NEDERLANDS

Vleerkens vogel

DANSK

Fitchers fugl


Er was eens een heksenmeester, die zich in de gestalte van een arme man toverde, de dorpen rond ging en bedelde en mooie meisjes schaakte. Geen mens wist waar hij ze bracht, want ze kwamen nooit weer terug. Eens op een dag kwam hij aan de deur bij een man, die drie mooie dochters had; hij zag eruit als een arme, ziekelijke bedelaar, en hij droeg een draagmand op zijn rug, alsof hij daar milde gaven in wou verzamelen. Hij vroeg om een hapje eten; en toen de oudste dochter aan de voordeur kwam en hem een stuk brood wou geven, raakte hij haar even aan en toen moest ze in de draagmand springen. Met grote stappen snelde hij weg, en droeg haar door een donker bos naar zijn huis, dat daar middenin stond. In dat huis was alles even mooi; hij gaf haar alles wat ze maar hebben wou, en zei: "Lieveling, het zal je bij mij wel bevallen, je hebt alles wat je hartje begeert." Zo ging het een paar dagen. Toen zei hij: "Nu moet ik op reis, ik moetje korte tijd alleen laten; hier heb je de sleutels van 't huis. Je mag overal in, en alles bekijken, alleen één kamer niet, dat verbied ik je, op straffe van je leven." En hij gaf haar ook een ei, en zei: "Dat ei moet je zorgvuldig bewaren; je moet het liever aldoor bij je dragen, want als het verloren ging, zou er een groot ongeluk gebeuren." Ze nam de sleutels aan, en ook het ei, en ze beloofde alles goed te doen. Zodra hij weg was, ging zij 't huis door, van boven naar beneden; en ze bekeek alles. De kamers schitterden van 't zilver en 't goud; en ze geloofde, dat ze nooit zo'n pracht had gezien. Eindelijk kwam ze aan de verboden deur. Ze wilde er langs gaan, maar de nieuwsgierigheid liet haar niet met rust. Ze bekeek de sleutel, hij was net als een andere, ze stak hem in 't sleutelgat; draaide even, open sprong de deur! Maar wat zag ze, toen ze binnen ging? Een groot bekken, vol bloed, stond middenin de kamer, en daarin dode verminkte mensen; en daarnaast een hakblok en daarop een blanke, scherpe bijl. Ze schrok zo hevig, dat het ei – dat ze in haar hand hield – erin plompte. Ze haalde het er weer uit, ze veegde 't bloed eraf, maar vergeefs; het bloed kwam er dadelijk weer op, ze veegde, ze wreef, maar ze kon het niet wegkrijgen.
Niet lang daarna kwam de oude man terug van de reis. Het eerste waar hij naar vroeg, waren de sleutels en het ei; ze gaf ze hem, maar ze beefde en sidderde, en hij zag dadelijk aan de rode vlek, dat ze in de kamer geweest was. "Ben je, tegen mijn wil, in de kamer gegaan," sprak hij, "dan zul je er, tegen jouw wil, weer binnen moeten gaan, het is met je gedaan." Hij gooide haar neer, sleurde haar bij het haar voort, sloeg haar 't hoofd af en stopte haar bij de anderen in 't bekken.
"Nu ga ik de tweede halen," zei de heksenmeester; hij nam weer de gestalte aan van een arme man, kwam bij 't huis en bedelde daar. Toen bracht de tweede hem een stuk brood; hij kreeg haar, net als de eerste, door haar slechts aan te raken, en droeg haar weg. Haar ging het niet beter dan haar zuster; ook zij liet zich door haar nieuwsgierigheid verleiden; opende de kamer, keek erin, en moest het bij zijn terugkeer met 't leven boeten. Nu ging hij de derde halen. Maar die was slim. Toen hij haar de sleutels en het ei had gegeven en weg was gegaan, borg ze eerst het ei heel zorgvuldig op, dan ging ze 't huis bekijken, en tenslotte ging ook zij de verboden kamer binnen. Maar wat zag ze daar! Daar lagen allebei haar lieve zusters in 't bekken, jammerlijk vermoord en verminkt. Maar ze vermande zich, zocht hun ledematen bij elkaar, legde alles goed; 't hoofd, de romp, de armen en de benen. En toen er niets meer ontbrak, begonnen de leden weer te bewegen, sloten zich aaneen, de twee meisjes openden hun ogen weer en zie! ze leefden. Wat waren ze blij, ze omarmden elkaar en kusten elkaar – De man kwam terug, eiste bij zijn aankomst meteen de sleutels en het ei, en toen hij daar geen enkele bloedvlek op vinden kon, sprak hij: "Jij hebt de proef doorstaan; met jou ga ik trouwen." Nu had hij ook geen macht meer over haar; hij moest zelfs alles doen, wat ze wilde. "Goed," zei ze, "maar dan moet je eerst je draagmand vol goud aan vader en moeder gaan brengen; zelf op je eigen rug; dan maak ik ondertussen het bruiloftsfeest in orde." Ze liep naar haar zusters, die ze in een apart kamertje had verstopt, en ze zei: "Nu is het ogenblik gekomen, dat ik jullie kan redden: de schurk zal jullie zelf naar huis dragen; maar zodra je thuis bent, moet je me dadelijk hulp zenden." Ze zette hen samen in de draagmand, dekte ze helemaal af met goud, zodat er niets dan goud te zien was; toen riep ze de heksenmeester en zei: "Draag die mand nu maar weg; maar niet staan blijven onderweg, hoor, en niet gaan uitrusten; ik kijk door 't zoldervenster en ik zie alles!"
De heksenmeester sjorde de mand omhoog, hing hem op z'n rug en ging ermee weg. Maar 't was zwaar, het zweet liep hem tappelings langs zijn gezicht. Toen ging hij zitten en wilde even uitblazen. Maar tegelijk riep er één uit de mand: "Ik kijk door 't zoldervenster, ik zie dat je rust, wil je wel eens gauw verder gaan." En zodra hij stilstond, riep er iemand; hij moest voort. Tot hij eindelijk steunend, buiten adem, het goud, en, ongeweten, de beide meisjes in 't huis van de ouders had gebracht.
Thuis maakte de bruid de bruiloft in orde, en ze nodigde de vrienden van de heksenmeester uit. Daarop nam ze een doodshoofd met grijnzende tanden, zette hem een muts op en een kransje bloemen, zette hem boven voor 't zoldervenster en liet hem daar uitkijken. Toen alles klaar was, kroop ze in een vat met honing, sneed een dekbed open en rolde zich daarin; zo zag ze er uit als een vreemde vogel; geen mens kon haar herkennen. Ze ging 't huis uit, onderweg kwam ze enige bruiloftsgasten tegen, en die vroegen:

"Zeg, Vleerkens Vogel, waar kom jij vandaan?"
"Ik kom van Vleere Vleerkens huisje aan!"
"Wat voert daar uit
zijn jonge bruid?"
"Die heeft geveegd van boven naar onder,
en kijkt nu uit door het raam van de zolder!"

Tenslotte kwam ze haar bruidegom tegen, die heel langzaam terugliep. Hij vroeg, net als de anderen:

"Zeg, Vleerkens Vogel, waar kom jij vandaan?"
"Ik kom van Vleere Vleerkens huisje aan!"
"Wat voert daar uit
zijn jonge bruid?"
"Die heeft geveegd van boven naar onder,
en kijkt nu uit door het raam van de zolder!"

De bruidegom keek naar boven en zag het versierde doodshoofd. Maar hij dacht dat het de bruid was, en hij knikte eens en groette vriendelijk. Maar toen hij met z'n gasten 't huis in was gegaan, kwamen ook de broers en familie van de bruid aan, die tot haar redding aanrukten. Ze sloten alle deuren, zodat niemand eruit kon; staken 't huis in brand, en de heksenmeester en al z'n trawanten moesten levend verbranden!
Der var engang en troldmand, der påtog sig skikkelse af en fattig mand, gik ud og tiggede og førte de smukke piger bort med sig. Intet menneske vidste, hvor de blev af, og de kom aldrig mere tilbage. En dag kom han til en mand, der havde tre smukke døtre. Han havde en kurv på ryggen og så rigtig gammel og elendig ud. Han bad om at få lidt at spise, og da den ældste datter kom ud med et stykke mad til ham, rørte han blot ved hende, straks sad hun i kurven. Derpå løb han, alt hvad han kunne, ind i den store, mørke skov, hvor hans hus lå. Huset var stort og prægtigt, og han sagde nu til pigen: "Du vil nok befinde dig godt her, min skat. Du kan få alt, hvad du ønsker." Efter en kort tids forløb sagde han: "Jeg rejser bort et par dage. Der har du nøglerne til huset. Du må se dig om overalt, undtagen i den stue, som denne lille nøgle lukker op for. Det forbyder jeg dig under dødsstraf." Han gav hende også et æg og sagde: "Dette æg skal du passe godt på, du må helst altid bære det hos dig. Hvis du taber det, sker der en stor ulykke." Pigen tog nøglerne og ægget og lovede at gøre, hvad han havde sagt. Da han var taget af sted, gik hun rundt og så sig om i hele huset. Stuerne strålede af guld og sølv, og hun syntes aldrig, hun havde set noget så dejligt. Til sidst kom hun også til den dør, hun ikke måtte åbne. Hun gik forbi, men pint af nysgerrighed vendte hun lidt efter tilbage. Hun så på nøglen, II der så ud som alle andre nøgler, og til sidst stak hun den i, drejede lidt på den, og døren sprang op. I midten af værelset stod et stort kar, fyldt med blod og stykker af menneskekroppe, og ved siden af stod en huggeblok med en økse. Pigen blev så forskrækket, at hun tabte ægget, som hun holdt i hånden. Da hun tog det op igen, var det helt tilsmudset med blod og det gik ikke af, hvor meget hun så vaskede og gned det.

Kort tid efter kom manden hjem og forlangte straks nøglerne og ægget. Hun rakte ham det skælvende, og han kunne øjeblikkelig se på de røde pletter, at hun havde været i blodkammeret. "Fordi du imod min vilje er gået derind," sagde han vredt, "så skal du nu komme derind mod din vilje. Du har forbrudt dit liv." Derpå slæbte han hende ind i værelset, huggede hovedet af hende og kastede hende ned i karret til de andre.

"Nu henter jeg den anden," tænkte troldmanden, påtog sig igen skikkelse af en fattig mand og gik hen til huset og tiggede. Den anden datter bragte ham nu et stykke brød, og han tog hende med ligesom den første. Det gik hende ligesom søsteren. Nysgerrigheden løb af med hende, og da manden kom hjem, dræbte han også hende og kastede hende ned i karret. Derpå hentede troldmanden den tredie datter. Hun var klogere end de andre, og da han var rejst, gemte hun først ægget omhyggeligt og beså så hele huset og også blodkammeret. Der så hun begge sine kære søstre ligge livløse og lemlæstede. Men da hun fik lagt hovedet og lemmerne til kroppen, voksede de sammen igen, og begge pigerne rejste sig op spillevende og omfavnede og kyssede hinanden. Da manden kom hjem og så, at der ikke var blod på ægget, sagde han: "Du har bestået prøven, du skal være min brud." Han havde nu ikke mere nogen magt over hende, men måtte gøre, hvad hun forlangte. "Du skal først bringe en kurv med guld til mine forældre," sagde hun, "så laver jeg til brylluppet imens." Sine to søstre havde hun skjult i et lille kammer, og hun puttede dem nu i en kurv og lagde guld over dem, og bad dem sende hjælp ud til hende, så snart de var kommet hjem. Derpå kaldte hun på trolden og sagde: "Bær så denne kurv hjem, men du må ikke hvile dig på vejen. Jeg står i vinduet og passer på."

Troldmanden tog kurven på ryggen og gik af sted, men den var så tung, at sveden løb ham ned over ansigtet. Da han satte sig ned for at hvile sig, råbte en af pigerne i kurven: "Gå straks videre. Jeg ser fra mit vindue, at du hviler dig." Han troede, at det var hans brud, der råbte det, og gav sig til at gå igen. En gang til satte han sig, men øjeblikkelig lød der en stemme, der befalede ham at gå videre. Endelig nåede han stønnende og forpustet forældrenes hus og afleverede kurven.

Bruden gik imidlertid hjemme og ordnede alt til brylluppet og indbød alle troldmandens venner. Derpå tog hun et dødningehovede med grinende tænder, satte en blomsterkrans derpå og stillede det op i loftslugen. Da hun var færdig med det, smurte hun sig ind i honning, sprættede en dyne op og rullede sig rundt i fjerene, så hun kom til at ligne en løjerlig fugl, og ingen kunne se, at hun var et menneske. Så gik hun ud af huset, og på vejen mødte hun en del af bryllupsgæsterne, som spurgte:

"Hvor kommer du fra, du sære fugl?"
"Jeg kommer fra Fitchers hus."
"Så du derinde den unge brud?"
"Hun står deroppe i blæst og sus,
Og kigger af loftslugen ud."

Hun mødte også brudgommen, der kom gående ganske langsomt. Han spurgte også:

"Hvor kommer du fra, du sære fugl?"
"Jeg kommer fra Fitchers hus."
"Så du derinde den unge brud?"
"Hun står deroppe i blæst og sus,
Og kigger af loftslugen ud."

Brudgommen så op på huset, og da han fik øje på dødningehovedet troede han, at det var hans brud, og nikkede venligt derop. Men da han og hans gæster var gået ind i huset, kom pigens brødre og slægtninge, som var gået ud for at hjælpe hende, og naglede dørene fast til. Derpå stak de ild på huset, og de måtte alle omkomme i flammerne.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.