NEDERLANDS

De gouden vogel

TÜRKÇE

Altın Kuş


In oeroude tijden was er eens een koning. Hij had een prachtig park achter zijn slot, en daar stond een boom in, die gouden appels droeg. Wanneer de appels rijp waren, werden ze geteld. Maar de volgende morgen ontbrak er één. Men meldde het de koning, en hij gaf bevel, dat er voortaan elke nacht onder de boom de wacht zou worden gehouden. Nu had de koning drie zonen. De oudste zond hij met 't vallen van de avond naar de tuin. Maar toen het middernacht was geworden, kon hij niet meer van de slaap, en – de volgende morgen was er weer een appel weg. De volgende nacht moest de tweede zoon waken; maar het ging hem niet beter: toen het twaalf uur was, sliep hij in, en 's morgens ontbrak er weer een appel. Nu was de beurt aan de derde zoon, om de wacht te houden. Hij wilde wel, maar de koning vertrouwde hem niet erg, en hij dacht dat hij nog minder zou uitrichten dan zijn broers: maar toch stond hij het hem toe. Dus ging de jongen onder de boom liggen, bleef wakker en liet de slaap niet baas worden over hem. Het sloeg twaalf uur – er ruiste wat door de lucht – en hij zag in de maneschijn een vogel aan komen vliegen, en z'n veren glansden van goud. De vogel zette zich op een tak en juist had hij een appel beet, toen de jongen een pijl op hem afschoot. De vogel ontsnapte, maar de pijl had wel doel getroffen, en één van zijn gouden veren had hij verloren. De jongen raapte die op, bracht hem 's morgens naar de koning en vertelde wat hij 's nachts had gezien. De koning riep zijn raad bijeen, en ieder vond, dat zo'n veer meer waard was dan het hele koninkrijk. "Als de veer zo kostbaar is," verklaarde de koning, "dan wil ik ook de vogel hebben."

Nu ging de oudste zoon op weg, vertrouwde op zijn slimheid en dacht dat hij die gouden vogel vast wel vinden zou. Hij liep een poosje, zag aan de rand van 't bos een vos zitten, legde z'n geweer aan en mikte. De vos riep: "Niet schieten, ik zal je een goede raad geven. Je bent op zoek naar de gouden vogel. Vanavond kom je in een dorp. Daar zijn twee herbergen, tegenover elkaar. In de ene is alles licht, daar gaat 't vrolijk toe: maar ga daar niet naar binnen, maar ga naar de andere die gesloten is en er niet zo goed uitziet." - "Hoe kan zo'n dier me nu een goede raad geven," dacht de prins, en hij schoot, maar hij schoot mis, de vos strekte z'n staart en liep weg. Maar de jongen liep verder, tot hij 's avonds in 't dorp kwam, waar de twee herbergen waren; in de ene werd gezongen en gesprongen, de andere zag er armzalig en saai uit. "Ik zou toch dwaas zijn," dacht hij, "als ik naar die onooglijke herberg ging!" en zo ging hij de vrolijke binnen, leefde daar in weelde en plezier; en hij vergat de gouden vogel, zijn vader, en alle goeds dat hij geleerd had.

Toen er een tijd voorbij was en de oudste zoon altijd en altijd maar weg bleef, toen ging de tweede zoon op weg en wilde ook de gouden vogel zoeken. Net als bij de oudste zag hij de vos; die gaf hem goede raad en hij gaf er niet om. Hij kwam bij de twee herbergen, waar zijn broer aan 't venster stond van die waar zang en dans uitklonk, hij ging naar binnen en leefde voor weelde en plezier.

Weer ging er een tijd voorbij, toen wou de jongste zoon gaan trekken en zijn geluk beproeven. Maar dat wilde de vader niet. "Het is hem niet kwalijk te nemen," zei de vader, "maar de gouden vogel zal hij heus niet vinden, en als hem een ongeluk overkomt, dan weet hij zich niet te redden; hij is de jongste." Maar tenslotte, de jongen liet hem niet met rust – gaf hij zijn toestemming en de jongste trok ook weg. Aan de rand van het bos zat weer de vos, die vroeg om niet te schieten, in ruil voor goede raad. De jongen was goedig en zei: "Stil maar, vosje, ik doe je niks." - "Dat zal je niet berouwen," zei de vos, "en als je nu gauw verder wilt, kom dan maar achter op mijn staart." En pas was hij daarop gaan zitten, of de vos begon te draven, en het ging over stok en steen, zodat zijn haren floten in de wind. Toen ze in het dorp kwamen, ging de jongen eraf, volgde de goede raad, en nam zonder dralen z'n intrek in de armelijke herberg, waar hij rustig overnachtte. De volgende morgen kwam hij buiten, daar zat de vos al en zei: "Nu zal ik je verder zeggen wat je doen moet. Ga aldoor maar recht toe, recht aan. Eindelijk kom je bij een slot. Een massa soldaten ligt ervoor. Bekommer je daar niet om; ze slapen en ze snurken. Ga er middendoor, recht het slot in; alle kamers door. Tenslotte zal je in een kamer komen, waar, in een houten kooi, een gouden vogel hangt. Daar staat een lege kooi naast, een pronkkooi. Maar pas op: neem niet de gouden vogel uit z'n houten kooi om hem in die gouden kooi te zetten, want dan zou het slecht met je aflopen." Meteen stak de vos zijn staart weer uit, en de prins ging erop zitten: daar ging het weer voort over stok en steen, zodat zijn haren floten in de wind. Toen hij bij 't slot was gekomen, vond hij alles wat de vos had voorspeld, en hij kwam in de kamer waar de gouden vogel zat in een houten kooi, met de mooie gouden kooi ernaast; en de drie gouden appels lagen zo in de kamer. Hij vond echter dat het dwaas was, als hij die mooie vogel in zo'n houten kooi liet zitten, hij deed het deurtje open, pakte het dier beet en zette hem in de gouden kooi. Op dat ogenblik liet de vogel een doordringende schreeuw horen. De soldaten werden wakker, ze vielen 't kasteel binnen en sleepten hem in de kerker. De volgende morgen werd hij voor 't gerecht gevoerd, en, toen hij alles bekende, ter dood veroordeeld. Maar nu zei de koning: onder één voorwaarde schonk hij hem genade: als hij het gouden paard bereed dat sneller liep dan de wind, dan zou hij bovendien nog de gouden vogel krijgen als beloning.

De prins ging op weg, zuchtend en bedrukt, want waar moest hij 't gouden paard vinden? Daar zag hij opeens zijn oude vriend de vos aan de rand van de weg zitten. "Zie je nu wel," zei de vos, "dat komt ervan, dat je niet gedaan hebt wat ik zei. Maar je moet niet bij de pakken neerzitten. Ik zal je helpen om naar 't gouden paard te komen. Ga maar recht toe recht aan, dan kom je bij een kasteel. In de stal staat het paard. Vóór de stal liggen soldaten, slapend en snurkend, en je kunt het gouden paard aan de teugel naar buiten brengen. Maar je moet op één ding letten: leg hem het gewone zadel op, van hout en leer; en pak vooral niet het gouden zadel, dat ernaast hangt, want het zou je slecht vergaan." Daarna stak de vos zijn staart weer uit, de koningszoon ging op de staart zitten en voort ging het, over stok en steen, zodat zijn haren floten in de wind. Alles gebeurde zoals de vos gezegd had. Hij kwam in de stal, waarin het gouden paard stond. Maar toen hij het gewone zadel wou opleggen, dacht hij: "Het is toch erg, om zo'n prachtig dier niet dat prachtige gouden zadel op te leggen; dat komt het dier toe." Maar pas had het gouden zadel 't paard aangeraakt, of het dier begon luid te hinniken. De stalknechts werden wakker, grepen de prins beet en wierpen hem in de gevangenis. De volgende morgen werd hij ter dood veroordeeld, maar toch gaf de koning hem genade, en het gouden paard bovendien – als hij kans zag, om de mooie prinses uit het gouden slot te verlossen.

Bedrukt ging de prins op weg. Maar gelukkig, daar was de trouwe vos weer. "Ik moest je eigenlijk aan je lot overlaten," zei de vos, "maar ik heb medelijden met je; en nog één enkele maal zal ik je helpen. Je kunt recht toe recht aan naar het gouden slot gaan. Daar kom je 's avonds, 's Nachts, als alles stil is, gaat de mooie prinses naar 't badhuis, om te baden. Op 't ogenblik dat zij daar binnengaat, spring je op haar toe en kust haar, dan volgt ze je vanzelf, en dan kan je haar meenemen; maar één ding: je staat niet toe dat ze eerst afscheid neemt van haar ouders, want dan zal het slecht met je aflopen!" De vos strekte z'n staart recht, de prins ging erop zitten, en voort vlogen ze over stok en steen, zodat zijn haren floten in de wind. Hij bereikte zo het gouden slot en 't gebeurde zoals de vos had gezegd. Hij bleef wachten tot middernacht. Alles lag in diepe slaap. Maar de prinses ging naar het badhuis en op dat ogenblik sprong hij te voorschijn en kuste haar. Ze wilde graag met hem meegaan. Maar ze smeekte, onder hete tranen, dat hij haar toe zou staan, eerst afscheid te nemen van haar ouders. Hij gaf niet toe, maar ze schreide en eindelijk viel ze aan zijn voeten, en toen kon hij 't niet langer weerstaan. Maar pas was de prinses aan haar vaders bed gekomen, of hij werd wakker, met ieder die in 't slot verbleef, en de prins werd gepakt en opgesloten.

De volgende morgen sprak de koning tegen hem: "Je hebt je leven verbeurd, en je kunt alleen genade krijgen, als je de berg afgraaft, die voor mijn venster ligt en mij het uitzicht beneemt, en dat moet binnen acht dagen gebeuren. Lukt dat, dan kun je mijn dochter krijgen als beloning." De prins begon eraan, groef en schepte zonder ophouden, maar toen hij na zeven dagen zag, hoe weinig hij had uitgericht, en dat al dat werk nog nauwelijks iets geholpen had, gaf hij alle hoop op. De avond van de zevende dag kwam de vos eraan. Hij zei: "Je verdient niet, dat ik nog iets voor je doe, maar ga nu maar slapen. Ik zal het werk voor je doen." De volgende morgen werd hij wakker, en toen hij naar buiten keek, was de hele berg weg. Vol vreugde ijlde de prins naar de koning en meldde hem, dat de voorwaarde vervuld was; en of de koning wilde of niet, hij moest zijn woord gestand doen en zijn dochter ten huwelijk geven.

Nu trokken ze allebei samen weg, en het duurde niet lang, of daar kwam de trouwe vos. "Het beste heb je al," zei de vos, "maar bij de prinses van het gouden slot hoort nog het gouden paard." - "Hoe krijg ik dat nog?" vroeg de jonkman. "Ik zal het je zeggen," zei de vos. "Eerst moetje naar de koning, die je naar 't gouden slot heeft gestuurd, de prinses brengen. Daar zijn ze dan zo blij mee, dat ze je 't gouden paard graag afstaan en het naar je toe zullen brengen. Ga er dan meteen op, reik ieder de hand ten afscheid, de prinses het allerlaatste, en als je haar hand vast hebt, trek haar dan met één zwaai voorop het paard en geef je paard de sporen: niemand kan je inhalen, want dat paard loopt vlugger dan de wind!" Alles werd gelukkig ten einde gebracht. De prins reed met de prinses op het gouden paard weg. Maar de vos bleef niet achter en zei tegen de jonkman: "Nu zal ik je tenslotte nog aan de gouden vogel helpen. Als je vlak bij het kasteel gekomen bent, laat dan de prinses afstijgen. Ik zal zolang op haar passen. Rij dan, op het gouden paard, naar het slotplein. Zodra ze het zien, zullen ze zich bijzonder blij tonen, en ze zullen je de gouden vogel buiten brengen. Zodra je de kooi in de hand hebt, snel dan naar ons terug, en haal de prinses weer af." Alles lukte, en toen de prins met zijn schatten weer naar huis wou rijden, zei de vos: "Nu moetje mij voor al mijn hulp ook belonen." - "Wat moetje ervoor hebben?" vroeg de jongen. "Als we in het bos komen," zei de vos, "schiet me dan dood, en sla mij m'n kop en m'n poten af." - "Een mooie dank," zei de prins, "dat kan ik je onmogelijk aandoen." De vos zei: "Als je het niet wilt, dan moet ik je nu verlaten; maar voor ik wegga, zal ik je nog een goede raad geven. Je moet twee dingen vermijden. Koop geen galgenvlees, en ga nooit op de rand van een bron zitten." Toen liep hij het bos in.

De jonge prins dacht: "Wat een vreemd dier is dat, en wat heeft hij een eigenaardige grillen. Wie zal er nu galgenvlees gaan kopen! En nooit in mijn leven heb ik het denkbeeld gehad, om op de rand van een bron te gaan zitten." Hij reed verder met de mooie prinses, en de weg leidde door een dorp, en het was juist dat, waar zijn beide broers waren gebleven. Er kwam een hele oploop en geschreeuw, en toen hij vroeg wat er dan aan de hand was, kreeg hij als antwpord: er zouden twee mensen worden opgehangen. Dichterbij gekomen zag hij, dat het zijn broers waren, want met al hun slimme streken hadden ze er ook al hun geld doorgejaagd. Hij vroeg of ze niet te bevrijden waren. "Ja als je hun schulden betalen wilt," zeiden de mensen, "maar waarom zou je je goeie geld geven voor die twee nietsnutten, en hen loskopen?" Maar hij bedacht zich geen ogenblik, maar betaalde hun schulden, en toen ze zo bevrijd waren, zetten ze de reis met z'n allen voort.

Nu kwamen ze bij het bos, waar ze de vos allemaal voor 't eerst hadden gezien. Het was er koel en heerlijk, omdat 't een hete zonnedag was; en de twee broers zeiden: "Laten we hier bij deze bron wat rusten en eten en drinken." Hij vond dat goed, en onder de maaltijd vergat hij alles en ging argeloos op de rand van de bron zitten, aan niets denkend, en zijn broers pakten hem beet en gooiden hem achterover de put in. En ze namen de prinses en het paard en de vogel en gingen met dat alles naar hun vader terug. "Hier brengen we u niet alleen de gouden vogel," zeiden ze, "maar bovendien het gouden paard en we hebben nog de prinses van 't gouden slot meegebracht bovendien." Grote vreugde in 't kasteel; maar het paard at niet, de vogel zong niet, en de prinses zat maar te huilen.

De jongste broer was evenwel niet dood. De bron was droog geweest, en hij was op zacht mos gevallen, zonder letsel te krijgen, alleen, hij kon er niet uit. Maar de trouwe vos had hem niet verlaten. Hij kwam naar beneden gesprongen en gaf hem een geweldige uitbrander, omdat hij zijn raad al weer in de wind had geslagen. "Maar ik kan het niet laten," zei hij, "ik zal je nog eens in 't daglicht helpen." En hij zei hem: "Pak nu mijn staart en hou je goed vast" en zo trok hij hem de hoogte in. "Nog ben je niet veilig," zei de vos weer, "je broers waren niet zeker van je dood, ze hebben het bos met wachters bezet, om je te doden, wanneer je nog levend rondliep." Nu zat er een bedelaar aan de weg. De prins ruilde met hem van kleren, en zo raakte hij spoedig thuis op zijn vaders slot. Niemand zag dat hij het was. Maar de vogel begon te zingen, het paard wilde weer eten en de mooie prinses droogde haar tranen. De koning vroeg verbaasd: "Wat betekent dat ineens?" Toen zei de prinses: "Ik weet 't niet - ik was bedroefd, en nu ben ik opeens zo opgewekt; alsof mijn eigen prins weer terug was." Nu vertelde ze alles wat er gebeurd was, hoewel de broers haar met de dood hadden bedreigd, als ze iets zou verraden. Nu liet de koning allen bij zich roepen, die in 't slot aanwezig waren. En zo kwam er ook een jonkman met lompen aan; maar de prinses herkende hem meteen en viel hem om de hals. De goddeloze broers werden gegrepen en gedood, en de jongste trouwde met de prinses en werd erfgenaam van 't koninkrijk.

En hoe was het met de arme vos gegaan? Lang daarna ging de zoon van de koning nog eens naar het bos; en hij kwam de vos weer tegen en die zei: "Nu heb jij alles watje maar wensen kunt, maar mijn ongeluk blijft maar duren. Toch heb jij het in je macht, mij te verlossen." En nog eens smeekte hij, hem neer te schieten en kop en poten af te hakken. Daarom deed hij het nu. En toen het gebeurd was, veranderde de vos zich in een mens, en dat was niemand anders dan de broer van de schone prinses; hij was nu eindelijk verlost van de betovering, die op hem had gelegen. Nu ontbrak er niets meer aan hun geluk, zolang zij leefden.
Bir zamanlar bir kral şatosunun arka kısmında güzel ve keyifli bir bahçe vardı. Bu bahçenin içinde elmaları altından olan bir ağaç bulunuyordu. Elmalar olgunlaştıkça sayıyorlardı; ne var ki, hemen ertesi sabah bir elma eksik çıkıyordu. Bunu krala haber verdiler. Kral her gece bu ağacın altında nöbet tutulmasını emretti. Kralın üç oğlu vardı; en büyüğünü gece gelen hırsızı yakalamak üzere bahçeye gönderdi. Ama gece yarısı olduğunda oğlan uykusuzluğa dayanamadı. Ve ertesi sabah ağaçta yine bir elma eksik çıktı. Öbür gece nöbeti ikinci oğlu devraldı, ama o da bu işin altından kalkamadı; saat on ikiyi çaldığında uyuyakaldı. Ve ertesi sabah yine bir elma eksik çıktı. Bu kez nöbet tutma sırası en küçük oğlana geldi; bu işe hazırdı. Ama kral ona pek güvenemedi; ağabeylerinin yapamadığını o da yapamaz diye düşünüyordu. Yine de sonunda razı oldu. Küçük oğlan ağacın altına geçerek nöbet tutmaya başladı ve uykuya teslim olmadı.
Saat on ikiyi çaldığında havada bir hışırtı duyuldu; oğlan ay ışığında kanatları altın gibi parlayan bir kuş gördü. Bu kuş ağaca kondu ve elmalardan birini gagalarken oğlan ona ok attı. Kuş uçuverdi, ama ok kanatlarından birini sıyırdı; yere altın bir tüy düştü. Oğlan o tüyü alarak ertesi sabah krala götürdü ve bir gece önce olanları anlattı. Kral danışmanlarını topladı; her biri bu tüyün tüm krallıktan daha da kıymetli olduğunu açıkladı. "Bu tüy o kadar kıymetliyse bana bir tanesi yetmez; kuşun kendisini isterim" dedi kral.
En büyük oğlan yola hazırlandı; kuşu bulacağını söylüyor ve bunun için zekâsına güveniyordu. Bir süre yol aldıktan sonra orman kenarında bir tilkinin yatmakta olduğunu gördü; silahını doğrultarak nişan aldı. Tilki: "Beni vurma da sana iyi bir öneride bulunayım. Sen altın kuşun peşindesin; bu akşam yolun bir köye düşecek; orada karşılıklı iki tane han göreceksin; biri ışıklarla donatılmış, cümbüşlü bir yer; ama oraya gitme, görünüşü kötü de olsa öbürüne git" dedi. "Böyle budala bir hayvan bana nasıl fikir verebilir ki!" diye düşünen prens tetiği çekti, ama tilkiyi vuramadı. Hayvan kuyruğunu uzunlamasına dikerek hemen ormana daldı. Kralın oğlu yoluna devam ederek akşama doğru iki hanın bulunduğu köye vardı. Birinde hoplayıp zıplayıp şarkı söylenmekteydi; öbürü dıştan bakıldığında dökülüyordu. "Güzeli dururken böyle berbat bir hana gitmek için aptal olmalıyım" diye düşündü. Ve cümbüşlü hana daldı. Vur patlasın çal oynasın, eğlenmeye başladı; kuşu, babasını ve tilkinin önerilerini unutuverdi.
Aradan bir hayli zaman geçip de büyük oğlan dönmeyince ortanca oğlan yola çıktı. Niyeti altın kuşu arayıp bulmaktı. O da büyük oğlan gibi, tilkiyle karşılaştı. Ancak onun verdiği önerilere kulak asmadı. O da iki hanın bulunduğu köye vardı. Birinin penceresi önünde ağabeyi oturmaktaydı; onca cümbüş arasında neşeli bir sesle kardeşine seslendi. Ortanca oğlan onu kıramayarak içeri daldı. O da şehvetli bir hayat sürmeye başladı.
Yine aradan çok zaman geçti; bu kez küçük oğlan şansını denemek istedi, ama babası izin vermek istemedi. "Boşuna uğraşacak; ağabeylerinin bulamadığı altın kuşu o nasıl bulacak ki! Başı belaya girse ne yapacağını bilmez. Hiç gitmese daha iyi" diye düşündü. Ama oğlanın ısrarı üzerine sonunda gitmesine razı oldu.
Orman kenarında oturup bekleyen tilki prensten canını bağışlamasını isteyerek karşılığında ona iyi bir öneri vaat etti. Küçük oğlan iyi kalpliydi ve uysaldı. "Merak etme tilkicik; sana bir kötülük yapmam" dedi. "Pişman olmayacaksın" diye cevap verdi tilki: "Çabuk yol alabilmen için kuyruğuma bin!" Oğlan onun kuyruğuna biner binmez hayvan yola çıktı. Az gittiler uz gittiler; dere tepe düz gittiler. O köye vardıklarında küçük oğlan tilkinin kuyruğundan indi ve onun önerisine uyarak ardına bile bakmaksızın kötü görünüşlü hana daldı. Geceyi orada sakin geçirdi. Ertesi sabah kıra çıktığında yine tilkiyi gördü. Hayvan: "Bundan sonra ne yapacağını söyleyeyim" dedi: "Hiçbir yere sapmadan dümdüz git; önünde bir sürü asker bulunan bir şatoya varacaksın; ama onlara aldırış etme, çünkü hepsi horul horul uyuyor olacak; sen aralarından geç, doğru şatoya git. Tüm koğuşları geç, sonunda bir odaya geleceksin; o odada tahta bir kafes içinde altın kuşu göreceksin. Onun yanında da çok şatafatlı altın bir kafes. Sakın kuşu tahta kafesten alıp da altın kafese koymaya kalkışma; yoksa başına iş açarsın!" Bu sözlerden sonra tilki kuyruğunu uzunlamasına dikti ve prens ata biner gibi bu kuyruğa bindi. Az gittiler uz gittiler; dere tepe düz gittiler.
Şatoya vardıklarında oğlan her şeyi tilkinin söylediği gibi buldu. Derken içinde altın kuşun bulunduğu odaya geldi; kuş tahta kafesteydi; onun yanında da içi boş, altın bir kafes vardı. 'Böyle bir kafes dururken bu güzel kuşu bu çirkin kafeste bırakmak gülünç olur' diye düşünerek tahta kafesin kapısını açıp kuşu alarak altın kafese koydu. Aynı anda kuş bir çığlık attı. Askerler uyandılar ve odaya üşüştüler, oğlanı yakalayıp hapse attılar. Ertesi sabah onu mahkemeye çıkardılar; oğlan yaptığını inkâr etmediği için ölüm cezasına çarpıldı. Ancak kral bir şartla onun hayatını bağışlayacağını söyledi; kendisine, rüzgârdan da hızlı koşan altın atı bulup getirebilirse altın kuşu da ona bırakacaktı.
Prens yola çıktı; ama ah vah edip duruyordu; canı sıkkındı; altın atı nerede bulacaktı ki? Derken eski dostu tilki çıktı karşısına: "Gördün mü, beni dinlemeyince başına ne işler geldi! Neyse, cesur ol; ben sana altın atı nasıl bulacağını söyleyeceğim" dedi. "Sen buradan dosdoğru git; karşına bir şato çıkacak; at oradaki ahırda. Ahırın önünde seyisler göreceksin; ama onlar horul horul uyumuş olacak; onlara aldırış etmeden altın atı alırsın. Ama bir şeye dikkat et: sırtına tahtadan ve meşinden yapılma eyeri bağla, yanında duran altın eyeri sakın kullanma; yoksa başına iş açarsın!"
Böyle diyen tilki kuyruğunu uzunlamasına dikleştirerek oğlanı üstüne bindirdi; az gittiler uz gittiler; dere tepe düz gittiler. Her şey tilkinin dediği gibi oldu. Oğlan altın atın bulunduğu ahıra geldi. Eski eyeri bağlamadan önce böyle güzel bir hayvana iyi bir eyer bağlamamak yazık olur diye düşündü. Tam yeni eğeri bağlarken hayvan kişnemeye başladı. Seyisler uyandı, oğlanı yakaladıkları gibi hapse attılar. Ertesi gün mahkemede ölüme mahkûm edildi. Ama kral kendisine altın şato kralının kızını getirdiği takdirde hayatını bağışlayacağına, hatta altın atı da ona bırakacağına söz verdi.
Oğlan üzgün bir şekilde yola çıktı; şansı yaver gittiği için çok geçmeden o sadık tilkiyle karşılaştı. "Başının çaresine kendin bak diyeceğim, ama sana acıdım; bir kez daha yardım edeceğim" dedi hayvan. "Dümdüz gidersen akşama doğru altın şatoyu bulursun; her şey sakinken sen kralın kızının yıkandığı hamama girersin. Kız oraya yıkanmaya geldiğinde hemen üzerine atılıp ona bir öpücük verirsin; o zaman senin peşinden gelecektir; sen de onu alır kaçırırsın. Ama sakın onun anne ve babasıyla görüşmesine izin verme, yoksa başın belaya girer!"
Böyle diyen tilki kuyruğunu uzunlamasına dikleştirdikten sonra oğlanı üzerine bindirdi. Az gittiler uz gittiler; dere tepe düz gittiler. Altın şatoya vardıklarında her şey tilkinin dediği gibi oldu. Oğlan gece yarısına kadar bekledi; herkes uykuya daldıktan sonra yıkanmak için hamama gelen kızın üzerine atılarak ona bir öpücük kondurdu. Kız onunla gelmeye razı oluverdi, ama oradan ayrılmadan önce anne ve babasıyla vedalaşmak için ağlayıp yakardı. Oğlan önce onun ricalarına karşı geldi, ama kız durmadan ağlayarak onun dizlerine kapanınca razı oluverdi. Genç kız tam babasının yatağına yaklaşmışken adam uyanıverdi; şatodaki herkes uyandı. Oğlan yakalanarak hapse atıldı.
Ertesi sabah kral ona: "Yaşama hakkını kaybettin, ama penceremin önündeki şu dağ benim görüşümü daraltıyor; onu ortadan kaldırabilirsen seni bağışlarım. Sekiz gün içinde bunu başarabilirsen ödül olarak kızımı sana veririm" dedi.
Oğlan hiç durmadan dağı kazarak küreklemeye başladı; ama yedi gün sonra baktı, o kadar az taş toprak atmıştı ki, sanki hiçbir şey yapmamıştı. Büyük bir üzüntüye kapılarak umudunu yitirdi. Yedinci günün akşamı tilki çıkageldi ve dedi ki: "Senin işini ben göreyim, ama aslında bunu hak etmedin; neyse, hadi git uyu biraz; senin işini ben yapacağım."
Ertesi sabah oğlan uyandığında pencereden baktı, dağ ortadan kalkmıştı. Sevinç içinde hemen krala koştu ve koşulları yerine getirdiğini bildirdi. Kral ister istemez sözünü tutmak zorunda kaldı ve kızını ona verdi.
İkisi birlikte yola çıktılar; aradan çok geçmedi, tilki yine çıkageldi. "En iyisini yaptın, ama altın şatonun kızına altın at yakışır" dedi. "Onu nasıl bulacağım?" diye sordu oğlan. "Söyleyeyim" dedi tilki. "Önce seni altın şatoya gönderen krala şu güzel kızı götür. O çok sevinecek ve sana altın atı seve seve verecek, sonra da ona binip gitmeni isteyecektir. Ata biner binmez herkesle tokalaşarak vedalaşırsın; en son kızın elini sıkarken onu bir hamlede atma çeker ve birlikte oradan kaçarsınız. Kimse seni yakalayamaz, çünkü at rüzgârdan da hızlıdır."
Her şey yolunda gitti ve oğlan genç kızı altın atına attığı gibi kaçırdı. Tilki onun peşini bırakmadı ve "Şimdi sana altın kuşu alabilmen için yardım edeceğim" dedi: "O kuşun bulunduğu şatoya varınca kızı attan indir; ben ona göz kulak olurum. Sen altın atınla şatonun avlusuna girersin; önce herkes sevinecek ve altın kuşu sana getirecekler. Kafesi eline alır almaz oradan uzaklaşarak bizim olduğumuz yere gelirsin ve kızı da alırsın."
Bu söylenenler yerine getirildi; oğlan elindeki hazineyle eve dönmeden önce tilki: "Şimdi beni ödüllendirmeksin" dedi. "Dile benden ne dilersen?" diye sordu oğlan. "Ormana gelince beni öldür, kellemi vücudumdan ayır" dedi tilki. "Bu nasıl ödüllendirme! İmkânı yok, yapamam!" diye cevap verdi oğlan. Tilki "Bunu yapmazsan seni terk ederim. Ama buradan gitmeden önce sana yine iyi bir öneride bulunacağım. İki şeyden uzak dur: Asılmış adamın etini satın almaya kalkışma! Kuyu kenarına da sakın oturma!" diyerek ormana daldı.
Oğlan: "Bu çok acayip bir hayvan; et zevkine de diyecek yok! Kim böyle bir et satın alıp yemek ister ki! Kuyu kenarına oturmak da aklımın köşesinden geçmez" diye düşündü. Ve güzel kızla birlikte yoluna devam etti. Derken ağabeylerinin bulunduğu köye vardı. Orada büyük bir karmaşa vardı; ne oluyor diye sorduğunda iki kişinin asılacağı cevabını aldı. Daha yaklaşınca bu iki kişinin kendi ağabeyleri olduğunu gördü. Tüm paralarını yiyip bitirdikleri gibi herkesi de dolandırmışlardı. Onların serbest bırakılıp bırakılamayacağını sorduğunda: "Karşılığında para ödenmesi gerekir. Ama böyle kötü adamları neden paranla satın alıp serbest bırakacaksın ki?" diye cevap aldı. Oğlan hiç fazla düşünmedi ve onların serbest bırakılması için istenen parayı ödedi. Sonra hep birlikte yola koyuldular.
Tilkiyle ilk karşılaştıkları ormana geldiler; orası çok hoştu ve serindi; oysa dışarıda güneş insanı cayır cayır yakıyordu. Ağabeyleri "Şu kuyu başında biraz dinlenelim, biraz yiyip içelim" dedi. Küçük oğlan razı oldu ve aralarında konuşurken farkında olmadan kuyunun kenarına oturdu ve aklına hiç kötü bir şey gelmedi. Ama ağabeyleri onu kuyuya itiverdi; genç kızı, atı ve kuşu alıp babalarının sarayına döndüler. "Sana sadece altın kuşu değil, altın at ve altın şatonun kızını da getirdik" dediler.
Kral çok sevindi. Ama at yemeden içmeden kesildi; kuş ötmez oldu ve genç kız hep oturup ağladı.
En küçük oğlan aslında ölmemişti. Şansına kuyu kuruduğu için yara almadan hafif bir bataklığa düşmüştü, ama yukarı çıkamıyordu. Bu durumdayken bile sadık tilki onu terk etmedi; kuyuya atlayarak onun yanına geldi ve önerilerini dinlemediği için ona sitem etti: "Dayanamadım, seni yine gün ışığına çıkaracağım" diye ekledi. Ve kuyruğunu sımsıkı tutmasını söyledikten sonra oğlanı kuyudan çıkardı. "Henüz tehlikeden kurtulmuş değilsin. Ağabeylerin senin öldüğünden emin değiller. Her tarafa nöbetçileri saldılar, seni görürlerse öldürecekler" dedi.
Derken karşılarına fakir bir adam çıktı; oğlan giysilerini onunkiyle değiştirdi, böylece saraya girebildi. Kimse onu tanımadı, ama kuş ötmeye, at yem yemeye başladı; genç kız da ağlamayı kesti. "Bu ne demek oluyor?" diye sordu kral, çok şaşırmıştı. Bunun üzerine genç kız, "Bilmiyorum, şimdiye kadar çok üzgündüm, ama şimdi o kadar sevinçliyim ki! Sanki benim gerçek sevgilim gelmiş gibi" diye cevap verdi. Ve tüm olan bitenleri anlattı; oysa öbür kardeşler onu, kendilerini ele verdiği takdirde ölümle tehdit etmişti. Kral şatosunda bulunan herkesi topladı; bu arada en küçük oğlu fakir adam kılığında çıkageldi; ancak genç kız onu hemen tanıyarak boynuna atıldı. İmansız kardeşler tutuklanarak ölümle cezalandırıldı; küçük oğlansa genç kızla evlenerek tahtın varisi oldu.
Bu arada zavallı tilkiye ne mi oldu? Uzun bir süre sonra prens yine ormana gitti. Orada karşısına çıkan tilki ona, "Şimdi istediğin her şeye sahip oldun; oysa benim şanssızlığım hâlâ devam ediyor; beni kurtarmak senin elinde" dedi. Ve yine kendisini öldürmesi, sonra da kellesini vücudundan ayırması için yalvardı yakardı. Oğlan, söyleneni yaptı; bunu yapar yapmaz tilki bir insana dönüştü. Bu güzel prensesin erkek kardeşinden başka kimse değildi. Sonunda kendisine yapılan büyüden kurtulmuştu.
İşte o günden sonra ömürlerinin sonuna kadar hep birlikte mutlu yaşadılar.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.