Toen moest hij wel gaan. Toen de man ging, werd hij erg bang, en onder 't gaan dacht hij bij zichzelf: "Dat gaat niet goed, dat gaat nooit goed, keizer dat is onbeschaamd, de bot zal 't eindelijk moe worden." Zodra hij aan zee kwam, werd de zee helemaal zwart en dik en begon van onderen te koken, dat er bellen kwamen, en er ging een wind over zo dat de zee kolkte, en de man huiverde. Hij ging staan en zei:

"Mannetje, mannetje Timpe Te,
botje, botje in de zee,
mijn vrouwtje die heet Ilsebil,
ze wil niet zoals ik wil."

"Nou, wat wil ze dan?" zei de bot. "Och bot," zei hij, "mijn vrouw wil keizer worden." - "Ga maar heen," zei de bot, "ze is het al."

Toen ging de man terug en toen hij weer bij 't slot kwam, wat 't hele slot van gepolijst marmer met albasten beelden en gouden versiersels. Voor de deur marcheerden soldaten en ze bliezen op trompetten en sloegen pauken en trommels; boven in huis wandelden baronnen heen en weer en graven en hertogen gingen als bedienden rond, ze openden voor hem deuren die van louter goud waren. En toen hij binnenkwam, zat z'n vrouw op een gouden troon, twee mijl hoog, en ze had een gouden kroon op van drie el hoog met briljanten en karbonkels bezet, in de ene hand de scepter en in de andere de rijksappel en links en recht drie rijen van trawanten, ieder iets kleiner dan die naast hem stond, van de allergrootste reus af die twee mijl hoog was, tot de allerkleinste dwerg toe, die was zo groot als mijn pink. En vóór haar allemaal vorsten en hertogen. Daar ging de man tussen staan en zei: "Vrouw – en ben je nou keizer?" - "Ja," zei ze, "keizer ben ik." Daar ging hij staan en bleef haar goed aankijken, en toen hij een poos gekeken had zei hij: "Ach vrouw, wat ben je mooi, nu je keizer bent." - "Man," zei ze, "wat sta je daar? Ik ben nu keizer, maar nu wil ik ook paus worden, ga naar de bot." - "Ach vrouw," zei de man, "wat wou je nou? Paus kan je niet worden, paus is er maar één in de hele christenheid, dat kan hij je toch niet maken!" - "Man," zei ze, "paus wil ik worden, ga dadelijk, ik moet vandaag nog paus worden." - "Nee vrouw," zei de man, "dat mag ik niet zeggen, dat gaat nooit goed, dat is te grof; paus kan de bot je niet maken." - "Man, zeur niet!" zei de vrouw, "wie mij keizer kan maken, die kan mij ook paus maken. Ga dadelijk, ik ben de keizer en jij bent maar mijn man, wil je wel eens dadelijk gaan?" Toen werd hij bang en ging er heen, en hij was eerst wat flauw, zo sidderend en bevend, en de knieën en de dijen waren hem zo wankel. En er ging zo 'n wind over 't land, en de wolken vlogen, toen de schemer kwam – de bladeren waaiden van de bomen, en 't water kolkte en bruiste, en 't sloeg tegen 't strand, en van verre zag hij de schepen moeilijk varen en dobberen op de golven, en dansen en springen. Toch was de hemel in 't midden nog een beetje blauw, maar in 't Zuiden trok het zo rossig op als echt zwaar weer. Toen ging hij ineengedoken staan in zijn angst en zei:

"Mannetje, mannetje Timpe Te,
botje, botje in de zee,
mijn vrouwtje die heet Ilsebil,
ze wil niet zoals ik wil."

"Wat wil ze dan nog?" zei de bot. "Ach," zuchtte de man, "paus wil ze worden." - "Ga maar, ze is het al," zei de bot.

Toen ging hij weg, en toen hij terug kwam, was er een grote kerk, omgeven door paleizen. Hij drong zich door de menigte heen; van binnen was alles met duizend en nog eens duizenden lichten verlicht, en zijn vrouw was gekleed in zuiver goud, en ze zat op een nog veel hogere troon, en ze had drie grote gouden kronen op, en om haar heen waren er zoveel geestelijken en prelaten, en aan beide kanten stonden twee rijen van kaarsen, de grootste zo dik en zo groot als de allergrootste toren, tot aan het allerkleinste keukenlicht toe, en alle keizers en koningen lagen ervoor op hun knieën en kusten haar pantoffel. "Vrouw," zei de man en keek haar recht aan: "ben jij nu paus?" - "Jawel," zei ze, "ik ben paus." Toen ging hij staan en keek haar recht aan, en het was of hij in de felle zon keek. En toen hij daar een poos naar gekeken had, zei hij: "Och vrouw, wat is dat mooi, datje nou paus bent!" Ze zat in de hoogte, heel stijf, als een boom, en verroerde zich niet. Toen zei hij: "Vrouw, wees nu tevreden, nu je de paus bent, nu kan je toch niets meer worden." - "Daar zal ik nog eens over denken," zei de vrouw. En toen gingen ze samen naar bed, maar tevreden was ze toch niet, en de gierigheid hield haar wakker, ze dacht aldoor wat ze nu nog worden kon. De man sliep heel goed en vast, hij had die dag veel gelopen maar de vrouw kon maar niet inslapen en dacht steeds aan wat ze nog zou kunnen worden en ze gooide zich van de ene zij op de andere, en ze kon toch niets meer bedenken. Toen zou de zon weer opgaan en op 't ogenblik dat ze het morgenrood zag, richtte ze zich in bed overeind en keek in 't licht, en toen ze door het venster de zon zag opgaan, zei ze: "Wacht, kan ik niet ook de zon en de maan laten opgaan?" - "Man," zei ze en ze stootte hem met haar ellebogen in zijn ribben, "wordt es wakker, en sta op en ga naar de bot: ik wil net worden als onze lieve Heer." De man sliep nog half, maar hij schrok toch zo, dat hij het bed uit viel. Hij meende dat hij het verkeerd had verstaan, en hij wreef z'n ogen uit en gaapte: "Och vrouw, wat zei je?" - "Man," zei ze, "als ik zelf de zon en de maan niet kan laten opgaan en ik moet dat maar lijdelijk aanzien, dat de zon en de maan opgaan, dan kan ik 't niet uithouden en ik heb geen rustig ogenblik meer, dat ik 't zelf niet ben die ze laat opgaan." Toen zag ze hem zo verschrikkelijk aan, dat 't hem koud over de rug liep. "Ga dadelijk en zeg dat ik net wil worden als onze lieve Heer." - "Maar vrouw," zei de man en hij viel voor haar op de knieën, dat kan de bot immers niet! Keizer en paus heeft hij je kunnen maken, ik bid je, kom tot je zelf en blijf paus!" Daar kreeg ze een aanval van woede, haar haren vlogen wild om haar hoofd, ze trok haar jak los, schopte hem en schreeuwde: "Ik kan 't niet uithouden en ik kan 't niet langer uithouden, versta je?" en toen slipte hij in z'n broek en holde weg in angst. Buiten ging de storm en loeide, zodat hij nauwelijks op zijn voeten kon staan; huizen en bomen woeien om, de bergen sidderden, rotsblokken vielen in zee, en de hemel was helemaal pikzwart, en 't onweerde en bliksemde en de zee ging in hoge zwarte golven als bergen en als kerktorens, en ze hadden een witte kroon op van schuim. Daar schreeuwde hij en hij kon zijn eigen woorden niet eens verstaan:

"Mannetje, mannetje Timpe Te,
botje, botje in de zee,
mijn vrouwtje die heet Ilsebil,
ze wil niet zoals ik wil."

"Nou, wat wil ze dan?" zei de bot. "Ach," zei hij, "zij wil worden – net als onze lieve Heer." - "Ga maar terug, ze zit alweer in jullie oude potje."

En daar zitten ze nog tot op deze dag.
Der var engang en fisker, som boede med sin kone i en muddergrøft tæt ved havet, og han gik hver dag derhen for at fange fisk.

En dag sad han dernede og medede, mens han stirrede og stirrede ned i det blanke vand.

Pludselig gik flåddet til bunds, og da han halede snøren op, så han, at han havde fanget en stor flynder. Den begyndte at tale og sagde til ham: "Du må endelig lade mig leve, kære fisker, for jeg er ingen flynder, men en fortryllet prins. Selv om du slår mig ihjel, vil jeg dog ikke smage dig rigtig. Sæt mig ud i vandet igen." - "Nå, ja," sagde manden, "du behøver ikke at tage sådan på vej. En flynder, der kan tale, ville jeg dog ikke gøre noget." Derpå kastede han den ud igen, og den gik til bunds, og der var en lang stribe blod efter den på vandet. Men fiskeren gik hjem til sin kone i muddergrøften.

"Har du ikke fanget noget," spurgte konen, da han kom hjem. "Nej," svarede han, "jeg fik nok fat i en flynder, men den sagde, at den var en fortryllet prins, og så lod jeg den svømme igen." - "Har du da ikke bedt den om noget?" spurgte konen. "Hvad i al verden skulle jeg dog bede den om?" spurgte manden forbavset. "Du kunne da gerne have bedt om en lille hytte," sagde konen, "det er slet ikke rart at bo i sådan en muddergrøft, her lugter så ækelt. Gå hen og kald på den og bed om en lille hytte, så får du den nok." - "Hvorfor skulle jeg dog gøre det?" sagde manden. "Gå nu bare derhen," sagde hun, "du har fanget den og givet den lov til at beholde livet, den gør det såmænd nok." Manden havde ikke meget lyst til det, men han ville også nødig gøre sin kone imod, og så gik han da.

Da han kom ned til havet, svulmede det gult og grønt og var slet ikke blankt som før. Han stillede sig imidlertid på bredden og sagde:

"Flynder lille, flynder god,
stig op til mig af havets flod,
for min hustru Isabil
vil meget mere, end jeg vil."

Flynderen kom også op og spurgte: "Hvad vil hun da?" - "Min kone siger, at da jeg dog nu har skænket dig livet, skulle jeg også bede dig om noget. Hun er så ked af at bo i muddergrøften og ville så gerne have en lille hytte." - "Gå du kun hjem," sagde flynderen, "hun sidder allerede i hytten."

Manden gik nu hjem og fandt sin kone siddende på bænken udenfor en lille hytte. Hun tog ham i hånden og sagde: "Kom ind, så skal du bare se, hvor pænt her er." Han gik så ind med hende. Der var en rar forstue og en nydelig dagligstue og et lille værelse med to senge. Køkkenet og spisekammeret var hvidt og pænt, og der stod blanke tinkrus og messingkar. Bag ved huset var der en lille gård med høns og ænder og en lille have med grøntsager og frugt. "Er her ikke nydeligt?" spurgte hun. "Jo," svarede han, "nu kan vi rigtignok få det godt. " - "Ja nu kan vi jo se, hvordan det går," sagde konen. Så satte de sig til at spise, og derpå gik de i seng.

Da der var gået en fjortendagestid sagde konen: "Hør, lille mand, jeg synes alligevel her er altfor lidt plads. Gården og haven er også forfærdelig små. Flynderen kunne da også gerne have givet os et større hus. Jeg kunne nok have lyst til at bo i et stort slot. Gå hen og bed flynderen om det." - "Herregud, lille kone," sagde manden, "hvad skal vi med det, hytten er jo god nok." - "Du kan da gerne spørge om det," sagde konen. "Nej," svarede han, "nu har den jo givet os huset her. Den kunne gerne blive gal i hovedet, når jeg nu kommer igen." Men konen blev ved at plage ham, og til sidst gik han også, skønt han var meget ked af det.

Da han kom ned til havet var det ikke mere grønt og gult, men helt mørkt og grumset. Der var dog ingen videre bølgegang, og han stillede sig igen på bredden og sagde:

"Flynder lille, flynder god,
stig op til mig af havets flod,
for min hustru Isabil
vil meget mere, end jeg vil."

"Hvad vil hun da nu?" spurgte flynderen og stak hovedet op af vandet. "Hun vil bo i et slot," svarede manden bedrøvet. "Gå du kun hjem," sagde flynderen, "hun sidder allerede i slottet."

Manden gik hjem, og da han kom til det sted, hvor huset havde ligget, så han, at der stod et stort slot. Hans kone stod udenfor på trappen og tog ham i hånden, og han gik med hende ind i slottet. Der var så mange tjenere, der lukkede dørene op og i for dem, væggene var skinnende blanke, der stod forgyldte borde og stole, og på alle gulvene lå der bløde tæpper. Bagved slottet var der en stor gård med heste- og kostalde, og en dejlig have med blomster og træer. Lidt længere borte lå der en stor skov, og derinde sprang harer og hjorte lystig omkring. "Er her ikke dejligt," spurgte konen. "Jo," sagde manden, "men nu vil vi da også slå os til ro her." - "Lad os først sove på det," sagde konen, og så gik de i seng.

Den næste morgen vågnede konen først og satte sig op i sengen og kiggede ud på det dejlige frugtbare landskab. Manden lå endnu og sov, men på en gang gav hun ham et puf, så han vågnede, og sagde: "Jeg kunne nok have lyst til at herske over hele landet. Gå hen og sig til flynderen, at du vil være konge." - "Jeg har slet ikke lyst til at være konge," klynkede manden. "Vil du ikke, så vil jeg," sagde hun, "gå hen og sig til flynderen, "at jeg vil være konge." - "Nej, det gør jeg ikke," sagde manden, men han gjorde det alligevel til sidst.

Han gik ned til havet, der var kulsort, og sagde:

"Flynder lille, flynder god,
stig op til mig af havets flod,
for min hustru Isabil
vil meget mere, end jeg vil."

"Hvad vil hun nu," spurgte flynderen. "Hun vil være konge," sagde manden bedrøvet. "Gå du kun hjem, hun er det allerede," sagde flynderen og dykkede ned igen.

Manden gik hjem, og da han kom til slottet så han, at det var blevet meget større. Foran stod en skildvagt, og der vrimlede af soldater. Da han kom ind i slottet så han, at det var helt af marmor og guld, og der hang røde fløjlsforhæng med store guldkvaster. Han gik nu ind i den store sal, hvor hele hoffet var forsamlet, og hans kone sad på en trone af guld og ædelstene med krone på hovedet og scepter og rigsæble i hånden. På hver side af hende stod seks jomfruer, den ene et hoved mindre end den anden. "Er du nu konge?" spurgte han. "Ja, det er jeg," svarede hun. Han stod i nogen tid ganske fortabt og så på hende, så sagde han: "Nu kan du da heller ikke forlange mere." Hans kone blev helt urolig. "Jeg kan ikke holde det ud," sagde hun, "gå ned til flynderen og sig, jeg vil være kejser." - "Nej det gør jeg ikke," sagde manden, "for det kan han ikke gøre dig til." - "Hvad for noget?" sagde konen, "vil du gøre, som jeg siger. Jeg er konge, og du er bare min mand. Han kan akkurat lige så godt gøre mig til kejser som til konge."

Manden måtte til sidst af sted, men han var meget bange og tænkte, at flynderen ville sikkert blive vred. Havet svulmede vredt og sort, men manden stillede sig op på bredden og sagde:

"Flynder lille, flynder god,
stig op til mig af havets flod,
for min hustru Isabil
vil meget mere, end jeg vil."

"Hvad er der nu i vejen," spurgte flynderen. "Min kone vil være kejser," svarede manden og så meget ulykkelig ud. "Gå du kun hjem," svarede flynderen, "hun er det allerede."

Da manden kom hjem, var slottet blevet endnu større og pragtfuldere. Soldater marscherede frem og tilbage og blæste i trompeter og slog på tromme. Da han kom ind i salen, sad hans kone på en vældig høj trone med en stor guldkrone på og scepter og rigsæble i hånden. På begge sider af tronen stod drabanter, og den største var så høj som en kæmpe og den mindste ikke større end en lillefinger. Foran tronen stod mange fornemme folk forsamlede. Manden gik frem mellem dem og spurgte: "Er du nu kejser?" Han stod længe og befragtede hende, så sagde han: "Hvor det klæder dig at være kejser." - "Hvad står du der og glor for," sagde konen, "er jeg kejser vil jeg også være pave. Gå ned og sig det til flynderen." - "Det kan da ikke være din mening," sagde manden, "der er jo kun en pave i hele verden." - "Men jeg vil være pave," sagde konen, "jeg vil være pave endnu i dag. Skynd dig til flynderen." Manden ville nødig. "Gør du vrøvl?" sagde konen, "se til du kommer af sted. Husk på, jeg er kejser, og du er bare min mand." Han begav sig da også på vej, men han var så bange, at hans knæ rystede under ham. Vinden jog skyerne hen over himlen og susede gennem træerne, og langt ude kunne han se skibe, der blev kastet frem og tilbage på bølgerne. Lige i midten var himlen en lille smule blå, men imod syd trak der er mægtigt uvejr op. Mandens stemme skælvede, da han stod nede på bredden og sagde:

"Flynder lille, flynder god,
stig op til mig af havets flod,
for min hustru Isabil
vil meget mere end jeg vil."

"Hvad vil hun da nu, " spurgte flynderen. "Hun vil være pave," sagde manden rystende af angst. "Gå du kun hjem, hun er det allerede," sagde flynderen.

Da han kom hjem, lå der en stor kirke omgivet af prægtige slotte. Folk trængte sig henimod kirken, hvor hans kone sad på en endnu højere trone i gyldne klæder. Lange rækker lys stod ved siden af hende, det største så stort som det højeste tårn og det mindste ikke større end et lillebitte vokslys. Præster og munke stod rundt om tronen, og konger og kejsere knælede ned og kyssede spidsen af hendes tøffel. "Er du nu pave," sagde manden. "Ja," sagde konen og nikkede. Manden gik rundt og så på hende og blev så blændet af al den pragt, som når man ser ind i solen. "Hvor du dog er smuk som pave," sagde han så. Hun svarede ikke, og han sagde da: "Nu kan du da ikke blive noget større. "Lad os sove på det," sagde konen, og så gik de i seng.

Manden var træt og sov trygt og godt, men konen kunne slet ikke falde i søvn. Hun smed sig fra den ene side af sengen til den anden og tænkte på, hvad hun dog kunne blive, som var endnu mere end pave. Da solen stod op, og hele himlen rødmede, satte hun sig over ende i sengen og tænkte: "Bare jeg også kunne få solen og månen til at stå op." Hun gav så sin mand et vældigt puf, så han vågnede. "Skynd dig lidt at stå op," sagde hun, "du skal gå ned til flynderen og sige, at jeg vil være Vorherre." Manden blev så forskrækket, at han faldt ud af sengen. Han troede, han havde hørt galt, og spærrede øjnene vidt op og sagde: "Hvad er det dog, du siger?" - "Jeg kan ikke holde ud at gå her og se på, at solen og månen går op og ned, uden at jeg har noget at skulle have sagt," råbte hun, "jeg får aldrig nogen rolig time mere. Gå ned til flynderen og sig, at jeg vil være Vorherre." Manden faldt på knæ og rakte hænderne op imod hende. "Det kan han ikke gøre," sagde han, "vær dog nu fornøjet med at være pave." Da blev konen ude af sig selv, håret fløj vildt om hovedet på hende, og hun gav ham et spark. Så skyndte han sig at stikke i tøjet og løb, som det gjaldt livet.

Udenfor rasede stormen, så han næsten ikke kunne stå på benene, træerne blev revet op med rod, bjergene skælvede, og store klippestykker blev slynget ud i havet. Himlen var kulsort, og det tordnede og lynede. Bølgerne gik så højt som kirketårne, og det hvide skum sprøjtede op i luften. Manden råbte så højt, han kunne, men kunne ikke engang høre, hvad han selv sagde:

"Flynder lille, flynder god,
stig op til mig af havets flod,
for min hustru Isabil
vil meget mere end jeg vil."

"Hvad er der nu i vejen?" spurgte flynderen. "Hun vil være Vorherre," sagde manden, og tænderne klaprede i munden på ham. "Gå hjem," sagde flynderen. "Hun sidder igen i muddergrøften."

Og der sidder hun endnu den dag i dag.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.