NEDERLANDS

Duimedik

ROMÂNĂ

Prichindel


Er was eens een arme boer die 's avonds bij de haard zat en het vuur oppookte terwijl zijn vrouw zat te spinnen. Toen zei hij: "Wat is het toch jammer dat we geen kinderen hebben! Het is zo stil bij ons, en bij andere mensen is het altijd druk en vrolijk."

"Ja," zei de vrouw zuchtend, "al was het er maar één, en al was het nog zo klein, al was het maar zo groot als mijn duim, dan zou ik toch tevreden zijn, we zouden er veel van houden."

Nu gebeurde het dat de vrouw zwanger werd en na zeven maanden kreeg ze een kindje. Het was gezond van lijf en leden, maar het was niet groter dan een duim. Toen zeiden ze:

"Kijk, hij is precies zoals we hebben gewenst en het is ons eigen lieve kind."

En ze noemden hem Klein Duimpje. Zij gaven hem goed te eten, maar het kind groeide niet en bleef precies even groot als in zijn eerste levensuur; maar hij keek verstandig uit zijn ogen en het bleek al gauw een slim en handig ventje te zijn, want waar hij ook aan begon, hij bracht het altijd tot een goed einde.

Op een dag ging de boer naar het bos om hout te hakken en toen mompelde hij: "Nu zou ik wel willen dat er iemand mij de kar achterna brengt."

"O, vader," riep Klein Duimpje, "voor de kar zal ik wel zorgen, reken er maar op dat die precies op tijd bij u is." Toen lachte de vader: "Hoe kan dat nu, je bent immers veel te klein om het paard aan de teugel te voeren." - "Dat hindert niet, vader, als moeder hem inspant, dan ga ik in het oor van het paard zitten en dan zeg ik wel hoe hij moet lopen." - "Goed," antwoordde de vader, "we kunnen het wel eens voor een keertje proberen."

Toen het tijd was spande moeder het paard in en Klein Duimpje ging in het oor van het paard zitten en hij riep hoe het paard moest lopen: "Hu! Hö, naar recht! Naar links!" Dat ging heel goed en de kar ging rechtstreeks het bos in. Nu gebeurde het dat hij juist een hoek omsloeg en Klein Duimpje "Links, links!" riep, toen er twee vreemde mannen langs kwamen.

"Wel," zei de één, "wat is dat nou? Daar gaat een kar en ik hoor een voerman het paard toeroepen, maar ik zie hem nergens!" - "Dat is raar," zei de ander, "laten we de kar volgen en zien waar hij naar toe gaat."

De wagen ging helemaal het bos in en kwam precies op de plek waar het hout werd gehakt. Toen Klein Duimpje zijn vader zag, riep hij: "Zie je nu wel vader, hier ben ik met de kar, haal me nu maar naar beneden." De vader pakte het paard met zijn linkerhand en haalde met zijn rechterhand Klein Duimpje uit het oor, die heel vrolijk op een strohalm ging zitten.

De twee mannen zagen Klein Duimpje en van verbazing wisten ze niet wat ze moesten zeggen. Toen zei de één fluisterend tegen de ander: "Dat kereltje kon ons wel eens geld en geluk brengen, als we hem in een grote stad tegen betaling vertonen - laten we hem kopen!" Ze gingen naar de boer en zeiden: "Verkoop dat ventje maar aan ons, hij zal het goed bij ons hebben!" - "Nee," antwoordde de vader, "hij is mijn oogappel en hij is voor geen geld van de wereld te koop.

Maar toen Klein Duimpje van de handel hoorde, kroop hij langs de jas van vader omhoog, ging op zijn schouder staan en zei in zijn oor: "Vader, geef me maar weg, ik kom wel weer terug." Toen gaf de vader hem voor een flinke som geld aan de beide mannen.

"Waar wil je zitten?" vroegen ze hem. "Och, zet me maar op de rand van je hoed, dan kan ik naar voren en naar achteren lopen en de omgeving zien, ik val toch niet." Zo gezegd, zo gedaan. Klein Duimpje nam afscheid van zijn vader en ze gingen op weg. Ze liepen tot het donker werd. Toen zei de kleine: "Haal me eraf, ik moet even op de grond, want ik moet heel nodig." - "Blijf jij maar boven," zei de man op wiens hoed hij zat, "het kan mij niets schelen, de vogels laten er ook wel eens wat op vallen." - "Nee," zei Klein Duimpje, "ik weet best hoe het hoort, en ik wil gauw naar beneden."

De man nam zijn hoed af en zette de kleine op een akker langs de weg. Hij kroop een eindje tussen de aardkluiten en toen sloop hij ineens in een muizenhol dat hij gezien had. "Goedenavond heren, gaan jullie maar lekker naar huis zonder mij!" riep hij hun spottend na en lachte hen uit. Ze kwamen dichterbij en staken met stokken in het muizenhol, maar dat was vergeefse moeite. Klein Duimpje kroop steeds verder weg en daar het al bijna donker was, keerden ze boos en platzak naar huis terug.

Toen Klein Duimpje merkte dat ze weg waren kroop hij te voorschijn uit de onderaardse gang. "Het is in het donker gevaarlijk lopen op het land," zei hij, "je breekt zo je hals en je benen!" Gelukkig stuitte hij op een leeg slakkenhuis. "Goddank," zei hij, "daar kan ik in overnachten," en hij ging erin zitten. Juist wilde hij inslapen, of hij hoorde twee mannen langs komen en de één zei: "Hoe zullen we het aanleggen om die rijke pastoor zijn geld en zijn zilver af te pikken?"

"Dat zou ik wel weten," riep Klein Duimpje er tussendoor.

"Wat was dat?" zei de ene dief verschrikt, "daar sprak iemand."

Ze bleven staan luisteren. Toen zei Klein Duimpje weer: "Neem me mee, ik kan jullie wel helpen."

"Waar ben je dan?"

"Zoek maar op de grond, en let goed op waar mijn stem vandaan komt," antwoordde hij. Zo vonden de dieven hem eindelijk en raapten hem op. "Zo'n klein ding, hoe wou jij ons helpen?" zeiden ze. "Kijk," zei hij, "ik kruip tussen de tralies de kamer van de pastoor binnen en geef daardoor jullie aan wat jullie maar hebben willen." - "Goed," zeiden ze, "we zullen eens zien of je dat kan."

Ze kwamen bij de pastorie en Klein Duimpje kroop de kamer binnen en schreeuwde zo hard als hij kon: "Willen jullie alles hebben wat hier is?" De dieven schrokken en zeiden: "Praat toch zachtjes, anders wordt er iemand wakker." Dat hoorde de keukenmeid die in de binnenkamer sliep en ze richtte zich in bed op om te luisteren. De dieven echter waren van schrik een eindje weggelopen. Eindelijk durfden ze weer en ze dachten: dat kleine ventje wil ons voor de gek houden. Zo kwamen ze terug en fluisterden: "Nu geen geintjes meer, geef ons wat aan."

Toen schreeuwde Klein Duimpje weer zo hard hij kon: "Ik zal jullie alles wel geven, steek je handen maar uit." Dat hoorde de keukenmeid heel duidelijk en ze sprong uit haar bed en ging naar het raam. De dieven renden weg alsof de dood hen op de hielen zat, maar de meid had niets gezien en stak een kaars aan. Toen ze daarmee aan kwam lopen, vluchtte Klein Duimpje ongezien naar de schuur en de keukenmeid zocht alle hoeken door. Maar ze kon niets vinden en toen ging ze maar weer naar bed en geloofde ze dat ze met open oren en ogen had gedroomd.

Klein Duimpje was wat rondgekropen in het hooi en had een mooi plaatsje gevonden om te slapen. Daar kon hij uitrusten tot het dag was en dan weer naar huis naar zijn ouders terugkeren. Maar hij zou eerst nog wat anders beleven. Ja, er is veel verdriet en ellende op de wereld!

De meid kwam bij het eerste ochtendlicht uit bed om het vee te voeren. Eerst ging ze naar de schuur waar ze een arm vol hooi pakte, juist daar waar het arme Klein Duimpje in lag te slapen. Maar hij sliep zo vast dat hij niets merkte en pas wakker werd, toen hij in de mond van de koe zat, die hem met het hooi mee opat.

"O jee, waar ben ik nu in terecht gekomen!" riep hij. Maar al gauw begreep hij waar hij was. Nu was het oppassen dat hij niet tussen de kiezen kwam en vermalen werd. Maar tenslotte moest hij toch mee de maag in.

"In dit kamertje zijn de vensters vergeten," zei hij, "en de zon schijnt er niet en er wordt ook geen licht gebracht." Trouwens, hij vond het een lelijk en onaangenaam verblijf. En er kwam steeds maar meer vers hooi door de deur naar binnen. Het werd er steeds nauwer. Eindelijk riep hij in zijn angst zo luid hij kon:

"Geen eten meer!
Geen eten meer!"

De meid was juist bezig de koe te melken. En toen ze hoorde praten zonder iemand te zien en met dezelfde stem die ze 's nachts ook had gehoord, schrok ze zo dat ze van haar krukje viel en de melk over de grond morste. Zo hard ze kon vloog ze naar de pastoor en riep: "Ach meneer pastoor, de koe heeft gepraat." - "Je bent gek," zei de pastoor, maar hij ging toch zelf naar de stal om te kijken wat er aan de hand was. Nauwelijks had hij zijn voet binnen de stal gezet of Klein Duimpje riep weer:

"Geen eten meer!
Geen eten meer!"

Toen schrok de pastoor ook en hij dacht dat er een boze geest in de koe was gevaren zodat hij besloot dat de koe afgemaakt moest worden. Ze werd geslacht, maar de maag waarin Klein Duimpje nog zat, werd op de mesthoop gegooid. Klein Duimpje had grote moeite zich een weg naar buiten te banen, maar hij slaagde er toch in wat ruimte te maken. Nauwelijks had hij zijn hoofd naar buiten gestoken of er gebeurde een nieuwe ramp.

Een hongerige wolf kwam voorbij en slokte de hele maag in één hap naar binnen. Klein Duimpje verloor de moed niet. "Misschien," dacht hij, "is er met die wolf te praten," en hij riep hem toe uit zijn buik:

"Lieve wolf, ik weet erg lekker eten voor je."

"Waar dan?" vroeg de wolf.

"In een huis dat ik ken. Daar moet je door het kelderraam naar binnen kruipen en dan vind je koek, spek en worst, zoveel je maar hebben wilt!" En hij beschreef hem heel precies het huis van zijn vader. Dat liet de wolf zich geen twee keer zeggen en hij kroop 's nachts door het kelderraam naar binnen en at zich dik en rond in de provisiekamer. Toen hij verzadigd was wilde hij weer weg, maar hij was zo dik geworden dat hij het kelderraam niet meer uit kon! Daar had Klein Duimpje op gerekend en hij begon in de buik van de wolf een geweldig lawaai te maken, hij gilde en schreeuwde zo hard hij maar kon.

"Wil je wel eens stil zijn!" zei de wolf, "je maakt iedereen wakker!" - "Nou en," zei Klein Duimpje, "jij hebt je volgevreten, dus laat mij nu ook eens een pretje hebben," en hij begon weer opnieuw uit alle macht te schreeuwen. Eindelijk werden zijn vader en zijn moeder er wakker van en ze liepen naar de provisiekamer en keken door een kier naar binnen. Toen ze zagen dat daar een wolf zat, renden ze hard weg en de man haalde een bijl en de vrouw een zeis. "Blijf achter me," zei de man bij het binnegaan, "als ik hem een klap heb gegeven en hij is nog niet dood, dan moet jij op hem inhakken en zijn lichaam met de zeis openrijten."

Toen Klein Duimpje de stem van zijn vader hoorde, riep hij: "Vader, ik ben hier! Ik zit in de buik van de wolf!" Vol vreugde sprak de vader: "We hebben ons lief kind teruggevonden!" en hij liet zijn vrouw de zeis wegzetten om Klein Duimpje geen letsel toe te brengen. Toen zwaaide hij zijn bijl en sloeg de wolf zo hard op zijn kop, dat hij dood neerviel. Ze haalden mes en schaar, sneden zijn lichaam open en trokken Klein Duimpje er weer uit.

"O, wat hebben we om jou een zorg en angst uitgestaan!" riep de vader. "Ja, vader, ik heb heel wat van de wereld gezien, maar ik ben blij dat ik weer frisse lucht opsnuif!" - "Waar ben je dan allemaal geweest?" - "O, vader, ik ben in een muizenhol geweest en in een koeienmaag en in een wolfsbuik - maar nu blijf ik hier bij jullie!" - "En we zullen je voor geen goud ter wereld meer verkopen," zeiden de ouders en ze kusten en liefkoosden hun lieve zoontje. Ze gaven hem eten en drinken en nieuwe kleren - want de zijne waren op zijn reis helemaal versleten.
A fost odata un taran sarac si taranul asta sta intr-o seara in fata vetrei si dregea focul alaturi de nevasta lui care torcea. si-n tacerea ce se asternuse in odaie se auzi deodata glasul barbatului:
- Ce rau e ca n-avem si noi copii! Casa noastra e atat de pustie si de trista, pe cata vreme in casele altora e numai forfota si veselie...
- Asta asa-i, raspunse femeia, oftand. De-am avea macar unul singur si chiar de-ar fi micut cat degetul cel mare de la mana si inca as fi multumita si l-as iubi din toata inima.
La catava vreme dupa aceea, se intampla ca femeia ramase grea si, dupa sapte luni, dadu nastere unui prunc. Copilul, cum sa va spun, avea infatisare omeneasca la fel ca orice copil, numai ca era tare mic, cat un deget... Dar altfel era bine facut, ca un voinic de-o schioapa.
Parintii nu-si mai incapeau in piele de bucurie si-si ziceau mereu:
- S-a nimerit s-avem un copil taman dupa cum ne-a fost dorinta; flacaul asta o sa fie bucuria vietii noastre si ne-o fi drag mai mult decat orice pe lume!

Si din pricina ca era asa micut de statura ii zisera Prichindel. Copilasul nu ducea lipsa de nimic, dar cu toate ca i se dadea sa manance din belsug, nu crescu deloc, nici un piculet, ci ramase ca-n ceasul cand s-a nascut. Dar dupa cum cata la toate cu ochisorii lui vioi si neastamparati, se vedea cat colo ca era istet nevoie mare si pe ce punea mana ii iesea din plin, fiind cuminte si indemanatic la toate.
Intr-o zi, taica-sau tocmai se pregatea sa se duca in padure sa taie niste lemne. si cum ascutea securea, nu stiu cum zise el, mai mult pentru sine:
- Eh, bine-ar fi fost de-as fi avut pe cineva care sa vina cu caruta dupa mine!
- De asta nu-ti fie grija, taica, striga Prichindel, ca-ti aduc eu caruta. si sa stii ca la vremea hotarata sunt cu ea in padure.
Auzindu-l ce zice, taranul incepu sa rada.
- Ei dracie, dau cum ar fi cu putinta o treaba ca asta?! se mira el. Ca doar esti prea micsor ca sa poti tine haturile...
- Pai asta nu-i nici o piedica, taica. Mama o sa-mi inhame calul, iar eu o sa ma var in urechea lui si de-acolo o sa-i poruncesc tot timpul incotro s-o ia.
- Daca zici tu asa, asa sa fie! se invoi taica-sau. O data om putea incerca...
Cand socoti c-ar fi tocmai timpul potrivit pentru plecare, femeia inhama calul la caruta si-l aseza pe Prichindel in urechea acestuia.

Si baiatul prinse a striga intruna, indemnand bidiviul: "Hi, hi, murgule!," ca s-o ia numai incotro trebuia. si calul se indemna la drum si gonea intins spre padure, de parca ar fi fost condus de un vizitiu priceput.
Dupa catava vreme, Prichindel ajunse cu caruta la marginea padurii. in clipa cand fu sa coteasca la capatul unei cararui si-n timp ce striga din toti rarunchii: "Hi, hi, murgule!" ii iesira in cale doi straini.
- Mai, ce-o mai fi si asta! striga unul din ei, mirandu-se strasnic. Ia te uita: caruta merge singura, dar cineva trebuie ca mana calul, numai ca de vazut nu se vede nimeni... Unde o fi carutasul, naiba sa-l ia?!
- Sa stii ca asta nu-i lucru curat! raspunse celalalt. Ia hai sa ne luam dupa caruta, sa vedem unde are sa se opreasca.
Caruta se afunda in padure si se opri intr-un luminis, taman pe locul unde era stivuita o gramada de lemne taiate. si de cum il zari pe taica-sau, Prichindel ii striga:
- Vezi, tata, c-am venit cu caruta, dupa cum ne-a fost vorba? Acu' vino de ma da jos!
Tata-sau apuca cu mana stanga calul de capastru, in timp ce cu dreapta il scoase pe Prichindel din urechea calului. Flacaul se aseza vesel pe un pai, sa se mai hodineasca nitelus. Cand il vazura pe Prichindel, cei doi straini ramasera incremeniti de uimire si nu mai stiura ce sa spuna. Dar intr-un tarziu isi venira in fire si unul dintre ei il lua pe celalalt deoparte si-i sopti la ureche:
- Asculta, fratioare, stii tu cum ne-am pricopsi cu prichindelul asta, de l-am arata multimii pe la balciuri, in targurile mari? Hai sa vedem de nu-l putem cumpara, ca buna afacere ar fi...
Se indreptara apoi spre tatal baiatului si, intrand in vorba cu el, ii zisera:
- Ia asculta, omule, n-ai vrea sa ne vinzi noua prichindelul asta? si sa n-ai nici o grija, c-o s-o duca mai bine ca acasa.
- Nici prin gand nu-mi trece, raspunse taranul, ca doar un singur copil am si mi-e drag ca sufletul. Nu-l dau pentru tot aurul din lume!

In aceasta vreme, auzind spusele drumetilor, Prichindel se urca in pripa pe cutele hainelor lui taica-sau, pana ce-i ajunse pe umeri si-i sopti la ureche:
- Vinde-ma, tatuca, si nu-ti fie teama, ca ma intorc eu degraba inapoi!
Taica-sau asculta de flacau, ca-l stia istet, si, vanzandu-l celor doi straini, lua paralute bune pe el.
- Unde vrei sa sezi, ca sa-ti fie mai la indemana? il intrebara ei, dupa ce se incheie targul.
- Asezati-ma pe palaria unuia din voi, da' asa, mai inspre margine, ca acolo am loc destul sa ma preumblu si-o sa privesc la locurile pe unde treceam, fara teama c-am sa pic jos.
Ii facura pe plac omuletului si, dupa ce Prichindel isi lua ramas bun de la taica-sau, pornira la drum. Mersera ei asa pana incepu a se lasa amurgul si, dupa o vreme, numai ce-l auzira pe Prichindel ca le striga cat il tineau puterile:
- Dati-ma jos, dati-ma jos degraba, ca m-au apucat nevoile!
- Ba ramai colo sus unde esti si fa-ti treaba linistit, raspunse omul pe palaria caruia sedea. Nu te sinchisi de fel, ca n-am sa ma supar pentru un fleac ca asta; doar se intampla ca si pasarile cerului sa scape cate ceva pe palaria mea, si ce, ma supar de asta?!
- Nu, nu vreau! striga Prichindel. stiu eu singur ce se cade si ce nu. Dati-ma repede jos!
Omul isi scoase palaria si-l lasa pe Prichindel pe un ogor, la marginea cararii ce taia campul. Prichindel incepu sa sara printre brazde si sa se preumble printre bulgarii de pamant, despicati de taisul plugului. si deodata, pe nesimtite, se strecura intr-o gaura de soarece, pe care o dibuise de cum fusese dat jos.
- Noapte buna, boierilor! le arunca Prichindel in bataie de joc... si mai duceti-va acasa si fara mine...
Dupa ce-o stersese, isi mai radea si de ei! Cei doi pisicheri erau catraniti rau si alergara intr-acolo, intr-un suflet. Varara un bat in gaura de soarece ca sa dea de el; scotocira-ncoace, scotocira-ncolo, dar truda le fu zadarnica. Prichindel se vara tot mai afund si cum intre timp se intunecase de-a binelea, oamenii trebuira sa se lase pagubasi si sa-si caute de drum. si ramasera cu punga goala, dar cu sufletul plin de obida...

Cand Prichindel baga de seama c-au plecat, iesi indata afara din ascunzatoare.
"Mare primejdie te paste de mergi pe ogor pe intunecimea asta! isi zise el. Lesne iti poti frange gatul in vreo hartoapa..."
Dar, spre norocul lui, in drum dadu peste o gaoace de melc.
- Slava tie, Doamne, ca am unde sa man peste noapte fara nici o grija! striga el, bucuros, si se cuibari in gaoace.
Cand era aproape sa-l fure somnul, numai ce auzi doi oameni trecand pe acolo. si unul din ei zicea:
- Cum am putea face noi ca sa punem mana pe banii si argintaria popii, ca-i putred de bogat?
- Las' ca te-nvat eu cum! ii raspunse Prichindel, intrerupandu-l din vorbire.
- Ce fu si asta, frate-miu? striga speriat unul din hoti. Parca am auzit pe cineva vorbind!
Hotii se oprira pe loc si ascultara cu luare-aminte. Atunci Prichindel grai iarasi:
- Luati-ma cu voi si n-o sa va para rau, c-o sa va ajut.
- Da' unde esti, ma, omule?
- Cautati cu atentie pe jos, raspunse Prichindel, da' numai inspre partea de unde mi se aude glasul.

In cele din urma cei doi hoti dadura peste voinicelul nostru si-l ridicara in sus.
- Bine, ma, nichipercea, te lauzi tu c-ai putea sa ne-ajuti pe noi! Pai in ce chip anume?
- Ba nu ma laud deloc! si uite cum am sa fac: o sa ma strecor printre gratiile de fier, in camara popii, si-apoi o sa va dau de-acolo tot ce-o sa va pofteasca inima.
- Aferim! incuviintara cu bucurie hotii. si acu' hai la treaba, sa te vedem ce poti!

Cand ajunsera ei la casa popii, Prichindel se strecura in camara si incepu sa strige cat il tinea gura:
- Ma, vreti sa va dau tot ce e pe-aici?
Hotii se inspaimantara rau si cautara sa-l domoleasca:
- Ci vorbeste, bre, mai incetisor, nu cumva sa trezesti pe cineva!
Dar Prichindel se prefacu ca nu-i intelesese si incepu sa strige cu si mai multa tarie:
- Ce vreti, ma? Vreti tot ce e pe-aici?
Bucatareasa, care se odihnea in odaia de alaturi, auzind tot ce spusese flacaul, se ridica in capul oaselor si asculta mai departe cu luare-aminte.
Cand il auzira racnind, pe hoti ii cuprinse iar frica si, luandu-si picioarele la spinare, fugira o buna bucata de drum, pe unde se nimeri. Dar in cele din urma prinsera iar inima si-si zisera ca omuletul e un ghidus si ca-i place pesemne sa glumeasca in felul asta. Se intoarsera si-i soptira printre dinti:
- Hai, lasa-te de sotii si arunca afara ceva de pe-acolo!
Atunci Prichindel incepu sa strige din rasputeri:
- Va dau tot ce e pe-aici, da' intindeti numai mainile!
Bucatareasa, care tragea cu urechea, deslusi de data asta fiecare cuvintel si, sarind din pat, dadu buzna in camara. Auzind lipait de pasi, hotii o luara la sanatoasa de parca i-ar fi gonit Scaraotchi din urma.
Slujnica nu se dumerea defel ce se intamplase, si cum orbecaia si nu deslusea nimic din pricina intunericului, se grabi sa aduca din camera ei o lumanare aprinsa. Cand veni indarat cu lumina, Prichindel se furisa in sura, fara ca femeia sa-l fi putut zari. Biata sluga se culca din nou, socotind ca poate a visat cu ochii deschisi...
Prichindel urca pe gramezile de fan si-si cauta un loc potrivit pentru culcus. Gandea sa-si odihneasca oasele, cuibarit in patuceanul asta moale, pana-n revarsatul zorilor, si-apoi sa se reintoarca acasa, la parintii lui. Dar vezi ca i-a fost harazit sa mai patimeasca si sa mai treaca prin nenumarate belele, ca multe necazuri si nenorociri trebuie sa intampine omul pe lumea asta... Cum se crapa de ziua, slujnica se scula sa dea de mancare la vite. Mai intai intra in sura, de unde lua un brat de fan, si se nimeri ca tocmai in fanul acela sa-si fi aflat Prichindel culcusul. Dar flacaiasul nostru era atat de adancit in somn incat nu prinse de veste si nu se trezi decat cand fu in gura unei vaci, care-l inghitise o data cu fanul.
- Ah, Doamne, se minuna el, cum de ajunsei in moara asta!?
Dar isi dadu numaidecat seama unde se afla si se feri cu grija, sa nu-l macine vaca intre masele. Dar in cele din urma se pomeni alunecand in pantecele vacii.
"Ce intuneric e in incaperea asta! Pesemne ca a uitat sa faca ferestre, isi zise Prichindel, si d-aia n-are pe unde patrunde soarele... si barem de-as avea la indemana vreo lumanare, dar de unde sa-ti faci rost pe aici de asa ceva!"
De altfel adapostul nu-i era catusi de putin pe plac si ceea ce il supara si mai mult era fanul care venea in gramezi, sporind necontenit, astfel ca locul cu pricina se stramtora din ce in ce mai mult. De frica, Prichindel incepu sa strige cat il tinea gura:
- Nu-mi mai dati fan! Nu-mi mai dati fan!

In clipa aceea slujnica tocmai mulgea vaca si auzind glas de om si nevazand pe nimeni si fiindca recunoscuse ca era tot glasul care o trezise din somn peste noapte, se inspaimanta intr-atat ca aluneca de pe scaunel si rasturna laptele, care se risipi pe jos. Alerga ea apoi in fuga la stapanul sau si-i zise, abia tragandu-si sufletul:
- Valeu, parinte, vaca noastra vorbeste!
- Pesemne ca ti-ai pierdut mintile, femeie!, o infrunta popa. Totusi se duse in grajd, sa vada ce s-o fi petrecand pe acolo.
Dar de indata ce ajunse in prag, Prichindel incepu sa strige din nou:
- Nu-mi mai dati fan! Nu-mi mai dati fan!
Popa incremeni de spaima si, crezand c-a intrat necuratul in vaca, porunci sa fie taiata numaidecat. Dupa ce-o taiara, slugile aruncara burta vacii la gunoi. si Prichindel izbuti cu mare greutate sa-si faca drum de iesire, ca sa scape de acolo. Dar abia isi scoase capul la lumina, ca o alta nenorocire se abatu asupra lui. Un lup hamesit de foame, care se furisase prin ograda in cautarea unei bucaturi, zari tocmai atunci ceea ce cauta si inghiti pe data toata burta, dintr-o hapaitura. Dar Prichindel nu-si pierdu curajul.
"Poate c-o fi vreo faptura de inteles lupul asta!," gandi el. si din bezna in care se afla, incepu sa strige din toate puterile:
- Draga lupusorule, stiu eu un loc unde ai putea gasi un ospat pe cinste, sa te-nfrupti numai cu bunatati!
- Asa?! si unde e locul cu pricina? intreba lupul.
- in cutare si cutare loc, ii deslusi pe indelete glasul.

Si n-ai alta de facut decat sa te vari in camara printr-o borta din perete. O sa dai acolo peste ce nici nu gandesti: carnati, slanina si cozonaci si totul din belsug, sa mananci cat iti pofteste inima!
Dar lupul de unde era sa stie ca Prichindel gandea sa-l duca tocmai la casa tatalui sau?! Nu se lasa mult rugat si o porni in goana intr-acolo. Peste noapte se strecura prin borta in camara si incepu sa infulece bucuros din toate bunatatile. Dupa ce se satura, vru sa-si ia talpasita tot pe unde venise, dar de mult ce se ghiftuise, i se umflase burduhanul, incat nu-i mai fu cu putinta sa iasa prin borta.
Pe asta isi bizuise si Prichindel socoteala, din capul locului, si incepu de indata sa faca o larma strasnica din burta lupului, tipand si urland cat il tineau puterile.
- Da' mai astampara-te si taci o data, c-ai sa scoli lumea din somn! se rasti la el lupul.
- Ce-mi pasa, de s-or trezi! raspunse flacaul. De ospatat tu te-ai ospatat pe indestulate, acum e randul meu sa petrec, si petrec dupa cum mi-e voia!

Si incepu iar sa strige cat il lua gura. In vremea asta, de atata zarva, parintii lui Prichindel se trezira din somn si alergara spre camara de unde venea glasul. Se uitara inauntru printr-o crapatura si, cand vazura lupul, detera fuga de luara omul, toporul, iar femeia, coasa.
- Ramai tu in urma! zise barbatul catre nevasta-sa in clipa cand se pregatea sa intre pe usa. Daca nu moare, dupa ce l-oi izbi eu in moalele capului cu toporul, infige si tu coasa in el si cauta de-i spinteca burta.
Auzind glasul lui taica-sau, Prichindel incepu sa strige:
- Taica draga, eu sunt aici, in burta lupului!
- Slava Domnului ca ne-am regasit copilul, ca ne e mai drag decat sufletul!, rosti omul, nemaiincapandu-si in piele de bucurie.
Apoi ii spuse femeii sa lase coasa deoparte, ca nu cumva sa-l vatame pe Prichindel si, ridicand toporul, il izbi pe lup drept in moalele capului, de cazu acesta trasnit la pamant. Dupa aceea adusera un cutit si-o foarfeca si, spintecandu-i burta, il scoasera de acolo pe fiul lor cel iubit.
- De-ai sti cat de mult ti-am dus grija! zise taica-sau.
- Mult mi-a fost dat sa mai colind si eu prin lume, da' acu', slava Domnului, pot rasufla in voie, ca mi-e ingaduit sa vad iarasi lumina zilei!
- Da' pe unde-ai tot umblat, dragu' tatii?
- Mai bine intreaba-ma pe unde n-am fost... Ah, tata, am nimerit mai intai intr-o gaura de soareci, apoi in pantecele unei vaci si-n cele din urma am ajuns in burta lupului. Dar de-acu' raman pentru totdeauna cu voi.
- Iar noi n-o sa te mai vindem nici pentru toate bogatiile din lume! zisera parintii lui Prichindel si prinsera sa-l sarute si sa-l dragaleasca.

Il ospatara apoi cu ce aveau ei mai bun in casa si-i facura imbracaminte noua, ca cea veche se ponosise de cat o purtase pe drumurile cele lungi si grele.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.