NEDERLANDS

Van de wachtelboom

TIẾNG VIỆT

Cây đỗ tùng


Het is nu al lang geleden, wel twee duizend jaar. Toen was er een rijke man die een mooie vrome vrouw had en zij hielden heel veel van elkaar, maar zij hadden geen kinderen en zij wilden ze toch zo graag hebben; dag en nacht bad de vrouw erom, maar zij kregen en kregen er maar geen. Voor hun huis lag een erf, daarop stond een wachtelboom, en onder die boom stond de vrouw in de winter eens een appel te schillen en bij het schillen van die appel sneed zij zich in haar vinger en het bloed viel in de sneeuw. "Ach," zei de vrouw en zij zuchtte diep en zij keek naar het bloed daar voor zich en zij werd heel bedroefd, "had ik toch maar een kind, zo rood als bloed en zo wit als sneeuw. En terwijl zij dat zei, werd zij heel blij en zij had het gevoel dat het wat worden zou.

Toen liep zij naar huis en er ging een maand voorbij en de sneeuw smolt; en twee maanden, toen kwam het jonge groen; en de derde maand, toen kwamen de bloemen uit de aarde; en de vierde maand, toen kwamen de bladeren aan de bomen en de groene takken groeiden door elkaar heen, de vogeltjes zongen dat het door het hele bos schalde en de bloesems vielen van de bomen; toen was de vijfde maand om en zij stond onder de wachtelboom die heerlijk rook: en haar hart sprong op van vreugde en zij kon het niet laten op haar knieën te vallen; en toen de zesde maand voorbij was, werden de vruchten dik en stevig, toen werd zij heel stil; en de zevende maand, toen greep zij naar de wachtelbessen en at er gulzig van en zij werd treurig en ziek; toen ging de achtste maand voorbij en zij riep haar man en zei schreiend: "Wanneer ik sterf, begraaf mij dan onder de wachtelboom." Toen was zij weer getroost en zij kon weer blij zijn tot de negende maand voorbij was; toen kreeg zij een kind zo wit als sneeuw en zo rood als bloed en toen zij het zag was zij zo blij dat zij stierf. Toen begroef haar man haar onder de wachtelboom en hij begon hevig te wenen; na een poos werd het wat minder en nadat hij nog wat had geweend, hield hij op en nog een tijd later nam hij weer een vrouw. Bij de tweede vrouw kreeg hij een dochter, maar het kind van de eerste vrouw was een zoontje en het was zo rood als bloed en zo wit als sneeuw. Wanneer de vrouw naar haar dochter keek, hield zij heel veel van haar, maar keek ze naar het jongske, dan kreeg zij een steek in haar hart en het scheen haar toe dat hij haar overal in de weg stond en zij dacht er maar steeds aan, hoe zij het hele vermogen aan haar dochter kon geven en de Boze gaf haar in om het jongske heel slecht te behandelen, en zij duwde hem van de ene hoek naar de andere, en zij stompte hem hier en stompte hem daar, zodat het arme kind voortdurend in angst leefde. En wanneer hij uit school kwam, had hij geen rustig plekje.

Eens was de vrouw naar de opkamer gegaan, toen kwam het dochtertje ook naar boven en zei: "Moeder, geef mij een appel." - "Goed, mijn kind," zei de vrouw en zij gaf haar een mooie appel uit de kist; maar de kist had een groot zwaar deksel met een groot ijzeren slot. "Moeder," zei het dochtertje, "krijgt broer er ook één?" Dat verdroot de vrouw, maar zij zei: "Ja, als hij uit school komt." En toen zij uit het raam keek en hem zag aankomen, was het alsof de Boze over haar kwam en zij pakte haar dochter de appel weer af en zei: "Jij krijgt hem niet eerder dan broer." Toen gooide zij de appel in de kist en sloot de kist. Toen het jongske in de deur verscheen, gaf de Boze haar in vriendelijk tegen hem te zeggen: "Mijn zoon, wil je een appel?" En zij keek hem erg venijnig aan. "Moeder," zei het jongske, "wat zie je er griezelig uit! Ja, geef mij een appel." Toen was het haar, alsof zij tegen hem moest zeggen: "Kom mee," en zij maakte het deksel open, "haal hier maar een appel uit." En toen het jongske zich voorover boog, gaf de Boze haar weer iets in, en pats! sloeg zij het deksel dicht, zodat zijn hoofd eraf vloog en tussen de rode appels viel. Toen overviel haar de angst en zij dacht: Hoe kom ik hier onder uit. Toen ging zij naar boven naar haar kamer naar haar kleerkast, en haalde uit de bovenste la een witte doek en zij zette het hoofd weer op de hals en bond er de halsdoek zo omheen dat er niets meer van te zien was en zij zette hem voor de deur op een stoel en gaf hem de appel in de hand.

Daarna kwam Marleenke in de keuken, daar stond haar moeder bij het vuur en roerde onafgebroken in een pot heet water. "Moeder," zei Marleenke, "broer zit voor de deur en ziet erg wit en hij heeft een appel in zijn hand, ik heb hem gevraagd mij die appel te geven, maar hij geeft geen antwoord, ik vind het zo griezelig!" - "Ga maar weer naar hem toe," zei de moeder, "en als hij je geen antwoord wil geven, geef hem dan maar een draai om zijn oren." Toen liep Marleenke erheen en zei: "Broer, geef mij die appel." Maar hij zweeg, toen gaf zij hem een draai om zijn oren en toen viel het hoofd eraf, daar schrok zij hevig van en zij begon te huilen en te schreeuwen en zij liep naar haar moeder toe en zei: "Ach, moeder, ik heb mijn broer zijn hoofd afgeslagen," en zij weende en weende en kon maar niet tot bedaren komen. "Marleenke," zei de moeder, "wat heb je gedaan? Wees nu maar stil, dat geen mens er wat van merkt, er is nu toch niets meer aan te doen; wij zullen hem in azijn koken." Toen nam de moeder het jongske en hakte hem in stukken, deed die in de pot en kookte ze in azijn. Maar Marleenke stond erbij en weende en weende en de tranen vielen allemaal in de pot, en zij hoefden helemaal geen zout te gebruiken.

Toen kwam de vader thuis en ging aan tafel en zei: Waar blijft mijn zoon toch?" Toen diende de moeder een grote. grote schotel op met zwartzuur en Marleenke weende en kon niet ophouden. Toen zei de vader weer:

Waar blijft mijn zoon toch?" - "Ach," zei de moeder. tij is naar de oudoom van zijn moeder toegegaan, daar wil hij een poosje blijven. - Wat doet hij daar nu? Hij heeft mij niet eens goeiendag gezegd!" - "0, hij wilde er zo graag heen en heeft mij gevraagd, of hij daar wel zes weken zou mogen blijven, hij is daar wel goed onder dak." - "Ach," zei de man, "ik ben zo treurig, dat is toch niet in de haak, hij had mij toch goeiendag moeten zeggen." Meteen begon hij te eten en zei:

"Marleenke, waarom huil je zo? Broer komt toch weer terug!" - "Ach, vrouw," zei hij toen, "wat smaakt dat eten mij goed. Geef mij nog wat." En hoe meer hij at, des te meer wilde hij hebben en hij zei: "Geef mij nog meer, jullie mogen er niets van hebben, het is alsof dit allemaal van mij is." En hij at en at en de botjes gooide hij allemaal onder de tafel tot hij alles op had.

Maar Marleenke ging naar haar ladekastje en nam uit de onderste la haar beste zijden doek en haalde alle beentjes en botjes onder de tafel vandaan, bond ze in de zijden doek en bracht ze naar buiten en schreide bittere tranen. Daar legde zij ze onder de wachtelboom in het groene gras en toen zij ze daar had neergelegd, werd het haar opeens heel licht te moede en zij hield op met schreien. Toen begon de wachtelboom zich te bewegen, de takken bogen telkens uit elkaar en dan weer naar elkaar toe, net zoals iemand met zijn handen doet als hij heel blij is. Meteen steeg er nevel uit de boom op en middenin die nevel brandde het als vuur en uit dat vuur vloog een mooie vogel op die verrukkelijk zong en zich hoog in de lucht verhief, en toen hij weg was, was de wachtelboom weer net zoals tevoren en de doek met de botjes was weg. Marleenke voelde zich zo opgelucht en blij, alsof broer nog leefde en ging heel vrolijk naar huis terug en ging aan tafel zitten eten.

Maar de vogel vloog weg en streek neer op het huis van een goudsmid en begon te zingen:

"Mijn moeder die mij slachtte,
Mijn vader die mij at,
Mijn zuster, lief Marleenke,
Zoekt alle mijne beenderkens,
Bindt ze in een zijden doek,
Legt die onder de wachtelboom.
Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel
ben ik!"

De goudsmid zat in zijn werkplaats een gouden ketting te maken; daar hoorde hij de vogel die op zijn dak zat te zingen en hij vond het heel mooi. Hij stond op en toen hij over de drempel stapte, verloor hij een pantoffel, en zo liep hij midden op straat met één pantoffel en één sok aan; zijn schootsvel had hij voor en in de ene hand hield hij de gouden ketting en in de andere de tang; en de zon scheen helder op de straat. Zo ging hij daar staan en keek naar de vogel. "Vogel," zegt hij, "wat kun jij mooi zingen! Zing dat wijsje nog eens voor mij." - "Nee," zegt de vogel, "ik zing geen twee liedjes voor niets. Geef mij de gouden ketting, dan zal ik het nog eens voor je zingen." - "Hier heb je de gouden ketting," zegt de goudsmid, "zing het nu nog eens voor mij." Toen kwam de vogel, nam de gouden ketting in zijn rechterpoot, ging voor de goudsmid zitten en zong:

"Mijn moeder die mij slachtte,
Mijn vader die mij at,
Mijn zuster, lief Marleenke,
Zoekt alle mijne beenderkens
Bindt ze in een zijden doek,
Legt die onder de wachtelboom.
Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel
ben ik!"

Toen vloog de vogel weg naar een schoenmaker, streek neer op diens dak en zong:

"Mijn moeder die mij slachtte,
Mijn vader die mij at,
Mijn zuster, lief Marleneke,
Zoekt alle mijne beenderkens
Bindt ze in een zijden doek,
Leg die onder de wachtelboom.
Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel
ben ik!"

De schoenmaker hoorde het en liep in hemdsmouwen de deur uit, hij keek naar zijn dak en moest zijn hand voor zijn ogen houden opdat de zon hem niet zou verblinden. "Vogel," zei hij, "wat kun jij mooi zingen." Toen riep hij naar binnen: "Vrouw, kom eens buiten, daar zit een vogel. Kijk eens naar die vogel, die kan zo mooi zingen!" Toen riep hij zijn dochter en alle kinderen en gezellen, jongens en meisjes en zij liepen allemaal de straat op en keken naar de vogel en zij zagen hoe mooi hij was met zijn helderrode en groene veren, en om zijn hals leek hij wel van goud en zijn ogen blonken in zijn kop als sterren. "Vogel," zegt de schoenmaker, "zing dat wijsje nog eens voor mij." - "Neen," zegt de vogel, "ik zing geen twee liedjes voor niets, je moet me er wat voor geven." - "Vrouw, zegt de man, "ga naar de werkplaats, op de bovenste plank staan een paar rode schoenen, haal die eraf en breng ze hier." De vrouw liep erheen en haalde de schoenen. "Hier, vogel," zei de man, "zing nu dat wijsje nog eens voor mij." Toen kwam de vogel en nam de schoenen in zijn linkerklauw, vloog weer op het dak en zong:

"Mijn moeder die mij slachtte,
Mijn vader die mij at,
Mijn zuster, lief Marleenke
Zoekt alle mijne beenderkens,
Bindt ze in een zijden doek,
Legt die onder de wachtelboom.
Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel
ben ik!"

En toen hij was uitgezongen, vloog hij weg. De ketting had hij in zijn rechter- en de schoenen in zijn linkerklauw en hij vloog ver weg naar een molen, en de molen ging van "klippe klappe, klippe klappe, klippe klappe." En in de molen zaten twintig molenaarsknechts een steen te hakken en ze hakten van "hik hak, hik hak, hik hak," en de molen ging van "klippe klappe, klippe klappe, klippe klappe." Toen ging de vogel in een lindeboom zitten die voor de molen stond en zong:

"Mijn moeder die mij slachtte."

toen hield er één op,

"Mijn vader die mij at,"

toen hielden er twee op en ze luisterden,

"Mijn zuster, lief Marleenke,"

toen hielden er nog vier op,

Zoekt alle mijne beenderkens,
Bindt ze in een zijden doek,"

nu hakten er nog maar acht,

"Legt die onder"

nu nog vijf,

"de wachtelboom."

nu nog maar één.

"Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel
ben ik!"

Toen hield ook de laatste op en die had het laatste nog net gehoord. "Vogel," zegt hij, "wat zing jij mooi! Laat mij dat ook eens horen, zing het nog eens voor mij." - "Neen," zegt de vogel, "ik zing geen twee liedjes voor niets, geef mij de molensteen, dan zal ik het nog eens zingen." - "Ja," zegt hij, "als hij aan mij alleen toebehoorde, zou je hem wel mogen hebben." - "Nou," zeiden de anderen, "als hij het nog eens zingt, mag hij hem hebben." Toen kwam de vogel naar beneden en de molenaars zaten alle twintig met hun voorschot aan en zij tilden de steen op: "Hoe-oe-oep, hoe-oe-oep, hoe-oe-oep!" Toen stak de vogel zijn hals door het gat, zodat hij de steen als een kraag omhad, vloog weer in de boom en zong:

"Mijn moeder die mij slachtte,
Mijn vader die mij at,
Mijn zuster, lief Marleenke
Zoekt alle mijne beenderkens,
Bindt ze in een zijden doek,
Legt die onder de wachtelboom.
Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel
ben ik!"

En toen hij was uitgezongen. spreidde hij zijn vleugels uit en in zijn rechterklauw droeg hij de ketting en in zijn linker de schoenen en om zijn hals droeg hij de molensteen, en hij vloog ver weg naar het huis van zijn vader. In de kamer zaten de vader, de moeder en Marleenke aan tafel en de vader zei: "0, ik krijg zo"n blij gevoel, ik voel me zo heerlijk." -"Neen," zei de moeder, "ik ben juist zo angstig alsof er zwaar weer op til is." Maar Marleenke zat te schreien en te schreien. Toen kwam de vogel aanvliegen en toen hij op het dak neerstreek, zei de vader: "0, wat ben ik blij en de zon schijnt buiten zo mooi; het is alsof ik een oude bekende terug zal zien. -"Neen," zei de vrouw, "ik ben zo bang, mijn tanden klapperen en het is alsof er vuur door mijn aderen stroomt." En zij rukte haar jakje open, maar Marleenke zat in een hoek te schreien en zij hield haar schort voor haar ogen en zij schreide haar schort kletsnat. Toen streek de vogel op de wachtelboom neer en zong:

"Mijn moeder die mij slachtte"

Toen hield de moeder haar oren dicht en kneep haar ogen toe en wilde niets horen en niets zien, maar het suisde in haar oren als de zwaarste storm en haar ogen brandden en er gingen flitsen doorheen als van de bliksem.

"Mijn vader die mij at"

"O, moeder," zegt de man, "daar is een mooie vogel, die zingt zo heerlijk en de zon schijnt zo warm en het ruikt naar zuiver kaneel."

"Mijn zuster, lief Marleenke"

Toen legde Marleenke haar hoofd op haar knieën en schreide aan één stuk door, maar de man zei: "Ik ga naar buiten, ik moet de vogel van dichtbij bekijken." - "Ach, ga toch niet," zei de vrouw, "het is mij alsof het hele huis heeft en in brand staat." Maar de man ging naar buiten en keek naar de vogel.

"Zoekt alle mijne beenderkens,
Bindt ze in een zijden doek,
Legt die onder de wachtelboom.
Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel
ben ik!"

Meteen liet de vogel de gouden ketting vallen en hij viel om de hals van de man en paste precies. Toen ging hij naar binnen en zei:

"Kijk eens, wat een mooie vogel dat is; hij heeft mij een mooie gouden ketting gegeven en hij ziet er zo mooi uit." Maar de vrouw werd zo angstig dat zij languit in de kamer op de grond viel en haar muts viel van haar hoofd. Toen zong de vogel weer:

"Mijn moeder die mij slachtte"

"Ach, zat ik maar duizend voet onder de grond, dat ik dat niet hoefde te horen!"

"Mijn vader die mij at"

Toen viel de vrouw als dood neer.

"Mijn zuster, lief Marleenke"

"Ach," zei Marleenke, "ik wil ook naar buiten gaan om te zien of de vogel mij iets schenkt." Toen ging zij naar buiten.

"Zoekt alle mijne beenderkens,
Bindt ze in een zijden doek."

Toen gooide hij haar de schoenen toe.

"Legt die onder de wachtelboom.
Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel
ben ik!"

Toen werd het haar licht en blij te moede en zij trok de nieuwe rode schoenen aan en danste en sprong erin rond. "O," zei zij, "ik was zo treurig toen ik naar buiten ging en nu voel ik mij zo licht; wat een heerlijke vogel is dat, hij heeft mij een paar rode schoenen gegeven." - "Nee," zei de vrouw en zij sprong op en haar haren rezen te berge als vurige vlammen, "het lijkt mij, alsof de wereld zal vergaan, ik wil ook naar buiten, misschien wordt het mij dan lichter te moede." En toen zij de deur uitkwam, pats! smeet de vogel de molensteen op haar hoofd, zodat zij helemaal verpletterd werd. De vader en Marleenke hoorden dat en liepen naar buiten. Toen stegen nevel en vlammen en vuur van die plek op en toen dat voorbij was, stond het broerke daar en hij nam zijn vader en Marleenke bij de hand en zij waren alle drie heel gelukkig en zij liepen het huis binnen en gingen aan tafel zitten eten.
Câu chuyện xảy ra cách đây đã lâu, có tới hai nghìn năm. Một người đàn ông giầu có, vợ xinh đẹp dịu dàng nên họ sống với nhau rất êm ấm, nhưng họ lại không có con. Họ rất mong có được một người con. Người vợ ngày đêm cầu nguyện, nhưng họ vẫn chưa có người con nào cả. Ở sân phía trước ngôi nhà của họ có cây đỗ tùng. Mùa đông, người vợ ngồi dướigốc cây gọt táo, vô ý cắt phải ngón tay khiến máu chảy rơi xuống tuyết. Bà kêu lên một tiếng:" Ối! " rồi nhìn giọt máu ở trước mặt lòng buồn thay cho mình. Bà nói:
- Ước gì ta có một đứa con da trắng như tuyết và môi đỏ như son!
Khi nói xong những lời nói đo, bà thấy trong lòng rất vui, nên cho rằng ý nguyện của mình rồi sẽ trở thành hiện thực. Bà đi vào nhà. Sau một tháng thì tuyết tan. Sau hai tháng, cây cỏ mọc xanh tươi. Đến tháng thứ ba thì hoa nở khắp đất trời. Tới tháng thứ tư thì cây rừng đâm chồi nảy lộc, chim hót líu lô. Qua tháng thứ năm, ngồi ở dưới gốc cây đỗ tùng, ngửi hương thơm của hoa, người vợ rất mừng vui. Tới tháng thứ sáu trên cây đầy quả non, người vợ cảm thấy tĩnh tâm hơn. Đến tháng thứ bảy, bà hái một quả ăn thì thấy trong lòng sầu muộn, người không khoẻ. Khi tháng tám qua đi, bà gọi chồng tới rồi khóc và nói:
Nếu như em chết. Hãy chôn em dưới gốc cây đỗ tùng nhé!
Nói xong, trong lòng bà cảm thấy thanh thản. Sang tháng thứ chín, bà sinh ra một đứa con trắng như tuyết, môi đỏ như son. Bà nhìn thấy đứa con vừa lọt lòng thì mừng lắm, rồi sau đó thì qua đời.
Người chồng mai táng vợ ở dưới gốc cây đỗ tùng. Tháng đầu người chồng khóc suốt ngày, rồi ông ta thỉnh thoảng lại khóc, thời gian sau ông không khóc nữa. Và cuối cùng thì ông đã nguôi buồn nhớ, rồi cưới một người vợ kế.
Người vợ sau của ông đẻ một đứa con gái, còn đứa con trai của vợ trước da trắng như tuyết, môi đỏ hồng như son. Người vợ kế chỉ yêu đứa con gái do mình đẻ ra, nên thường cảm thấy khó chịu với đứa con trai của người vợ cả.Bà ta luôn cảm thấy nó cản trở mình trong việc tính mưu bàn kế thu vén tài sản về cho con gái. Bà ta thường xua đuổi đứa con trai từ góc này tới góc kia trong nhà, có lúc tiện tay đánh nó túi bụi, khiến nó vô cùng sợ hãi, vì hễ từ trường học về nhà là không bao giờ nó được yên thân. Một lần người vợ kế tới phòng ngủ, đứa con gái đi theo và nói với mẹ:
- Mẹ, cho con một quả táo.
Người mẹ nói:
- Được mà, con gái của mẹ.
Bà ta lấy từ trong hòm ra một quả táo, đưa cho con gái. Nắp hòm vừa to vừa nặng, được khoá bằng chiếc khoá lớn. Đứa con gái nói:
- Mẹ, anh trai cũng được một quả chứ?
Bà mẹ kế quỷ quyệt chẳng muốn thế, nhưng ngoài miệng vẫn nói:
- Ừ, nó đi học về thì cho nó.
Từ phía trong cửa sổ, bà nhìon thấy đứa con trai đang đi về nhà thì như bị quỷ tha ma khiến, bà giật lấy quả táo ở trong tay con gái và nói:
- Đợi anh trai con về cùng ăn!
Nói rồi bà ném quả táo vào trong hòm và đóng nắp hòm lại. Khi đứa con trai bước tới cửa nhà, bà ta giả bộ âu yếm con trai, bảo nó:
- Con trai của ta, con có muốn ăn một quả táo không?
Mắt bà nhìn nó chằm chằm. Đứa con trai nói:
- Mẹ, sao mẹ lại nhìn con chằm chằm như vậy? Vâng, mẹ cho con một quả táo.
Bà gọi nó lại:
- Lại đây với ta!
Và rồi, bà ta mở nắp hòm lên, nói tiếp:
- Con lấy táo ở trong hòm này!
Khi đứa con trai cúi đầu vào trong hòm thì bà ta thả nắp hòm xuống. Nắp hòm rơi xuống "sầm" một tiếng, đầu đứa con trai bị đứt lìa khỏi thân, rơi vào trong đống táo. Bà ta vô cùng hoảng sợ, nghĩ:
- Mình phải xoá sạch mọi dấu tích đi mới được!
Nghĩ rồi bà ta vào trong buồng, lấy từ ngăn kéo trên cùng của chiếc tủ lớn ra một miếng vải trắng, rồi đem đầu của đứa con trai buộc chặt vào trên cổ của nó, để không ai nhận ra dấu vết bị cắt rời. Sau đó bà ta đem nó đặt ngồi ở chỗ cửa ra vào, lại đặt quả táo vào trong tay nó.
Cô em gái Marleenken đi vào bếp tìm mẹ thì thấy bà ta đứng bên bếp lò và đang khuấy một nồi nước nóng, bèn hỏi:
- Mẹ, anh con ngồi ở chỗ cửa, sắc mặt xám ngoét, tay cầm một quả táo. Con bảo anh đưa quả táo cho con, mà anh chẳng nói gì làm con sợ hãi quá!
Bà mẹ kế nói:
- Con lại ra đấy đi. Nếu vẫn chẳng trả lời thì cho nó một cái bạt tai!
Thế là Marleenken tới, và bảo người anh:
- Anh, đưa táo cho em nào!
Nhưng chẳng có lời đáp nào cả. Thế là cô bé cho anh một cái bạt tai, làm đầu của anh rơi xuống đất. Marleenken hoảng hốt, oà khóc, chạy tới bên bà mẹ, nói:
- Ối, mẹ ơi! Con vừa bạt tai một cái mà đầu anh ấy đã rơi xuống đất!
Marleenken khóc hoài, khóc mãi, tưởng như chẳng bao giờ dứt. Bà mẹ nói:
- Marleenken, con làm sao vậy? Con chớ làm ồn lên khiến mọi người chú ý.Chẳng có cách nào khác là mẹ phải chặt nó ra từng khúc nấu súp thôi!
Nói rồi bà mẹ kế chặt đứa con trai thành từng khúc, cho vào nồi và nấu. Marleenken đứng cạnh bà ta khóc, nước mắt ràn dụa chảy trên má, rơi cả vào trong nồi súp nên súp chẳng phải cho thêm muối nữa. Người cha trở về nhà, ngồi xuống bên bàn, hỏi:
- Con trai của tôi ở đâu?
Bà mẹ kế đáp:
- Ối dào, nó về quê thăm bà ngọai rồi, nó định ở đó một thời gian.
- Nó làm gì ở đó? Sao cũng chẳng hỏi lấy một lời trước khi đi!
- Nó muốn đi, có xin tôi cho phép nó ở đấy sáu tuần. Sống ở đó cũng tốt!
Người chồng nói:
- Trời ơi, tôi rất buồn. Hình như có gì không ổn. Đúng ra nó phải hỏi tôi một câu chứ!
Người chồng vừa ăn vừa nói:
- Marleenken, sao con lại khóc? Anh con rồi sẽ về thôi mà!
Ông lại nói:
- Ôi bà nó, món súp này ngon quá, cho tôi thêm một ít nữa nào!
Ông càng ăn càng thèm, nên bảo:
- Cho tôi nhiều một chút. Chưa bao giờ ăn thấy ngon như vậy, thôi đưa tất cả cho tôi nào!
Ông ăn ngon lành, vứt tất cả xương xuống gầm bàn. Marleenken lấy ra một chiếc khăn lụa tốt nhất từ ngăn kéo tầng dưới tủ áo của cô, rồi nhặt hết những chiếc xương to, nhỏ ở dưới gầm bàn gói cả vào trong chiếc khăn tay đó, đem ra phía trước cửa, khóc nhiều tới mức chảy cả máu mắt ra. Sau đó cô bé chôn cả bọc xương ấy ở đám cỏ xanh dưới gốc cây đỗ tùng. Làm xongcô thấy trong lòng nhẹ nhõm, và không khóc nữa. Trong khi đó cây đỗ tùng bỗng rung lên, cành cây tản ra, rồi chụm lại với nhau nom giống như người ta vỗ tay khi vui mừng. Từ giữa cây bốc lên một cột khói như sương mù, ở giữa cột khói đó như có lửa đang cháy, rồi một con chim rất đẹp bay ra, nó cất tiếng hót véo von, và bay cao mãi vào trong không trung. Sau khi chim bay đi thì cây đỗ tùng trở lại như trước đó, còn chiếc khăn gói xương lại không cánh mà biến mất. Marleenken thấy trong lòng vui vẻ. Cô vào nhà, ngồi xuống bên bàn và ăn.
Con chim sau khi bay đi thì tới đậu trên nóc nhà người thợ kim hoàn. Nó cất giọng hót:
Mẹ kế của tôi đã làm thịt tôi.
Cha tôi đã ăn hết tôi.
Em gái tôi là Marleenken (Marie xinh đẹp yêu quý)
Đã nhặt tất cả xương của tôi gói vào trong chiếc khăn bằng lụa,
Đem chôn ở dưới gốc cây
Kywitt, kywitt - Tôi là con chim xinh đẹp!
Người thợ kim hoàn đang làm một sợi dây chuyền bằng vàng ở trong xưởng, nghe thấy tiếng chim hót rất hay trên nóc nhà, bèn đứng dậy bước qua hàng rào và làm rơi một chiếc giầy. Thế là một chân đi giầy, một chân chỉ có bít tất, ngực vẫn đeo tạp dề, một tay cầm dây chuyền vàng, một tay còn cầm chiếc kìm, bác bước ra đường. Mặt trời chiếu chói chang trên đường phố. Bác đứng ở đó nhìn chăm chú con chim ấy, và nói:
- Này chim, chim hót nghe hay quá. Hót lại một lần nữa bài ấy cho ta nghe nào!
Chim nói:
- Không, tôi không hót suông lần thứ hai đâu. Bác cho tôi dây chuyền vàng thì tôi sẽ hót lần nữa cho bác nghe.
Người thợ kim hoàn đồng ý, nói:
- Cho chim dây chuyền vàng thì hót ta nghe lần nữa nhé!
Thế là chim dùng móng quặp lấy sợi dây chuyền vàng, chim hót cho bác thợ kim hoàn nghe:
Mẹ kế của tôi làm thịt tôi.
Cha tôi đã ăn hết tôi.
Em gái tôi là Marleenken
Đã nhặt tất cả xương của tôi gói vào trong
Chiếc khăn bằng lụa,
Đem chôn dưới gốc cây đỗ tùng.
Kywitt, kywitt - Tôi là con chim xinh đẹp!
Con chim lại bay đến nhà bác thợ giầy, hót trên nóc nhà bác ta:
Mẹ kế của tôi làm thịt tôi.
Cha tôi đã ăn hết tôi.
Em gái tôi là Marleenken
Đã nhặt tất cả xương của tôi gói vào trong chiếc khăn bằng lụa,
Đem chôn dưới gốc cây đỗ tùng.
Kywitt, kywitt. Tôi là con chim xinh đẹp!
Bác thợ giầy nghe tiếng chim hót, chẳng kịp xỏ áo mặc, chạy vội ra ngoài nhà, nhìn lên nóc nhà, dùng bàn tay che nắng để khỏi bị chói mắt, và nói:
- Chim ơi, chim hót rất hay!
Nói rồi bác gọi với vào trong nhà:
- Bà nó đâu, ra mà xem! Chim hót hay lắm!
Bác gọi cả con gái và những đứa con khác, cùng người học việc, cô gái làm thuê… tất cả, tất cả đều ra đường để xem con chim rất đẹp, có bộ lông xanh đỏ rực rỡ, quanh cổ lấp lánh sắc vàng, hai mắt sáng như sao. Bác thợ giầy nói:
- Chim ơi, chim hót lại cho ta nghe một lần nữa nào!
- Không được, hót suông thì tôi chẳng hót đâu!Bác phải tặng tôi một thứ gì đó!
Bác thợ giầy bảo vợ:
- Bà vào lấy đôi giầy ở trên giá gỗ cao nhất trên lầu xuống đây!
Khi người vợ mang đôi giầy đỏ xuống, bác ta bảo chim:
- Chim ơi, lấy đôi giầy này đi, rồi hót cho nghe lần nữa nhé!
Chim dùng móng chân trái quặp lấy đôi giầy, rồi lại bay lên nóc nhà mà hót:
Mẹ kế của tôi làm thịt tôi.
Cha tôi đã ăn hết tôi.
Em gái tôi là Marleeken
đã nhặt tất cả xương tôi gói vào trong chiếc
khăn bằng lụa
Đem chôn dưới gốc cây đỗ tùng.
Kywitt, kywitt- Tôi con chim xinh đẹp!
Hót xong chim lại bay đi, chân phải quắp dây chuyền vàng, chân trái quắp đôi giầy đỏ. Nó bay tới nơi xay bột. Cối xay đang quay tít, phát ra tiếng:
- Klippe klappe, klippe klappe, klippe klappe.
Trong nhà xay bột có 26 người. Họ đang đẽo đá, làm phát ra tiếng:
- Hick hack, hick hack, hick hack.
Cối xay vẫn đang quay:
- Klippe klappe, klippe klappe, klippe klappe.
Chim đậu trên cây sồi phía trước xưởng xay bột mà hót:
Mẹ tôi đã làm thịt tôi.
Một người thợ dừng tay.
Cha tôi đã ăn hết tôi.
Lại có hai người thợ nữa dừng tay.
Em gái tôi là Marleenken
Tiếp đến lại có bốn người thợ dừng làm việc.
Đã nhặt tất cả xương tôi
Gói vào trong chiếc khăn bằng lụa.
Tới lúc đó chỉ còn 8 người đang đẽo đá.
Chôn ở
Bây giờ chỉ có 7 người làm việc.
Dưới gốc cây đỗ tùng.
Chỉ còn sót một người làm việc.
Kywitt, kywitt - Tôi là con chim xinh đẹp!
Người thợ cuối cùng cũng dừng việc lại, và cũng nghe được mấy từ sau cùng mà con chim đã hót. Người đó nói:
- Chim ơi, chim hót hay quá. Hót cho tôi nghe một lần nữa đi!
Chim nói:
- Không được, tôi không hót suông đâu. Ông đem hòn đá mài cho tôi thì tôi sẽ hót lần nữa!
Người đó nói:
- Được rồi, nếu chim hót lần nữa cho tất cả mọingười nghe thì sẽ biếu chim hòn đá mài.
Những người khác đồng thanh:
- Đúng vậy, nếu chim hót lại lần nữa thì hòn đá mài này thuộc về chim.
Thế là chim sà xuống, đưa cổ xuyên qua lỗ của hòn đá mài, làm như một chiếc vòng, còn 20 người thợ thì dùng thanh gỗ bảy hòn đá lên. Chim bay lên cao và hót:
Mẹ kế của tôi làm thịt tôi.
Cha tôi đã ăn hết tôi.
Em gái tôi là Marleenken
Đã nhặt tất cả xương tôi gói vào trong
Chiếc khăn bằng lụa.
Đem chôn dưới gốc cây đỗ tùng.
Kywitt, kywitt- Tôi là con chim xinh đẹp!
Chim hót xong xoè hai cánh ra bay, chân phải quắp chiếc dây chuyền vàng, chân trái quắp đôi giầy đỏ, cổ mang hòn đá mài. Nó bay đi rất xa, rất xa cho tới khi bay tới nhà cha nó. Cha, mẹ kế và Marleenken đang ngồi bên bàn ăn ở trong nhà. Cha nó nói:
- Trời, sao tôi cảm thấy khoan khoái dễ chịu thế!
Mẹ kế nói:
- Không, sao tôi lại sợ hãi vậy cứ như là có sét đánh, chớp giật vậy!
Còn Marleenken thì oà khóc. Chim bay tới nóc nhà và hót ca. Người cha nói:
-Ôi, tôi rất vui mừng. Mặt trời chiếu sáng chan hoà. Tôi như gặp người bạn thân cũ vậy.
Người mẹ kế thì nói:
- Không, tôi sợ hãi thật sự, răng lợi cứ va vào nhau, mạch máu như bốc lửa.
Bà giật đứt cúc áo ỡ ngực. Marleenken ngồi ở góc nhà khóc, tay cầm tạp dề ôm lấy mặt. Chiếc tạp dề ướt sũng nước mắt. Chim bay đậu trên cây đỗ tùng mà hót:
Mẹ kế của tôi làm thịt tôi.
Người mẹ kế bịt tai không muốn nghe, nhắm nghiền mắt lại không muốn nhìn, nhưng trong tai bà vẫn nghe thấy tiếng của bão táp, mắt bà ta thấy những tia chớp sáng loè.
Cha tôi đã ăn hết tôi.
Người cha nói:
- Trời, bà ơi. Chim hót rất hay. Mặt trời toả sáng chan hoà. Hoa toả hương thơm khắp nơi!
Em gái tôi là Marleenken
Marleenken gục đầu lên gối mà khóc. Người cha nói:
- Tôi ra ngoài sân để ngắm kỹ con chim ấy.
Người mẹ kế nói:
- Ôi, ông đừng đi. Tôi cảm thấy căn nhà nghiêng ngả, đang bốc cháy!
Người cha vẫn ra ngoài để xem con chim.
Đã nhặt tất cả xương của tôi
Gói vào trong chiếc khăn bằng lụa
Đem chôn dưới gốc cây đỗ tùng.
Kywitt, kywitt- Tôi là con chim xinh đẹp!
Chim vừa hót vừa thả dây chuyền vàng xuống. Sợi dây chuyền vàng rơi lồng vào đúng cổ của người cha rất vừa vặn. Ông đi vào nhà và nói:
- Bà xem này, đây là dây chuyền vàng mà con chim xinh đẹp cho tôi. Nom có đẹp biết bao.
Người mẹ kế khiếp sợ, ngã lăn ra đất, mũ rơi ra. Tiếp đó chim lại hót:
Mẹ kế của tôi làm thịt tôi.
Mẹ kế nói:
- Ối, tôi mong mình đang ở dưới đất sâu hàng ngàn sải tay (lối đo của người xưa) để không phải nghe lời than vãn kia!
Cha tôi đã ăn hết tôi.
Người mẹ kế nằm ngây người ra như đã chết vậy.
Em gái tôi là Marleenken.
Marleenken nói:
- Ôi con cũng phải ra khỏi nhà, xem chim có cho con gì không!
Nói rồi cô ra đi.
Đã nhặt tất cả xương tôi
Gói vào trong chiếc khăn bằng lụa
Chim tung đôi giầy đỏ xuống cho cô em gái.
Đem chôn dưới gốc cây đỗ tùng.
Kywitt, kywitt - Tôi là con chim xinh đẹp!
Marleenken cảm thấy hết sức vui mừng. Cô đi đôi giầy đỏ vào rồi nhảy nhót. Cô nói:
- Ôi khi con bước ra cửa, lòng nặng trĩu, còn bây giờ lòng thấy dễ chịu. Đó là một con chim kỳ lạ. Nó cho con một đôi giầy đỏ.Bà mẹ kế chồm dậy, tóc dựng đứng lòng như lửa cháy, bà nói:
- Tôi cảm thấy như trời sắp sập tới nơi rồi. Tôi cũng ra xem sao cho dễ chịu một chút!
Khi bà ta khỏi cửa, chim ném hòn đá mài xuống đầu bà ta. "Rầm" một tiếng, bà ta chỉ còn là một đống thịt bầy nhầy. Sau khi nghe tiếng động ấy, người cha và Marleenken vội chạy ra thì chỉ thấy khói và lửa. Khói lửa tan đi thì người anh trai của Marleenken đang đứng ở đấy. Cậu bé cầm lấy tay của cha và Marleenken, rồi cả ba nắm tay nhau vui vẻ bước vào trong nhà, tới bàn để cùng ăn.

Dịch: Lương Văn Hồng, © Lương Văn Hồng




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.