NEDERLANDS

Het dappere snijdertje (Zeven in één klap)

TÜRKÇE

Cesur Terzi


Op een mooie zomermorgen zat een snijdertje op zijn tafel voor het venster; hij was opgewekt en naaide dat het een aard had. Toen kwam een boerenvrouw de straat af en riep: "Moes te koop! Moes te koop!" Dat klonk het snijdertje heerlijk in de oren: hij stak zijn kleine hoofd uit het raam en riep: "Kom maar boven vrouwtjelief, hier kun je je moes kwijt."

De vrouw klom de drie steile trappen op naar het snijdertje, en ze moest al haar manden met vruchtenmoes voor hem uitpakken. Hij bekeek alles, nam van iedere soort in de hand, rook eraan, en zei tenslotte: "Dat is lekkere jam, weeg me vier lood af, en als 't een kwart pond wordt, is het ook niet erg." De vrouw die gehoopt had een flinke bestelling te krijgen, gaf hem de vier lood, maar ze ging knorrend en brommend weg. "Nu, God zegen de maaltijd," zei het snijdertje, "dit zal mij kracht en moed geven," en hij haalde een brood uit de kast, sneed overdwars een hele snee af, en streek er de jam overheen als beleg. "Dat zal niet kwaad smaken," zei hij, "maar eerst moet dat buis nog klaar, voor ik mijn tanden in het eten zet." Hij legde het brood naast zich, naaide verder en maakte steeds grotere steken van puur plezier.

Intussen steeg de geur van de moes langs de wanden omhoog, waar een massa vliegen zat. Ze werden er door gelokt, en streken in zwermen op het brood neer. "Nou, wie heeft jullie uitgenodigd?" sprak het snijdertje, en hij joeg de ongenode gasten weg. Maar de vliegen die geen Hollands verstonden, lieten zich niet wegjagen, maar kwamen terug in steeds groter getale. Toen liep het snijdertje de gal over, hij haalde uit zijn voorraad een grote lap, "wacht, ik zal jullie!" en hij sloeg er zonder genade op los. Toen hij de lap eraf trok en telde hoeveel er waren, lagen daar niet minder dan zeven vliegen dood met uitgestrekte poten. "Ben je zó'n held?" vroeg hij en bewonderde zijn grote dapperheid, "dat mag de hele stad wel eens weten." Haastig knipte de snijder een gordel, naaide hem dicht en stikte er met grote letters op: zeven in één klap! "Wat, de hele stad?" zei hij toen, "de hele wereld zal het weten!" en zijn hart hamerde van blijdschap als een lammestaartje. Het snijdertje bond zich de gordel om en wilde de wijde wereld in, want hij meende, dat zijn werkplaats te klein was voor zoveel dapperheid. Voor hij weg trok, zocht hij in 't huis na, of er niet nog iets was, wat hij mee kon nemen; maar hij vond niets anders dan een oud stuk kaas, en dat stak hij bij zich. Voor de poort zag hij een vogel, die verward was in de struiken; die moest bij de kaas in z'n zak.

Dapper ging hij nu op weg, en daar hij licht en vlug was, voelde hij geen moeheid. De weg voerde hem naar een berg, en toen hij de hoogste top had bereikt, zat daar een geweldige reus, die rustig op alles neerkeek. Het snijdertje ging heel trouwhartig op hem toe, en sprak hem aan: "Goedenmorgen, kameraad, zeg, kijk je de wereld eens aan? Ik ben juist op weg naar de wijde wereld en ik wil er mijn geluk proberen. Heb je zin om mee te gaan?" De reus keek het snijdertje verachtelijk aan en zei: "Lomperd! armzalig kereltje!" - "Dat zou je denken," zei het snijdertje, knoopte de mantel los en liet de gordel zien, "daar kan je lezen, hoe ik ben." De reus las: "zeven in één klap!" Hij dacht dat 't mensen waren, die het snijdertje had neergeslagen, en hij kreeg een beetje respect voor hem.

Toch wilde hij hem eerst op de proef stellen; hij nam een steen in zijn hand en drukte die in elkaar, zodat het water eruit droop. "Doe me dat eens na," zei de reus, "als je zo sterk bent." - "Is dat alles?" zei het snijdertje, "dat vinden wij kinderachtig," greep in zijn zak, pakte de kaas en drukte hem samen, zodat het vocht eruit liep. "Zeg," zei hij, "is dat nog niet een beetje beter?" De reus wist niet wat hij zeggen moest, en hij kon het van dat manneke niet geloven. Toen hief de reus een steen op en wierp die zo hoog, dat men hem met het blote oog nauwelijks meer zien kon: "Nou jij, kleine aardappel, doe me dat eens na." - "Een goede worp," zei het snijdertje, "maar jouw steen moest weer op de aarde terug vallen, ik zal er een opgooien, zo hoog, dat hij helemaal niet meer valt." Hij greep in zijn zak, pakte de vogel en gooide hem omhoog. De vogel, blij met zijn vrijheid, steeg omhoog, vloog weg en kwam niet meer terug. "Hoe bevalt je dat stukje, kameraad?" vroeg het snijdertje. "Gooien kan je wel," zei de reus, "maar nu zullen we nog eens zien, of je iets kunt dragen."

Hij bracht het snijdertje naar een geweldige eik, die geveld ter aarde lag, en zei: "Als je sterk genoeg bent, help me dan de boom het bos uit te dragen." - "Graag," antwoordde het mannetje, "neem jij dan de stam, dan neem ik de takken en de twijgen, dat is het grootste en het zwaarste deel." De reus nam de stam op zijn schouder, maar het snijdertje ging op een tak zitten, en de reus, die niet kon omkijken, droeg de boom alleen en het snijdertje erbij. Deze was, achteraan, heel vrolijk en floot het liedje "Daar reden drie snijdertjes uit de poort," alsof het sjouwen een kleinigheid was. De reus sleepte zijn zware last een eind mee, toen kon hij niet verder en riep: "Pas op! ik moet de boom laten vallen." De snijder sprong er vlug af, pakte de boom met beide armen beet, alsof hij hem zo aldoor had getorst, en zei tegen de reus: "Nou ben je zo'n grote kerel en je kunt niet eens een boom dragen." Samen gingen ze verder. Toen kwamen ze langs een kersenboom, en de reus pakte de kroon waar de sappigste vruchten hingen, boog hem naar beneden, gaf die aan het snijdertje om vast te houden en zei hem dat hij moest eten. Maar het snijdertje was veel te zwak om die boom te houden, en toen de reus losliet, ging de boom omhoog, en het snijdertje mee de lucht in. Toen hij weer zonder letsel op de grond stond, ze de reus: "Wat nu? Kan je zo'n zwak boompje niet eens neer houden?" - "Kracht genoeg," zei het snijdertje, "denk je dat dat voor mij iets was – ik, die er zeven in één klap sla? Ik ben over de boom gesprongen, omdat er jagers aan het schieten zijn in de struiken. Spring ook maar zo, als je kunt." De reus probeerde het, en kon niet over de boom heen, maar hij bleef in de takken hangen en het snijdertje was hem weer de baas geweest.

De reus zei nu: "Als je zo'n dappere kerel bent, kom dan bij ons in 't hol en slaap bij ons." Het snijdertje wilde wel en ging mee. Ze kwamen in 't hol, waar meer reuzen zaten, bij 't vuur elk met een gebraden schaap in de hand. Ze aten. Het snijdertje keek om zich heen en dacht: "Het is hier toch heel wat ruimer dan in mijn werkplaats." De reus wees hem een bed, daar moest hij maar in gaan liggen en eens uitslapen. Maar 't snijdertje vond 't bed te groot, ging er niet in, maar kroop in een hoekje. Toen het middernacht was, en de reus dacht dat het snijdertje al lang sliep, stond hij op, nam een grote ijzeren stang en sloeg het bed met één slag in tweeën en hij dacht dat hij die sprinkhaan nu wel kwijt was. Vroeg in de morgen gingen de reuzen het bos in, ze hadden 't hele snijdertje vergeten, daar kwam 't ineens heel vrolijk en zelfbewust aan. De reuzen schrokken, waren bang dat hij hen allen dood zou slaan en liepen haastig weg.

Maar het snijdertje trok verder, steeds z'n spitse neus achterna. Toen hij een eind gelopen had, kwam hij in de tuin van een paleis en omdat hij moe was, ging hij in 't gras liggen en sliep in. Terwijl hij lag te slapen, kwamen de mensen, bekeken hem en lazen op zijn gordel: "Zeven in één klap." - "Och," zeiden ze, "wat wil die grote krijgsheld hier midden in de vrede? Dat zal wel een groot heer zijn." Zij gingen zijn komst aan de koning vertellen: als er oorlog kwam, zou dat wel een bruikbaar en belangrijk man zijn, die ze zeker niet moesten laten vertrekken. Dat vond de koning een goede raad, hij zond een paar mensen van de hofhouding naar de man toe, om, als hij wakker was geworden, hem een aanbod te doen voor het leger. De afgezanten bleven bij de slapende staan, wachtten geduldig tot hij zich uit ging rekken en zijn ogen uitwreef, en brachten toen het aanbod over. "Daarom ben ik juist gekomen," zei hij, "en ik ben bereid, in dienst van de koning te treden."

Dus werd hij ontvangen, en hem werd een afzonderlijke woning aangeboden. Maar de soldaten moesten niets van het snijdertje hebben en wensten hem duizend mijlen ver. "Wat moet daarvan komen?" zeiden ze onder elkaar, "als wij ruzie met hem krijgen en hij slaat er op, dan slaat hij er in één slag zeven dood. Dan kunnen wij niet meer bestaan." Zo namen ze een besluit, togen allemaal samen naar de koning en vroegen hun ontslag. "Wij zijn er niet," zeiden ze, "om te werken met iemand die er zeven in één klap kan doodslaan." De koning werd bedroefd, dat hij om die ene held al zijn trouwe soldaten moest verliezen; hij wilde dat hij nooit van zijn bestaan had gehoord, en hij wilde wel dat hij hem kwijt kon. Toch durfde hij hem niet te ontslaan, uit vrees dat de man hem en zijn volk allemaal samen dood zou slaan, en zich tenslotte op de troon zou nestelen. Hij dacht er lang over na en eindelijk wist hij raad. Hij zond een boodschap naar het snijdertje.

Omdat hij zo'n krijgsheld was, wilde hij hem iets aanbieden. In een groot bos in zijn land woonden twee reuzen, die met roof, moord, brand en plundering veel kwaad stichtten. Niemand durfde hen te naderen. Als het snijdertje die twee reuzen kon doden, zou de koning hem zijn dochter tot vrouw geven en het halve koninkrijk als bruidsschat, honderd ruiters mochten meegaan als hulp. "Dat zou nog eens wat zijn voor een man als ik," zei het snijdertje bij zichzelf, "een mooie prinses en een half koninkrijk, zo iets krijg je niet elke dag." - "Wel ja," was zijn antwoord, "die reuzen zal ik wel aan kunnen en die honderd ruiters heb ik er niet bij nodig, wie zeven in één klap slaat, hoeft zich om twee niet te bekommeren."

Het snijdertje trok er op uit, en de honderd ruiters reden achter hem aan. Toen hij aan de rand van het bos kwam, sprak hij tot zijn geleide: "Blijf hier maar wachten, de reuzen neem ik wel alleen." Toen sprong hij het bos in, en keek links en rechts. Na korte tijd kreeg hij de twee reuzen in 't oog: ze lagen onder een boom te slapen en snurkten dat de takken op en neer woeien. Het snijdertje, vastberaden, deed zijn beide zakken vol stenen en klom in de boom. Middenin liet hij zich op een grote tak glijden, tot hij vlak boven de slapers zat. Toen liet hij de ene reus een steen op de borst vallen en nog één en nog één. Eerst merkte de reus niets, toen opeens werd hij wakker, stootte zijn gezel aan en zei: "Waarom sla je mij?" - "Je droomt," zei de ander, "ik sla je niet." Ze gingen weer slapen, toen gooide het snijdertje een steen op de andere reus. "Wat," zei de ander, "waarom gooi je naar mij?" - "Ik gooi niet," zei de eerste brommend. Ze kibbelden een poos, werden weer moe en hun ogen gingen weer dicht. Weer begon het snijdertje zijn spel, hij zocht de dikste steen, en gooide die de eerste reus op z'n borst. "Dat is te kras!" riep die, sprong woedend op en gooide zijn makker tegen de boom, zodat die trilde. De ander betaalde hem echter met gelijke munt, en ze werden zo driftig, dat ze bomen uittrokken, op elkaar lossloegen, tot ze beiden ter aarde vielen. Nu sprong het snijdertje omlaag. "Gelukkig maar," zei hij, "dat ze de boom waarin ik zat, niet hebben uitgerukt, anders had ik als een eekhoorntje van de ene boom in de andere moeten wippen!" Hij trok toen zijn zwaard en gaf elk van de reuzen een paar zware slagen in de borst, toen ging hij weg, liep naar zijn ruiters en sprak: "Het is gebeurd. Ik heb ze allebei gedood; maar het is er hard toegegaan: ze hebben in hun angst bomen uitgetrokken en zich daarmee verweerd, maar het hielp allemaal niets, wanneer er iemand bij is als ik, die er zeven slaat in één klap." - "Bent u dan niet gewond?" vroegen de ruiters. "Dat gaat best," antwoordde het snijdertje, "geen haar hebben ze me gekrenkt." Dat wilden de ruiters niet geloven en ze reden het bos is, waar ze weldra de reuzen vonden, badend in hun bloed en overal in het rond uitgerukte boomstammen!

Het snijdertje kwam nu bij de koning om de beloofde prijs, maar die had spijt van zijn belofte en zon weer op een middel om zich de held van de hals te schuiven. "Voor je mijn dochter krijgt en het halve koninkrijk," zei hij, "moet je nog eenmaal een heldendaad verrichten. In het bos loopt een eenhoorn rond. Hij richt overal schade aan. Hem moet je eerst nog vangen." - "Voor een eenhoorn ben ik nog minder bang dan voor twee reuzen. Zeven in één klap, dat is mijn kracht." Hij voorzag zich van een touw en een bijl, ging het bos weer in, en liet zijn geleide weer wachten. Lang hoefde hij niet te zoeken, de eenhoorn kwam er weldra aan en sprong recht op het snijdertje af, alsof hij hem zonder uitstel op de hoorn wilde nemen. "Rustig, rustig," zei hij, "zo gauw gaat het niet!" Hij bleef staan en wachtte, tot het dier vlakbij was; dan sprong hij heel vlug achter een boom. Maar de eenhoorn was met een aanloop tegen de boom opgevlogen en spietste zijn hoorn zo stijf in de stam, dat hij hem niet weer weg kon trekken. En zo was hij gevangen. "Daar heb ik hem in de knip," zei het snijdertje, kwam achter de boom vandaan, legde z'n touw om de hals van de eenhoorn, hakte met zijn bijl de hoorn uit de boom, en toen alles klaar was, leidde hij hem aan het touw naar de koning.

Maar de koning wilde hem het beloofde nog niet geven en stelde een derde eis. Het snijdertje moest voor de bruiloft nog een wild zwijn vangen, dat grote last in 't bos veroorzaakte, en daarbij moesten de jagers hem helpen. "Best," zei het snijdertje, "dat is kinderwerk." De jagers nam hij niet eens mee tot hun groot genoegen want ze kenden dat wilde zwijn en ze hadden geen zin het nog eens te ontmoeten. Toen het wild zwijn de snijder zag, kwam het schuimbekkend en met dreigende slagtanden op hem afgerend en wilde hem omverwerpen, maar de snelle held sprong in een boskapelletje dat daar stond, en met één sprong weer het venster uit. Het wild zwijn was achter hem aan naar binnen gedraafd, maar 't snijdertje liep vlug om en sloeg de deur van 't kapelletje dicht. Nu was 't woedende dier opgesloten, en 't was veel te dom en te dik om uit het raam te springen. Het snijdertje ging de jagers halen: ze moesten de gevangene zelf zien, maar de held stapte naar de koning, die nu, goedschiks of kwaadschiks, zijn belofte moest houden, en hem zijn dochter gaf en 't halve koninkrijk toe. Had hij geweten dat het geen held was, maar een snijdertje, dat voor hem stond, dan had hij het nog erger gevonden. De bruiloft werd dus met veel pracht en weinig plezier gehouden en 't snijdertje werd koning. Na een poos hoorde de koningin 's nachts, hoe haar man in de droom sprak. "Jongen, eerst 't buis en dan gauw de broek naaien, anders sla ik je met de maatstok om je oren." Nu wist ze in welke steeg de jonge koning geboren was, en de volgende morgen klaagde ze bij haar vader haar nood, hij moest haar toch afhelpen van een man die een geboren snijdertje was. De koning troostte haar en zei: "Laat vannacht de deur van de slaapkamer open. Mijn lakeien zullen buiten staan en als hij in slaap is, komen ze binnen, slaan hem in boeien en dragen hem naar een schip, dat hem de wijde wereld in zal varen." De vrouw vond het best, maar 's konings wapendrager die de jonge koning aardig vond, had alles gehoord en bracht alles over. "Daar zullen we een stokje voor steken," zei het snijdertje. 's Avonds ging hij gewoon met zijn vrouw naar bed; toen zij geloofde dat hij sliep, stond ze op, deed de deur open en ging weer liggen. Het snijdertje dat maar deed alsof hij sliep, begon met luide stem te roepen: "Jongen! eerst 't buis en dan gauw de broek naaien, anders sla ik je met de maatstok om je oren. Zeven sloeg ik in één klap, twee reuzen heb ik gedood, een eenhoorn gevangen en een wild zwijn en zou ik dan nog bang zijn voor die lakeien buiten de kamerdeur?" Toen ze het snijdertje zo hoorden, joeg hij hun de schrik op 't lijf. Ze liepen of de wilde jacht hun op de hielen zat, en niemand wilde zich meer met hem meten. Zo was en bleef het snijdertje al z'n levensdagen een koning!
Bir yaz sabahı bir terzi pencere önündeki masasının başına geçmiş, büyük bir keyifle harıl harıl dikiş dikmekteydi. Bu sırada kapı önünden geçmekte olan bir köylü kadın "Satılık reçellerim var! Satılık reçellerim var!" diye seslendi.
Bu ses terzinin kulağına hoş geldi ve başını pencereden çıkararak "Buraya gel hanım, satışı burada yap" dedi.
Kadın ağır yüküyle üç merdiven yukarı çıkarak terzinin yanma vardı ve tüm kavanozları yere serdi. Adam hepsine baktı, eliyle tarttı, kokladı ve sonunda, "Bu iyiye benziyor; bana yüz gram tartsana, yüz elli de olsa olur" dedi.
İyi bir satış yapacağını uman kadın reçeli verdi, ama çok bozulmuştu. Öfkeyle homurdanarak oradan uzaklaştı.
Terzi, "Bu reçel şifalı olmalı, bana güç verecektir" diye düşündü. Reçeli bir somun ekmeğe sürdükten sonra, "Böyle daha tatlı olacak, ama yemeden önce şu ceketi bitireyim" diye düşündü.
Ekmeği yanına koyarak dikişe devam etti; her iğne atışında daha da keyifleniyordu.
Bu arada reçelin kokusu yükseldi; bu kokuya bir sürü sinek üşüştü ve duvarda adeta bir sinek grubu oluştu.
Terzi, "Sizleri kim davet etti!" diyerek bu beklenmedik misafirleri kovaladı. Ama onlar laftan anlamadığı için yine reçele kondu; sinek sürüsü daha da büyümüştü. Terzinin sabrı tükendi, yerinden kalkarak eline bir havlu aldı. "Şimdi görürsünüz gününüzü!" diyerek acımasızca sineklere vurdu. Öldürdüğü en az yedi sinek, terzinin önünde bacaklarını uzatmış, ölü yatıyordu şimdi.
"Yaman adammışım!" diye mırıldanarak kendi cesaretine hayran kaldı.
"Bunu bütün şehir duymalı!" diyerek bir kayış hazırladı ve "Bir vuruşta yedisi birden!" diye yazdı, daha doğrusu dikti kayışa.
Sonra da "Ne şehri be, bütün dünya duysun!" dedi.
Yüreği sevinçten kuzu kuyruğu gibi titredi.
Terzi bu kayışı beline doladı. Niyeti dünyaya açılmaktı; cesaretini sergilemek için şimdi çalıştığı yer ona ufak geliyordu.
Evden ayrılmadan önce, yanına alabileceği bir şey var mı diye her tarafa bakındı, ama bayatlamış peynirden başka bir şey bulamadı; onu cebine attı.
Kapının önünde çalılığa takılmış bir kuşa rastladı; onu da alıp peynirin yanma koydu.
Ve yola koyuldu. Yükü olmadığı için çevik adımlarla yürüdü; yorulmadı.
Karşısına çıkan dağı aşarak zirveye ulaştı. Orada koskoca bir dev oturmuş, huzur içinde etrafına bakınmaktaydı. Terzi korkmadan ona yaklaştı ve "Merhaba arkadaş, orada oturmuş dünyayı seyrediyorsun galiba?" dedi ve ekledi: "Benim niyetim dünyayı dolaşmak aslında. Bana katılır mısın?"
Dev onu aşağılamasına yukarıdan aşağı süzdükten sonra, "Hadi ordan serseri! Tabansız herif!" diye söylendi.
"Öyle mi sandın!" diyen terzi, ceketini açarak beline doladığı kayışı gösterdi.
Dev "Bir vuruşta yedisi birden!" yazısını okuyunca, terzinin öldürdüklerinin insan olduğunu sanarak bu ufak adama karşı az da olsa saygı duydu. Ama önce onu denemek istedi; eline bir taş parçası alarak sıktı ve suyunu çıkardı.
"Eğer o kadar güçlüysen sen de yap!" dedi.
"Bu benim için çocuk oyuncağı!" diye yanıtlayan terzi, cebinden çıkardığı beyaz peyniri sıkarak suyunu çıkardı.
Dev ne söyleyeceğini bilemedi; gözlerine inanamadı.
Derken yerden bir taş alarak havaya fırlattı; taş gözden kayboldu.
"Hadi bakalım bücür, sen de yap!" dedi.
"İyi atıştı" dedi terzi. "Ama o taş nasıl olsa yere düşecek. Benim atacağım hiç geri gelmeyecek!" diyerek cebinden çıkardığı kuşu havaya saldı.
Kuş, özgürlüğüne kavuştuğu için uçup gitti ve bir daha dönmedi. "Ee, buna ne diyorsun, arkadaş?" diye sordu terzi.
"Taş atmakta üstüne yok! Ama bakalım doğru dürüst yük taşıyacak mısın?" diyen dev, terziye yere devrilmiş koskoca bir meşe ağacı gösterdi.
"O kadar güçlüysen bana yardım et de, şu ağacı ormandan dışarı taşıyalım!" dedi.
"Olur. Sen ağacın kökünü sırtlan, ben de daha ağır olan dalları taşıyayım" diye yanıtladı ufak adam.
Dev, koskoca ağacı kökünden kaldırıp sırtına vurdu, terzi de dallardan birine oturuverdi. Dev arkasına bakamadığı için ağacı ve terziyi birlikte taşıdı.
Terzi arkada keyif çatarak, "Uç terzi kapıyı açıp giderdi ..." diye ıslıkla bir türkü tutturdu. Ağaç taşımak ona çocuk oyuncağı gibi gelmişti!
Bu ağır yükü bir süre taşıyan dev, daha fazla yürüyemedi ve "Dikkat et, ağacı bırakıyorum!" dedi.
Terzi hemen yere sıçradı. Kollarını ağacın dallarına doladı sanki taşıyormuş gibi yaparak. "Koskoca adamsın, bir ağacı bile taşıyamıyorsun!" diye sitemde bulundu deve.
Birlikte yürümeye devam ettiler, derken bir kiraz ağacı gördüler.
Dev, ağacın üst kısımlarını kucaklayıp aşağı eğerek dallarından birini terzinin eline tutuşturdu.
Ama terzi bu ağacı sabit tutamayacak kadar güçsüzdü. Dev ağacı bırakır bırakmaz adamcağız havaya uçtu. Yaralanmadan tekrar yere indiğinde "Ne oldu yahu, şu incecik dalı tutacak kadar kuvvetin yok mu?" dedi dev.
"Kuvvetim var tabi. Bir vuruşta yedisini haklayan biri için bu bir çocuk oyuncağı!" diye cevap verdi terzi.
"Ben ağaçtan aşağıya sıçradım, çünkü aşağıdaki avcı benim olduğum yere nişan almıştı. Cesaretin varsa gel sen de sıçra bakalım!"
Dev bunu denedi, ama sıçrayamadı; dallara takılı kaldı. Böylece terzi bir kez daha haklı çıktı.
Dev "Madem ki bu kadar cesursun, bizim yaşadığımız mağaraya gel, bir geceyi orada geçir" dedi. Terzi razı oldu ve onu takip etti.
Mağaraya vardıklarında öbür devler ocak başındaydı. Her birinin elinde kızarmış birer koyun vardı; yemek yiyorlardı.
Terzi etrafına bakınarak, "Burası benim terzihanemden daha büyükmüş" dedi.
Dev, ona yatacağı yeri göstererek uzanıp yatmasını söyledi. Ama yatak terziye çok büyük geldi. Oraya yatmayıp bir köşeye sindi.
Gece yarısı oldu. Dev, terzinin derin bir uykuya daldığını sanarak eline geçirdiği demir bir çubukla yatağa öyle bir vurdu ki! 'Onun hakkından geldim!' diye düşündü.
Devler ertesi sabah erkenden ormana gitti. Terziyi unutmuşlardı. Terzi hiç korkmadan, güle oynaya onların peşine düştü. Devler onu görür görmez büyük bir korkuya kapıldı; hepsi öldürülmekten korktu. Her biri bir tarafa kaçtı.
Terzi burnunun dikine yola koyuldu. Uzun süre dolaştıktan sonra bir sarayın avlusuna vardı. Yorgun düştüğü için çimlere uzanıverdi. O orada yatarken gelen geçen başına toplandı; hepsi kayıştaki yazıyı okudu: "Bir vuruşta yedisi birden!"
"Vay canına, bu bir savaş kahramanı olmalı; burada ne arıyor ki?" diye aralarında konuşarak bu durumu gidip krala haber verdiler.
Savaş sona erdiğine göre bu adamdan yararlanılabilirdi!
Onu kesinlikle elden kaçırmamak gerekirdi!
Bu öneri kralın hoşuna gitti. Adamlarından birini gönderdi ve uyanır uyanmaz terziye orduya girmeyi teklif etmesini emretti. Gönderilen adam terzinin yanına vardı. Onun gerinerek uyanmasını bekledi ve sonra kralın teklifini iletti.
Terzi, "Ben zaten buraya bunun için gelmiştim. Kralın hizmetine girmeye hazırım!" diye cevap verdi.
Bunun üzerine onu merasimle karşıladılar ve kendisine özel bir barınak verdiler. Ama askerler onu kıskandı; binlerce mil uzakta olmasını dilediler. Aralarında "Bunu ne yapsak?" diye konuştular. "Onunla kavgaya tutuşsak olmaz; adam bir vuruşta yedi kişiyi birden deviriyor baksanıza! Bu şekilde onunla başa çıkamayız" dediler.
Bunun üzerine kralın huzuruna çıkarak istifalarını verdiler. "Bir vuruşta yedi kişiyi deviren bir adamı çekemiyoruz!" dediler.
Kral çok üzüldü. Bir kişi yüzünden sadık askerlerini kaybetmek istemediği için terzinin uzaklaşmasını istedi. Ama bunu ona söylemeye cesaret edemedi. Niyeti, terziyi halkına öldürtmekti!
Böylece kendisi tahtta kalmayı sürdürebilecekti.
Uzun boylu düşündükten sonra bir çare buldu. Terziye haber göndererek ona şöyle bir öneride bulundu: Ülkesinin ormanlarından birinde iki tane dev yaşıyordu. Bu devler çalıyor, öldürüyor ve her yeri yakıp yıkıyordu. Terzi eğer bu iki devi öldürürse kral kızını onunla evlendirecekti ve krallığın yarısı da onun olacaktı! Bu iş için yanına yüz asker de alabilirdi. Terzi, "Güzel bir prensesle evlenmek ve kraliyetin yarısına sahip olmak! Bu fırsat her zaman ele geçmez" diye geçirdi aklından.
"Tamam!" diye cevap verdi. "Yüz askere gerek yok. Devleri tek başıma yakalamak istiyorum. Bir vuruşta yedisini deviren biri, iki kişiden mi korkacak yani!"
Terzi yola çıktı; yüz asker onun peşinden gitti. Ormanın kenarına vardıklarında terzi onlara, "Siz burada bekleyin. Ben devlerin hakkından kendim geleceğim!" dedi. Sonra ormana dalarak sağına soluna bakındı.
Az sonra devleri gördü. Bir ağacın altına yatmış, eğik dalların gölgesinde horluyorlardı.
Terzi her iki cebini taşla doldurduktan sonra ağaca tırmandı. Orta kısma geldiğinde dallardan birinin üzerine bindi; devleri hizalayarak, cebindeki taşları onlardan birinin göğsüne art arda yağdırmaya başladı.
Dev bir süre hiçbir şey hissetmedi, sonunda ayağa kalkarak yanındakini uyandırdı.
"Bana niye vuruyorsun?" diye sordu.
"Sen rüya görüyorsun. Sana vurduğum filan yok!" diye cevap verdi terzi.
Tekrar uyuyakaldılar. Bu kez terzi öbür deve taş yağdırdı.
"Bu da nesi? Niye bana taş atıyorsun?" diye sordu ikinci dev.
Birinci dev, "Sana taş atmıyorum!" diyerek homurdandı. Bir süre tartıştılar. Ama yorgun oldukları için daha fazla didişmeden uykuya yattılar.
Terzi aynı oyuna yeniden başladı; en iri taşı alarak var gücüyle birinci devin göğsüne fırlattı.
"Bu kadarı yeter artık!" diye yerinden fırlayan dev, arkadaşını deliler gibi ağaca çarptı; ağaç zangır zangır titredi. Öbürü de aynı şekilde karşılık verince öyle kavga etmeye başladılar ki, ağaçlar yıkıldı. Birbirlerine öyle bir dayak attılar ki, sonunda ikisi de yere düşüp öldü.
Terzi hemen ağaçtan indi. "İyi ki benim bulunduğum dalı koparmadılar. Yoksa sincap gibi başka bir dala atlamak zorunda kalacaktım. Bizimkiler kaçtı galiba!" diye söylendi. Kılıcını çekip devlerin göğsüne birkaç yara açtı ve sonra askerlerin yanına vardı.
"Bu iş bitti; ikisini de temizledim! Ama pek de kolay olmadı; sıkıyı görünce ağaçları devirdiler, ama bir işe yaramadı. Benim gibi bir vuruşta yedisini deviren birine karşı hiç şansları yoktu" dedi.
"Siz yaralanmadınız mı?" diye sordu askerler.
Terzi, "Yok yahu, kılıma bile dokunamadılar!" diye cevap verdi.
Askerler ona inanmayıp ormana daldı; ama kanlar içindeki devleri ve devrik ağaçları görünce fikirleri değişti.
Terzi kraldan vermiş olduğu sözü tutmasını istedi. Ama kral söz verdiğine pişman olmuştu. Şu adamdan nasıl kurtulsam diye düşünüp duruyordu.
"Kızıma ve krallığımın yarısına sahip olmadan önce kahramanca bir şey daha yapmalısın. Ormanda koskoca bir gergedan dolaşıp durmakta; her tarafa zarar veriyor. Önce onu yakalayacaksın!" dedi.
"İki devden korkmadım da bir gergedandan mı korkacağım? Benim gibi bir vuruşta yedisini deviren adam!" diye cevap verdi terzi.
Bir baltayla bir kement alarak ormana daldı. Bu kez de kendisine katılanları ormanın dışında bekletti. Uzun uzun aramasına gerek kalmadı. Gergedan ortaya çıkıverdi ve hemen terziye saldırdı. Niyeti onu boynuzlamaktı.
Terzi, "Ağır ol bakalım! Bu o kadar kolay değil!" diye söylenerek olduğu yerde kaldı ve hayvanın gelmesini bekledi. Hayvan tam yaklaşmışken bir ağacın arkasına sıçrayıverdi. Gergedan tüm gücüyle ağaca tosladı ve boynuzunu ağacın gövdesine öyle bir geçirdi ki, bir daha çekip çıkaramadı. Böylece yakalanmış oldu.
"Kuşu yakaladım!" diyen terzi, ağacın arkasından çıkarak elindeki kemendi gergedanın boynuna geçirdi. Sonra yanındaki baltayla onun boynuzunu kesiverdi. Daha sonra da hayvanı iple çekerek krala getirdi.
Kral vaat ettiği ödülü yine vermek istemedi ve üçüncü bir teklifte bulundu. Buna göre terzi düğünden önce, ormana büyük zarar veren bir yabandomuzunu yakalayacaktı. Avcılarda ona yardım edecekti.
"Olur! Bu benim için çocuk oyuncağı!" dedi terzi.
Avcıları yanına almadı. Adamlar bu işe sevindi, çünkü daha önce birkaç kez domuzla karşılaşmışlardı ve bir daha karşılaşmaya da hiç niyetleri yoktu.
Yabandomuzu terziyi görür görmez ağzından köpükler saça saça ve keskin dişlerini göstererek saldırdı. Ama bizim kahraman en yakındaki ufacık kiliseye girerek üst katındaki pencereden yine dışarı çıktı. Domuz onun peşinden koştu. Bu kez terzi kapıyı dışarıdan kapadı. Domuz içeride kaldı ve pencereden dışarı sıçrayamadı. Terzi askerlere seslendi. Domuzun yakalandığını gelip kendi gözleriyle gördüler.
Kahramanımız kralın huzuruna vardı. Kral da ister istemez kızını ve kraliyetinin yarısını ona vermek zorunda kaldı.
Karşısındakinin cesur bir asker değil de sıradan bir terzi olduğunu bilseydi belki daha fazla üzülürdü.
Görkemli bir düğün gerçekleşti; pek eğlenilmediyse de bir terziden bir kral oldu işte!
Bir zaman sonra genç kraliçe, rüya görmekte olan kocasının "Bana bak oğlum, şu yeleği hazırla, pantolonu da dik! Yoksa kulaklarını çekerim ha!" diye konuştuğunu duydu. O zaman onun nasıl bir yerden geldiğini tahmin edip hemen babasına haber verdi: Kocası meğerse terziymiş!
Kral onu avutarak şöyle dedi: "Bu gece yatak odasının kapısını açık bırak. Askerlerim dışarıda bekleyecek. Kocan uyur uyumaz onu yakalayıp bağlayacaklar. Sonra da bir gemiye bindirip dünyanın öbür ucuna götürecekler!"
Bu fikir kadının hoşuna gitti. Ama bu konuşmayı işiten kralın silahçısı genç damada durumu bildirdi. "Ben onları yola getiririm!" dedi terzi. Ve akşam olunca her zamanki saatte karısıyla birlikte yatağa gitti. Az sonra karısı onun uyuduğunu sanarak kalkıp kapıyı açtı, sonra tekrar dönüp yatağa yattı. Uyuma numarası yapan terzi bu kez -sözüm ona rüyasında- yüksek sesle şöyle bağırdı:
"Bana bak oğlum; şu yeleği hazırla, pantolonu da dik! Yoksa kulaklarını çekerim ha! Ben ki, bir vuruşta yedisini yere sermişim, iki devi öldürmüşüm, bir gergedanı yok etmişim ve bir yabandomuzu yakalamışım beni kapı dışında bekleyenlerden mi korkacağım yani!"
Terzinin konuştuğunu duyan askerler büyük bir korkuya kapılarak oradan kaçtı ve kimse terziye yaklaşmaya cesaret edemedi. Böylece terzi ömrü boyunca kral olarak yaşadı.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.