NEDERLANDS

Het dappere snijdertje (Zeven in één klap)

POLSKI

O dzielnym krawczyku


Op een mooie zomermorgen zat een snijdertje op zijn tafel voor het venster; hij was opgewekt en naaide dat het een aard had. Toen kwam een boerenvrouw de straat af en riep: "Moes te koop! Moes te koop!" Dat klonk het snijdertje heerlijk in de oren: hij stak zijn kleine hoofd uit het raam en riep: "Kom maar boven vrouwtjelief, hier kun je je moes kwijt."

De vrouw klom de drie steile trappen op naar het snijdertje, en ze moest al haar manden met vruchtenmoes voor hem uitpakken. Hij bekeek alles, nam van iedere soort in de hand, rook eraan, en zei tenslotte: "Dat is lekkere jam, weeg me vier lood af, en als 't een kwart pond wordt, is het ook niet erg." De vrouw die gehoopt had een flinke bestelling te krijgen, gaf hem de vier lood, maar ze ging knorrend en brommend weg. "Nu, God zegen de maaltijd," zei het snijdertje, "dit zal mij kracht en moed geven," en hij haalde een brood uit de kast, sneed overdwars een hele snee af, en streek er de jam overheen als beleg. "Dat zal niet kwaad smaken," zei hij, "maar eerst moet dat buis nog klaar, voor ik mijn tanden in het eten zet." Hij legde het brood naast zich, naaide verder en maakte steeds grotere steken van puur plezier.

Intussen steeg de geur van de moes langs de wanden omhoog, waar een massa vliegen zat. Ze werden er door gelokt, en streken in zwermen op het brood neer. "Nou, wie heeft jullie uitgenodigd?" sprak het snijdertje, en hij joeg de ongenode gasten weg. Maar de vliegen die geen Hollands verstonden, lieten zich niet wegjagen, maar kwamen terug in steeds groter getale. Toen liep het snijdertje de gal over, hij haalde uit zijn voorraad een grote lap, "wacht, ik zal jullie!" en hij sloeg er zonder genade op los. Toen hij de lap eraf trok en telde hoeveel er waren, lagen daar niet minder dan zeven vliegen dood met uitgestrekte poten. "Ben je zó'n held?" vroeg hij en bewonderde zijn grote dapperheid, "dat mag de hele stad wel eens weten." Haastig knipte de snijder een gordel, naaide hem dicht en stikte er met grote letters op: zeven in één klap! "Wat, de hele stad?" zei hij toen, "de hele wereld zal het weten!" en zijn hart hamerde van blijdschap als een lammestaartje. Het snijdertje bond zich de gordel om en wilde de wijde wereld in, want hij meende, dat zijn werkplaats te klein was voor zoveel dapperheid. Voor hij weg trok, zocht hij in 't huis na, of er niet nog iets was, wat hij mee kon nemen; maar hij vond niets anders dan een oud stuk kaas, en dat stak hij bij zich. Voor de poort zag hij een vogel, die verward was in de struiken; die moest bij de kaas in z'n zak.

Dapper ging hij nu op weg, en daar hij licht en vlug was, voelde hij geen moeheid. De weg voerde hem naar een berg, en toen hij de hoogste top had bereikt, zat daar een geweldige reus, die rustig op alles neerkeek. Het snijdertje ging heel trouwhartig op hem toe, en sprak hem aan: "Goedenmorgen, kameraad, zeg, kijk je de wereld eens aan? Ik ben juist op weg naar de wijde wereld en ik wil er mijn geluk proberen. Heb je zin om mee te gaan?" De reus keek het snijdertje verachtelijk aan en zei: "Lomperd! armzalig kereltje!" - "Dat zou je denken," zei het snijdertje, knoopte de mantel los en liet de gordel zien, "daar kan je lezen, hoe ik ben." De reus las: "zeven in één klap!" Hij dacht dat 't mensen waren, die het snijdertje had neergeslagen, en hij kreeg een beetje respect voor hem.

Toch wilde hij hem eerst op de proef stellen; hij nam een steen in zijn hand en drukte die in elkaar, zodat het water eruit droop. "Doe me dat eens na," zei de reus, "als je zo sterk bent." - "Is dat alles?" zei het snijdertje, "dat vinden wij kinderachtig," greep in zijn zak, pakte de kaas en drukte hem samen, zodat het vocht eruit liep. "Zeg," zei hij, "is dat nog niet een beetje beter?" De reus wist niet wat hij zeggen moest, en hij kon het van dat manneke niet geloven. Toen hief de reus een steen op en wierp die zo hoog, dat men hem met het blote oog nauwelijks meer zien kon: "Nou jij, kleine aardappel, doe me dat eens na." - "Een goede worp," zei het snijdertje, "maar jouw steen moest weer op de aarde terug vallen, ik zal er een opgooien, zo hoog, dat hij helemaal niet meer valt." Hij greep in zijn zak, pakte de vogel en gooide hem omhoog. De vogel, blij met zijn vrijheid, steeg omhoog, vloog weg en kwam niet meer terug. "Hoe bevalt je dat stukje, kameraad?" vroeg het snijdertje. "Gooien kan je wel," zei de reus, "maar nu zullen we nog eens zien, of je iets kunt dragen."

Hij bracht het snijdertje naar een geweldige eik, die geveld ter aarde lag, en zei: "Als je sterk genoeg bent, help me dan de boom het bos uit te dragen." - "Graag," antwoordde het mannetje, "neem jij dan de stam, dan neem ik de takken en de twijgen, dat is het grootste en het zwaarste deel." De reus nam de stam op zijn schouder, maar het snijdertje ging op een tak zitten, en de reus, die niet kon omkijken, droeg de boom alleen en het snijdertje erbij. Deze was, achteraan, heel vrolijk en floot het liedje "Daar reden drie snijdertjes uit de poort," alsof het sjouwen een kleinigheid was. De reus sleepte zijn zware last een eind mee, toen kon hij niet verder en riep: "Pas op! ik moet de boom laten vallen." De snijder sprong er vlug af, pakte de boom met beide armen beet, alsof hij hem zo aldoor had getorst, en zei tegen de reus: "Nou ben je zo'n grote kerel en je kunt niet eens een boom dragen." Samen gingen ze verder. Toen kwamen ze langs een kersenboom, en de reus pakte de kroon waar de sappigste vruchten hingen, boog hem naar beneden, gaf die aan het snijdertje om vast te houden en zei hem dat hij moest eten. Maar het snijdertje was veel te zwak om die boom te houden, en toen de reus losliet, ging de boom omhoog, en het snijdertje mee de lucht in. Toen hij weer zonder letsel op de grond stond, ze de reus: "Wat nu? Kan je zo'n zwak boompje niet eens neer houden?" - "Kracht genoeg," zei het snijdertje, "denk je dat dat voor mij iets was – ik, die er zeven in één klap sla? Ik ben over de boom gesprongen, omdat er jagers aan het schieten zijn in de struiken. Spring ook maar zo, als je kunt." De reus probeerde het, en kon niet over de boom heen, maar hij bleef in de takken hangen en het snijdertje was hem weer de baas geweest.

De reus zei nu: "Als je zo'n dappere kerel bent, kom dan bij ons in 't hol en slaap bij ons." Het snijdertje wilde wel en ging mee. Ze kwamen in 't hol, waar meer reuzen zaten, bij 't vuur elk met een gebraden schaap in de hand. Ze aten. Het snijdertje keek om zich heen en dacht: "Het is hier toch heel wat ruimer dan in mijn werkplaats." De reus wees hem een bed, daar moest hij maar in gaan liggen en eens uitslapen. Maar 't snijdertje vond 't bed te groot, ging er niet in, maar kroop in een hoekje. Toen het middernacht was, en de reus dacht dat het snijdertje al lang sliep, stond hij op, nam een grote ijzeren stang en sloeg het bed met één slag in tweeën en hij dacht dat hij die sprinkhaan nu wel kwijt was. Vroeg in de morgen gingen de reuzen het bos in, ze hadden 't hele snijdertje vergeten, daar kwam 't ineens heel vrolijk en zelfbewust aan. De reuzen schrokken, waren bang dat hij hen allen dood zou slaan en liepen haastig weg.

Maar het snijdertje trok verder, steeds z'n spitse neus achterna. Toen hij een eind gelopen had, kwam hij in de tuin van een paleis en omdat hij moe was, ging hij in 't gras liggen en sliep in. Terwijl hij lag te slapen, kwamen de mensen, bekeken hem en lazen op zijn gordel: "Zeven in één klap." - "Och," zeiden ze, "wat wil die grote krijgsheld hier midden in de vrede? Dat zal wel een groot heer zijn." Zij gingen zijn komst aan de koning vertellen: als er oorlog kwam, zou dat wel een bruikbaar en belangrijk man zijn, die ze zeker niet moesten laten vertrekken. Dat vond de koning een goede raad, hij zond een paar mensen van de hofhouding naar de man toe, om, als hij wakker was geworden, hem een aanbod te doen voor het leger. De afgezanten bleven bij de slapende staan, wachtten geduldig tot hij zich uit ging rekken en zijn ogen uitwreef, en brachten toen het aanbod over. "Daarom ben ik juist gekomen," zei hij, "en ik ben bereid, in dienst van de koning te treden."

Dus werd hij ontvangen, en hem werd een afzonderlijke woning aangeboden. Maar de soldaten moesten niets van het snijdertje hebben en wensten hem duizend mijlen ver. "Wat moet daarvan komen?" zeiden ze onder elkaar, "als wij ruzie met hem krijgen en hij slaat er op, dan slaat hij er in één slag zeven dood. Dan kunnen wij niet meer bestaan." Zo namen ze een besluit, togen allemaal samen naar de koning en vroegen hun ontslag. "Wij zijn er niet," zeiden ze, "om te werken met iemand die er zeven in één klap kan doodslaan." De koning werd bedroefd, dat hij om die ene held al zijn trouwe soldaten moest verliezen; hij wilde dat hij nooit van zijn bestaan had gehoord, en hij wilde wel dat hij hem kwijt kon. Toch durfde hij hem niet te ontslaan, uit vrees dat de man hem en zijn volk allemaal samen dood zou slaan, en zich tenslotte op de troon zou nestelen. Hij dacht er lang over na en eindelijk wist hij raad. Hij zond een boodschap naar het snijdertje.

Omdat hij zo'n krijgsheld was, wilde hij hem iets aanbieden. In een groot bos in zijn land woonden twee reuzen, die met roof, moord, brand en plundering veel kwaad stichtten. Niemand durfde hen te naderen. Als het snijdertje die twee reuzen kon doden, zou de koning hem zijn dochter tot vrouw geven en het halve koninkrijk als bruidsschat, honderd ruiters mochten meegaan als hulp. "Dat zou nog eens wat zijn voor een man als ik," zei het snijdertje bij zichzelf, "een mooie prinses en een half koninkrijk, zo iets krijg je niet elke dag." - "Wel ja," was zijn antwoord, "die reuzen zal ik wel aan kunnen en die honderd ruiters heb ik er niet bij nodig, wie zeven in één klap slaat, hoeft zich om twee niet te bekommeren."

Het snijdertje trok er op uit, en de honderd ruiters reden achter hem aan. Toen hij aan de rand van het bos kwam, sprak hij tot zijn geleide: "Blijf hier maar wachten, de reuzen neem ik wel alleen." Toen sprong hij het bos in, en keek links en rechts. Na korte tijd kreeg hij de twee reuzen in 't oog: ze lagen onder een boom te slapen en snurkten dat de takken op en neer woeien. Het snijdertje, vastberaden, deed zijn beide zakken vol stenen en klom in de boom. Middenin liet hij zich op een grote tak glijden, tot hij vlak boven de slapers zat. Toen liet hij de ene reus een steen op de borst vallen en nog één en nog één. Eerst merkte de reus niets, toen opeens werd hij wakker, stootte zijn gezel aan en zei: "Waarom sla je mij?" - "Je droomt," zei de ander, "ik sla je niet." Ze gingen weer slapen, toen gooide het snijdertje een steen op de andere reus. "Wat," zei de ander, "waarom gooi je naar mij?" - "Ik gooi niet," zei de eerste brommend. Ze kibbelden een poos, werden weer moe en hun ogen gingen weer dicht. Weer begon het snijdertje zijn spel, hij zocht de dikste steen, en gooide die de eerste reus op z'n borst. "Dat is te kras!" riep die, sprong woedend op en gooide zijn makker tegen de boom, zodat die trilde. De ander betaalde hem echter met gelijke munt, en ze werden zo driftig, dat ze bomen uittrokken, op elkaar lossloegen, tot ze beiden ter aarde vielen. Nu sprong het snijdertje omlaag. "Gelukkig maar," zei hij, "dat ze de boom waarin ik zat, niet hebben uitgerukt, anders had ik als een eekhoorntje van de ene boom in de andere moeten wippen!" Hij trok toen zijn zwaard en gaf elk van de reuzen een paar zware slagen in de borst, toen ging hij weg, liep naar zijn ruiters en sprak: "Het is gebeurd. Ik heb ze allebei gedood; maar het is er hard toegegaan: ze hebben in hun angst bomen uitgetrokken en zich daarmee verweerd, maar het hielp allemaal niets, wanneer er iemand bij is als ik, die er zeven slaat in één klap." - "Bent u dan niet gewond?" vroegen de ruiters. "Dat gaat best," antwoordde het snijdertje, "geen haar hebben ze me gekrenkt." Dat wilden de ruiters niet geloven en ze reden het bos is, waar ze weldra de reuzen vonden, badend in hun bloed en overal in het rond uitgerukte boomstammen!

Het snijdertje kwam nu bij de koning om de beloofde prijs, maar die had spijt van zijn belofte en zon weer op een middel om zich de held van de hals te schuiven. "Voor je mijn dochter krijgt en het halve koninkrijk," zei hij, "moet je nog eenmaal een heldendaad verrichten. In het bos loopt een eenhoorn rond. Hij richt overal schade aan. Hem moet je eerst nog vangen." - "Voor een eenhoorn ben ik nog minder bang dan voor twee reuzen. Zeven in één klap, dat is mijn kracht." Hij voorzag zich van een touw en een bijl, ging het bos weer in, en liet zijn geleide weer wachten. Lang hoefde hij niet te zoeken, de eenhoorn kwam er weldra aan en sprong recht op het snijdertje af, alsof hij hem zonder uitstel op de hoorn wilde nemen. "Rustig, rustig," zei hij, "zo gauw gaat het niet!" Hij bleef staan en wachtte, tot het dier vlakbij was; dan sprong hij heel vlug achter een boom. Maar de eenhoorn was met een aanloop tegen de boom opgevlogen en spietste zijn hoorn zo stijf in de stam, dat hij hem niet weer weg kon trekken. En zo was hij gevangen. "Daar heb ik hem in de knip," zei het snijdertje, kwam achter de boom vandaan, legde z'n touw om de hals van de eenhoorn, hakte met zijn bijl de hoorn uit de boom, en toen alles klaar was, leidde hij hem aan het touw naar de koning.

Maar de koning wilde hem het beloofde nog niet geven en stelde een derde eis. Het snijdertje moest voor de bruiloft nog een wild zwijn vangen, dat grote last in 't bos veroorzaakte, en daarbij moesten de jagers hem helpen. "Best," zei het snijdertje, "dat is kinderwerk." De jagers nam hij niet eens mee tot hun groot genoegen want ze kenden dat wilde zwijn en ze hadden geen zin het nog eens te ontmoeten. Toen het wild zwijn de snijder zag, kwam het schuimbekkend en met dreigende slagtanden op hem afgerend en wilde hem omverwerpen, maar de snelle held sprong in een boskapelletje dat daar stond, en met één sprong weer het venster uit. Het wild zwijn was achter hem aan naar binnen gedraafd, maar 't snijdertje liep vlug om en sloeg de deur van 't kapelletje dicht. Nu was 't woedende dier opgesloten, en 't was veel te dom en te dik om uit het raam te springen. Het snijdertje ging de jagers halen: ze moesten de gevangene zelf zien, maar de held stapte naar de koning, die nu, goedschiks of kwaadschiks, zijn belofte moest houden, en hem zijn dochter gaf en 't halve koninkrijk toe. Had hij geweten dat het geen held was, maar een snijdertje, dat voor hem stond, dan had hij het nog erger gevonden. De bruiloft werd dus met veel pracht en weinig plezier gehouden en 't snijdertje werd koning. Na een poos hoorde de koningin 's nachts, hoe haar man in de droom sprak. "Jongen, eerst 't buis en dan gauw de broek naaien, anders sla ik je met de maatstok om je oren." Nu wist ze in welke steeg de jonge koning geboren was, en de volgende morgen klaagde ze bij haar vader haar nood, hij moest haar toch afhelpen van een man die een geboren snijdertje was. De koning troostte haar en zei: "Laat vannacht de deur van de slaapkamer open. Mijn lakeien zullen buiten staan en als hij in slaap is, komen ze binnen, slaan hem in boeien en dragen hem naar een schip, dat hem de wijde wereld in zal varen." De vrouw vond het best, maar 's konings wapendrager die de jonge koning aardig vond, had alles gehoord en bracht alles over. "Daar zullen we een stokje voor steken," zei het snijdertje. 's Avonds ging hij gewoon met zijn vrouw naar bed; toen zij geloofde dat hij sliep, stond ze op, deed de deur open en ging weer liggen. Het snijdertje dat maar deed alsof hij sliep, begon met luide stem te roepen: "Jongen! eerst 't buis en dan gauw de broek naaien, anders sla ik je met de maatstok om je oren. Zeven sloeg ik in één klap, twee reuzen heb ik gedood, een eenhoorn gevangen en een wild zwijn en zou ik dan nog bang zijn voor die lakeien buiten de kamerdeur?" Toen ze het snijdertje zo hoorden, joeg hij hun de schrik op 't lijf. Ze liepen of de wilde jacht hun op de hielen zat, en niemand wilde zich meer met hem meten. Zo was en bleef het snijdertje al z'n levensdagen een koning!
Pewnego letniego poranka siedział krawczyk na swoim stole przy oknie, dobry miał nastrój i szył co sił. Ulicą szła chłopka i wołała: "Dobry mus sprzedaję, dobry mus!"

Słodziutko to zabrzmiało w uszach krawczyka. Swą delikatną głowę wystawił przez okno i zawołał: "Na górę, dobra kobieto, tu pozbędziecie się towaru."

Kobieta wspięła się trzy piętra do góry ze swoim ciężkim koszem do krawczyka. Musiała wyłożyć przed nim wszystkie garnki. Oglądał je, podnosił do góry, trzymał przed nosem aż wreszcie rzekł: "Ten mus musi być dobry, zważcie mi cztery łuty, dobra kobieto, może być nawet pół funta jak dla mnie."

Kobieta, która miała nadzieję na dobry utarg, dała mu, czego żądał, ale odeszła zła pomrukując.

"No, ten mus niechaj Bóg błogosławi," zawołał krawczyk, "a niech przyda mi sił," przyniósł chleb z szafy, ukroił sobie pajdę przez cały bochen, na wierzch posmarował mus. "To nie będzie gorzkie," powiedział, "ale najpierw niech skończę kaftan, zanim ugryzę."

Położył chleb obok siebie, szył dalej, a z radości robił coraz większe ściegi. Zapach słodkiego musu doleciał do ściany, gdzie siedziało wiele much, przyciągał je, że chmarami siadały na chleb. "A kto was prosił?," rzekł krawczyk odganiając nieproszonych gości. Muchy jednak nie rozumiały po niemiecku i odgonić się nie dały. Przylatywały za to w jeszcze większym towarzystwie. Krawczykowi, jak to się mówi, usiadła wreszcie wesz na wątrobie, wyciągnął z kąta starą szmatę i "Poczekajcie, ja wam dam!" trzepnął bezlitośnie. Kiedy zabrał szmatę i policzył, na chlebie nie leżało mniej jak siedem martwych z wyciągniętymi nóżkami.

"Ale z ciebie zuch!" rzekł i sam podziwiał swoją odwagę. "Całe miasto musi się o tym dowiedzieć." I w pośpiechu wyciął sobie krawczyk pas i wyszył na nim wielkimi literami "Siedem za jednym zamachem!"

"Co tam miasto!," mówił dalej, "Niech dowie się cały świat!" A serce trzęsło się w nim jak ogonek baranka. Krawiec zawiązał pas wokół siebie, chciał pójść w świat, bo sądził, że warsztat jest zbyt mały jak na jego odwagę. Zanim ruszył, przeszukał dom, czy nie ma w nim nic, co mógłby zabrać ze sobą. Nie znalazł nic prócz starego sera, który schował. Przed bramą zobaczył ptaka, który zaplątał się w krzaki, schował go do torby razem z serem.

Cały świat złożył dzielnie u swych nóg, a ponieważ był lekki i chyży, nie czuł zmęczenia. Droga prowadziła go na górę, a gdy doszedł już do najwyższego szczytu, siedział tam potężny olbrzym i rozglądał się powoli wokół siebie. Krawczyk podszedł do niego dzielnie, zagadnął go i rzekł: "Dzień dobry, kamracie! Co tak siedzisz i patrzysz w daleką drogę? Właśnie ruszyłem w świat i chcę się spróbować. Chcesz iść ze mną?"

Olbrzym spojrzał na krawczyka z pogardą i rzekł: "Ty dziadygo! Ty nędzniku!"

" A to ci dopiero!," odrzekł krawczyk i rozpiął surdut pokazując olbrzymowi pas. "Tu możesz sobie przeczytać, co ze mnie za człek."

Olbrzym czytał "Siedem za jednym zamachem" i myślał, że chodzi o ludzi, których krawczyk pozabijał. Nabrał troszeczkę szacunku przed małym człowieczkiem. Ale chciał go najpierw sprawdzić, wziął kamień i ścisnął go, że aż woda kapać poczęła.

"Zrób to co ja," rzekł olbrzym, "jeśli siły ci starczy."

"Tylko tyle?," powiedział krawczyk? "to dla takich jak ja, dziecinna zabawa," chwycił za torbę, wyjął kawałek miękkiego sera i ścisnął aż pociekł sok. "Ujdzie?," rzekł, "Było troszkę lepiej?"

Olbrzym nie wiedział, co powiedzieć, lecz wciąż nie wierzył małemu człowieczkowi. Podniósł zatem kamień i rzucił tak wysoko w górę, że ledwo można go było dojrzeć oczami.

"No, kurczaczku, zrób to samo."

"Dobry rzut," rzekł krawiec, "ale ten kamień w końcu spadł na ziemię. A ja rzucę Ci takiego, że nigdy nie wróci." Chwycił za torbę, wziął ptaszka i rzucił go w górę.. Ptaszek, rad z wolności, wzbił się wysoko, odleciał i już nie wrócił. "Jak ci się podoba ta sztuczka, kamracie?" zapytał krawiec.

"Rzucać umiesz," rzekł olbrzym, "ale zobaczmy, czy umiesz unieść coś porządniejszego." Poprowadził krawczyka do wielkiego dębu, który powalony leżał na ziemi i rzekł. "Jeśli starczy ci siły, pomóż mi wynieść to drzewo z lasu."

"Chętnie," odpowiedział mały człowiek, weź jeno pień na plecy, a ja poniosę gałęzie i konary., to jest przecież najcięższe."

"Olbrzym wziął na plecy pień, a krawiec usiadł na gałęzi. Olbrzym, który nie mógł się obejrzeć, musiał nieść całe drzewo i jeszcze krawczyka na górze. Siedział z tyłu wesoły i w dobrym nastroju, gwizdał sobie pioseneczkę "Jechało sobie trzech krawców przez bramę," jakby noszenie drzew naprawdę było dziecinną zabawą. Olbrzym ciągnął drzewo spory kawałek, ale w końcu już nie mógł i rzekł: "Słuchaj, muszę puścić drzewo." Krawiec szybko zeskoczył, chwycił drzewo obiema rękami, jakby go niósł i rzekł do olbrzyma: "Taki z ciebie chłop na schwał, a nie możesz unieść drzewa."

Dalej poszli razem, a gdy przechodzili obok wiśni, olbrzym chwycił za koronę drzewa, gdzie rosły najdorodniejsze owoce, ugiął ją, podał krawczykowi do ręki aby sobie pojadł. Ale krawczyk był zbyt słaby by utrzymać drzewo, więc kiedy olbrzym je puścił, drzewo poszło do góry, a krawiec poszybował w powietrze. Kiedy spadł bez szkody na ziemię, rzekł olbrzym: "Co jest? Nie masz siły potrzymać tego lichego badyla?"

"Sił mi nie brak," odpowiedział krawczyk, "myślisz że to kłopot dla kogoś, kto zabił siedem za jednym zamachem?" Skoczyłem przez drzewo, bo myśliwi strzelali w krzaki. Skacz jak ja, jeśli potrafisz."

Olbrzym spróbował, ale nie mógł przeskoczyć drzewa, zawisł jeno na gałęziach, krawczyk zachował więc przewagę."

Olbrzym rzekł: "Jeśli odwagi ci nie brak, to chodź do naszej groty i przenocuj u nas."

Krawiec przystał na to i poszedł za nim. Gdy doszli do groty, siedziały tam inne olbrzymy przy ogniu, a każdy trzymał w ręku pieczoną owcę i ją jadł. Krawczyk rozejrzał się i pomyślał: "Dużo tu wszystko większe niż w moim warsztacie.

Olbrzym pokazał mu łóżko i rzekł, że ma się położyć i wyspać. Dla krawczyka łóżko było jednak zbyt wielkie i nie położył się w nim, lecz wcisnął się w jakiś kąt. Gdy nadeszła północ, olbrzym myślał, że krawczyk leży w głębokim śnie, wstał więc, wziął żelazny pręt i jednym uderzeniem przeciął łóżko na pół i sądził już, że ukatrupił małą gnidę. Wczesnym rankiem olbrzymy poszły do lasu, a o krawczyku całkiem zapomnieli. Wtem się zjawił radosny i zuchwały. Olbrzymy wystraszyły się, że ich pozabija i uciekły w wielkim pośpiechu.

Krawczyk szedł dalej, zawsze za czubkiem swojego nosa. Po długiej wędrówce trafił do pewnego królewskiego pałacu, a ponieważ zmęczony był okrutnie, położył się w trawie i zasnął. Kiedy tak leżał, przyszli ludzie, obejrzeli go ze wszystkich stron i przeczytali na pasie: "Siedem za jednym zamachem."

"Ach, powiedzieli, "Czego szuka ten wojenny bohater w środku pokoju? To musi być potężny pan."

Poszli i opowiedzieli wszystko królowi, bo myśleli, że kiedy wybuchnie wojna, będzie to ważny i użyteczny człowiek, którego nie można wypuścić za wszelką cenę. Królowi spodobała się rada i posłał jednego ze swych dworzan do krawczyka, by mu zaproponował królewską służbę, kiedy się obudzi.

Poseł stał przy śpiochu i czekał, aż przeciągnie wszystkie członki i otworzy oczy, w końcu przekazał mu ofertę.

"Właśnie dlatego tu przybyłem," odpowiedział krawczyk, "jestem gotów wstąpić w służbę królowi" Tak więc został przyjęty z honorami, przydzielono mu też wyjątkowe mieszkanie.

Wojacy byli jednak krawczykowi nieprzychylni i życzyli sobie, by był gdzieś o tysiące mil dalej.

"Co to będzie," mówili między sobą, "Jeśli dojdzie z nim do swary, gdy przyłoży, padnie siedmiu za jednym zamachem. Nikt z nas nie stawi mu w walce czoła."

Postanowili więc, że wszyscy pójdą do króla i poproszą o zwolnienie ze służby."

"Nie jesteśmy stworzeni," powiedzieli, "by równać się, człowiekowi, który pobije siedmiu na raz."

Król był smutny, że z powodu tego jednego, straci swe wierne sługi i życzył sobie, by jego oczy nigdy go nie ujrzały. Chętnie by się z nim rozstał, ale się bał, że wymorduje cały jego lud i sam zasiądzie na tronie. Zastanawiał się długo, aż wreszcie znalazł radę. Wysłał posłańca do krawczyka i kazał mu powiedzieć, że ponieważ jest tak wielkim bohaterem, składa mu propozycję. W lesie jego kraju, usadowiło się dwóch olbrzymów, którzy rabunkiem, mordem i ogniem sieją zniszczenie. Nikt nie może się do nich zbliżyć nie wystawiając się jednocześnie na niebezpieczeństwo utraty życia. Jeśliby zwyciężył obu i ich zabił, oddałby mu swą córkę za żonę i pół królestwa w posagu, a dla wsparcia wyśle mu jeszcze stu jeźdźców

"To by było coś dla człowieka jak ty," pomyślał krawczyk, nie codziennie oferują człowiekowi królewnę i pół królestwa do tego.

" O tak," odpowiedział, "Poskromię tych olbrzymów i nie potrzebuję setki jeźdźców. Kto zabija siedem za jednym zamachem, nie zlęknie się dwóch."

Krawczyk ruszył w drogę, a setka jeźdźców ruszyła za nim. Kiedy dotarł na skraj lasu, rzekł do towarzyszy: "Zostańcie tu, sam rozprawię się z olbrzymami."

Wskoczył do lasu, rozejrzał się na prawo i lewo. Po chwili zobaczył dwóch olbrzymów: leżeli pod drzewem i spali i chrapali przy tym, że aż konary gięły się w górę i w dół. Gdy był w środku, sunął się po gałęzi, aż znalazł się dokładnie nad śpiącymi. Jednemu z olbrzymów spuszczał na piersi kamień za kamieniem. Olbrzym długo nic nie czuł,,, ale w końcu się obudził, szturchnął kompana i rzekł: "Co mnie bijesz?"

"Coś ci się śni," powiedział drugi, "nie biję cię."

Znowu ułożyli się do snu. Wtedy krawczyk rzucił kamieniem w drugiego.

"Co to ma znaczyć," zawołał drugi, "Czemu we mnie rzucasz?"

"Nie rzucam," odpowiedział drugi i warknął.

Kłócili się przez chwilę, a ponieważ byli zmęczeni, odpuścili sobie, oczy im się zamknęły na nowo. Krawczyk zaczął zaś zabawę od nowa, wyszukał największy kamień i całej siły cisnął w pierś pierwszego.

"Co za podłość!," krzyknął, skoczył jak szalony na równe nogi, i rzucił kompanem o drzewo, że aż zadrżało Drugi odpłacił tą samą monetą i wściekli się tak, że wyrywali drzewa lejąc jeden drugiego aż w końcu obaj jednocześnie padli martwi na ziemię.

W tym momencie krawczyk zeskoczył.

"Całe szczęście," rzekł, "że nie wyrwali drzewa, na którym siedziałem, inaczej musiałbym skakać na drugie jak wiewiórka. Wyciągnął swój miecz i zadał olbrzymom parę solidnych ciosów w pierś, potem wyszedł do jeźdźców i powiedział: "Robota załatwiona. Ukatrupiłem obydwu, ale było ciężko, w rozpaczy wyrywali drzewa i się bronili, ale nic im to nie mogło pomóc, gdy przychodzi taki jak ja, co bije siedem za jednym zamachem."

"Nie jesteście ranni?" zapytali jeźdźcy?

"Nie spadł mi z głowy włos," odpowiedział krawiec.

"Jeźdźcy nie chcieli dać mu wiary i wjechali w las. Znaleźli tam olbrzymów tonących we własnej krwi, a dokoła leżały powyrywane drzewa.

Krawczyk zażądał od króla obiecanej nagrody, ten jednak żałował swej obietnicy i myślał od nowa, jak pozbyć się z głowy bohatera.

"Zanim dostaniesz mą córkę i połowę królestwa," rzekł do niego, musisz wykazać się jeszcze jednym bohaterskim czynem. Po lesie biega jednorożec i sieje szkodę i zniszczenie. Musisz go złapać."

"Jednorożca obawiam się jeszcze mniej niż dwóch olbrzymów, siedem za jednym zamachem to moje rzemiosło." Zabrał ze sobą powróz i siekierę, poszedł w las a przydzielonym mu ludziom kazał czekać. Nie musiał długo szukać. Jednorożec wkrótce się zjawił i skoczył na krawczyka, jakby chciał go od razu nadziać na swój róg. "Wolnego, wolnego!" rzekł, "tak szybko ci to nie pójdzie," stanął i poczekał aż zwierzę się zbliży, wtedy schował się szybko za drzewo. Jednorożec uderzył w drzewo z całych sił wbijając swój róg tak głęboko w pień, że nie miał sił go wyjąć i tak stał na uwięzi. "Mam cię ptaszku," rzekł krawiec, wyszedł zza drzewa, założył jednorożcowi powróz na szyję, a siekierą uwolnił róg z drzewa. A gdy wszystko było już w porządku, zaprowadził zwierzę do króla.

Król nie chciał przystać na obiecaną nagrodę i wystawił go na trzecią próbę. Krawiec miał złapać przed weselem dziką świnię, która w lesie wyrządzała wiele szkód. Pomóc mu w tym mięli myśliwi.

"Chętnie," powiedział krawiec, "to dziecinna igraszka."

Myśliwych nie zabrał do lasu i byli z tego zadowoleni, bo owa dzika świnia przywitała ich już parę razy tak, że nie mięli ochoty przeżyć tego jeszcze raz.

Gdy świnia zobaczyła krawca, biegła na niego ze spienionym pyskiem ostrząc sobie zęby i chciała go powalić na ziemię. Chyży bohater wskoczył jednak do kaplicy, która stała w pobliżu, potem na okno i przez okno jednym susem na zewnątrz, świnia zaś biegła za nim. Krawczyk wyskoczył był już z okna i zamknął za nią drzwi. Szalejące zwierze było w potrzasku, zbyt ciężkie i niezdarne by wyskoczyć przez okno. Krawczyk przywołał myśliwych by na własne oczy zobaczyli więźnia. Bohater udał się do króla, bo teraz czy chciał czy nie, musiał spełnić swą obietnicę, oddać mu córkę i pół królestwa. Gdyby wiedział, że to nie bohater wojenny, ale zwykły krawczyk przed nim stoi, jeszcze bardziej bolałoby go serce. Wesele odbyło się w wielkim przepychu i niewielkiej radości, a z krawczyka zrobiono króla.

Po pewnym czasie młoda królowa usłyszała, jak jej mąż mówi przez sen: "Chłopcze, zrób mi surdut i połataj spodnie, albo poczęstuję cię łokciem między uszy." Zmiarkowała się wtedy, na jakiej uliczce jej mąż się zrodził. Rankiem poskarżyła się ojcu i prosiła go by pomógł jej uwolnić się od męża, który jest nikim innym jak tylko zwykłym krawcem. Król pocieszył ją i rzekł: "Następnej nocy nie zamykaj alkowy, moi słudzy będą czekać na zewnątrz , a gdy zaśnie, wejdą, zwiążą go i zaniosą na statek, który w dalekie światy popłynie." Zadowolona była z tego żona, lecz miecznik króla, który wszystko słyszał, sprzyjał młodemu panu i doniósł mu o spisku.

"Pomieszamy mu szyki," rzekł krawczyk. Wieczorem położył się o zwykłej porze do łóżka z żoną. Gdy myślała, że już śpi, wstała, otworzyła drzwi i położyła się z powrotem. Krawczyk, który tylko udawał, że śpi, zaczął wołać gromkim głosem: "chłopcze, zrób mi surdut i połataj spodnie, albo cię łokciem między uszy poczęstuję. Zabiłem siedem za jednym zamachem, dwóch olbrzymów, porwałem jednorożca, złapałem dziką świnię i mam się bać tych, co czekają na mnie przed alkową!"

Gdy usłyszeli, co mówi krawczyk, obleciał ich wielki strach, biegli jakby obce wojska ich goniły i nie ważył się już żaden wystąpić przeciw niemu.

Tak więc krawczyk był królem po kres swych dni.

Tłumaczył Jacek Fijołek, © Jacek Fijołek




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.