NEDERLANDS

Frieder en Katherliesje

MAGYAR

A Fergyó meg a Katóca


Er was eens een man die Frieder heette en een vrouw die heette Katherliesje. Zij waren met elkaar getrouwd en leefden samen als jong paar. Op een dag sprak Frieder: "Ik ga nu naar het land, Katherliesje, als ik terugkom moet er gebraden vlees op tafel staan voor de honger en een frisse dronk erbij voor de dorst." - "Ga maar, Friedertje," antwoordde Katherlies, "ga maar, het komt in orde." Toen het nu etenstijd werd haalde zij een worst uit de schoorsteen, legde die in een braadpan, deed er boter bij en zette hem op het vuur. De worst begon te braden en te sissen en Katherliesje stond erbij, hield de steel van de pan vast en liet haar gedachten de vrije loop. Toen bedacht zij: terwijl de worst gaar wordt zou ik in de kelder de drank wel kunnen gaan tappen. Zij zette dus de steel van de pan vast, nam een kan, ging de kelder in en tapte bier. Het bier liep in de kan en Katherliesje keek toe; toen bedacht zij: Jeminee, de hond is boven en hij ligt niet vast, die zou de worst wel eens uit de pan kunnen halen, dat zou mij wat zijn! En in een ommezien was zij de keldertrap op, maar Kees had de worst al in zijn bek en sleepte die over de grond met zich mee. Maar Katherliesje, ook niet lui, zette hem na en achtervolgde hem een flink eind het veld in; maar de hond was sneller dan Katherliesje en hij liet de worst niet los doch liet hem over de akker achter zich aan huppelen. "Weg is weg," sprak Katherliesje, keerde om en daar zij moe was geworden van het harde lopen, liep zij lekker langzaam om af te koelen. Al die tijd bleef het bier steeds maar uit het vat lopen want Katherliesje had de kraan niet dichtgedraaid en toen de kan vol was en er verder geen ruimte meer was, liep het bier de kelder in en hield niet op voordat het hele vat leeg was. Katherliesje zag het ongeluk al op de trap. "Welverdraaid," riep zij, "hoe moet ik het nu aanleggen dat Frieder het niet merkt." Zij dacht een poosje na en eindelijk viel haar in dat er van de laatste jaarmarkt nog een zak mooi tarwemeel op zolder stond, die zou zij naar beneden halen en in het bier uitstrooien. "Ja," sprak zij, "wie wat bewaart, die heeft wat als de nood aan de man komt," en zij klom naar de zolder, droeg de zak naar beneden en wierp die boven op de kan met bier zodat die omviel en Frieder's dronk ook in de kelder ronddreef. "Zo is het goed," sprak Katherliesje, "waar het ene is mag het andere niet ontbreken," en zij strooide het meel over de hele kelder uit. Toen zij klaar was, was zij opgetogen over haar werk en zei: "Wat ziet het er hier schoon en fris uit."

Om twaalf uur kwam Frieder thuis. "Wel vrouw, wat heb je voor me klaargemaakt?" - "Och, Friedertje," antwoordde zij, "ik wilde een worst voor je braden, maar terwijl ik bier tapte heeft de hond hem uit de pan weggenomen en terwijl ik de hond achterna zat, is het vat met bier leeggelopen en toen ik het bier met tarwemeel wilde opdrogen heb ik de kan ook nog omgegooid; maar wees maar kalm, de kelder is weer helemaal droog." Frieder sprak: "Katherliesje, Katherliesje, dat had je niet moeten doen! Dat laat me de worst wegpakken en het bier uit het vat lopen en vermorst bovendien nog ons fijne meel!" - "Ja, Friedertje, dat wist ik niet, dat had je dan moeten zeggen."

De man dacht: als het zo met je vrouw gesteld is, moet je betere voorzorgsmaatregelen nemen. Nu had hij een aardig sommetje daalders bij elkaar gespaard die hij in goud omwisselde en hij zei tegen Katherliesje: "Kijk eens, dit zijn gele speelmunten, ik zal ze in een pot doen en in de stal onder de krib van de koe begraven - maar je komt er niet aan, anders zal het je slecht vergaan." Zij sprak: "Nee Friedertje, dat zal ik heus niet doen." Maar toen Frieder weg was kwamen er marskramers in het dorp die aardewerken potten en pannen te koop hadden en zij vroegen de jonge vrouw of zij iets wilde kopen. "Och, beste mensen," sprak Katherliesje, "ik heb geen geld en ik kan niets kopen, maar als jullie gele speelmunten kunt gebruiken, dan wil ik wel wat kopen." - "Gele speelmunten, waarom niet? Laat ze maar eens zien." - "Dan moeten jullie naar de stal gaan en onder de krib van de koe graven, dan vinden jullie de gele speelmunten, ik mag er niet in de buurt komen." De spitsboeven gingen erheen, groeven en vonden puur goud. Zij gingen ermee vandoor en lieten de potten en pannen in het huis achter. Katherliesje vond dat zij het nieuwe keukengerei nu ook moest gebruiken maar aangezien daar in de keuken helemaal geen gebrek aan was, sloeg zij de bodem uit iedere pot en zette ze allemaal als versiering op de palen van het hek rondom het huis. Toen Frieder thuiskwam en de nieuwe versiering zag, zei hij: "Katherliesje, wat heb je gedaan?" - "Dat heb ik gekocht, Friedertje, voor die gele speelmunten die onder de krib van de koe zaten; ik ben er niet naartoe gegaan, de marskramers hebben het zelf moeten opgraven." - "Och vrouw," sprak Frieder, "wat heb je gedaan! Dat waren geen speelmunten, het was zuiver goud en het was ons hele vermogen; dat had je niet moeten doen." - "Ja, Friedertje," antwoordde zij, "dat wist ik niet, dat had je mij dan van tevoren moeten zeggen."

Katherliesje stond een poosje na te denken, toe sprak zij: "Luister eens, Friedertje, dat goud krijgen wij wel weer terug, laten wij achter die dieven aangaan." - "Kom dan maar," sprak Frieder, "wij zullen het proberen; maar neem boter en kaas mee, zodat wij onderweg wat te eten hebben!" - "Ja Friedertje, zal 't meenemen." Zij gingen vlug op weg en daar Frieder sneller ter been was liep Katherliesje een eind achter hem aan. Het is gunstig voor mij, dacht zij, want als wij omkeren dan ben ik een stuk voor. Toen kwam zij bij een berg waar aan beide zijden van de weg diepe karrensporen waren. "Nu zie je eens," sprak Katherliesje, "hoe zij die arme aarde verscheurd, geschonden en vertrapt hebben. Die wordt van zijn levensdagen niet meer heel." En uit medelijden nam zij de boter en bestreek daarmee rechts en links de wagensporen, opdat ze niet zo zouden worden platgedrukt door de wielen, maar toen zij bij haar barmhartige daad bukte, rolde een kaas uit haar zak de berg af. Sprak Katherliesje: "Ik ben die weg al eenmaal naar boven gegaan ik ga hem niet weer af, laat een ander er maar heenlopen om die kaas terug te halen." En dus nam zij een tweede kaas en liet die naar beneden rollen. De kazen kwamen echter niet terug en toen liet zij nog een derde kaas naar beneden rollen en dacht: misschien wachten ze op gezelschap en lopen ze liever niet alleen. Toen ze alle drie wegbleven sprak zij: "Ik weet niet wat dat moet betekenen, maar het kan zijn dat de derde de weg niet heeft gevonden en verdwaald is, ik zal de vierde maar sturen, dan kan die hem roepen." De vierde deed het echter niet beter dan de derde. Toen werd Katherliesje boos en wierp de vijfde en de zesde ook nog naar beneden en dat waren de laatste kazen! Zij bleef een tijdje staan wachten om te zien of ze nog zouden komen, maar toen ze maar niet terugkwamen sprak zij: "Jullie zouden goed zijn om de dood op te halen: jullie blijven mooi lang weg; dacht je soms dat ik nog langer op jullie wacht? Ik ga weg, je komt maar achter mij aan, jullie hebben jongere benen dan ik." Katherliesje ging weg en trof Frieder aan die stond te wachten, omdat hij graag iets wilde eten. "Kom, geef eens hier wat je hebt meegebracht." Zij bood hem het droge brood aan. "Waar is de boter en de kaas?" vroeg haar man. "Ach, Friedertje," zei Katherliesje, "met de boter heb ik de karrensporen ingesmeerd en de kazen zullen wel dadelijk komen; één liep er weg en toen heb ik de andere er achter aan gestuurd om hem te roepen." Sprak Frieder: "Dat had je niet moeten doen, Katherliesje, de boter aan de weg smeren en de kazen naar beneden rollen." - "Ja, Friedertje, dat had je mij dan moeten zeggen."

Toen aten zij samen het droge brood op en Frieder zei: "Katherliesje, heb je het huis wel afgesloten toen je wegging?" - "Nee, Friedertje, dat had je mij van tevoren moeten zeggen." - "Ga dan weer terug en sluit eerst het huis af voor wij verder gaan en breng ook iets anders te eten mee, ik zal hier op je wachten." Katherliesje ging terug en dacht: Friedertje wil iets anders te eten hebben, van boter en kaas houdt hij zeker niet, ik zal een doek met gedroogde appeltjes en een kruik azijn als drank meenemen. Toen grendelde zij de bovendeur maar de onderdeur tilde zij eruit, zette hem op haar schouders en zij dacht dat het hele huis veilig zou zijn, wanneer zij de deur in veiligheid had gebracht. Katherliesje haastte zich onderweg niet en dacht: des te langer rust Friedertje uit. Toen zij weer bij hem kwam sprak zij: "Kijk Friedertje, daar heb je de huisdeur, nu kan je zelf op het huis passen." - "Ach God," sprak hij, "ik heb me ook een slimme vrouw; wie neemt nu de onderdeur eruit zodat iedereen naar binnen kan en grendelt hem van boven af! Nu is het te laat om nog eens naar huis te gaan; maar je hebt zelf de deur hier gebracht, nu moet je hem ook maar zelf verder dragen." - "Ik zal de deur dragen, Friedertje, maar de gedroogde appeltjes en de kruik azijn worden mij te zwaar, die zal ik aan de deur ophangen, dan kan die ze dragen."

Zij liepen nu het bos in om de spitsboeven te zoeken maar zij vonden hen niet. Daar het tenslotte donker werd klommen zij in een boom om daar te overnachten. Maar nauwelijks zaten zij daarbovenin of daar kwamen van die kerels aan die wegslepen wat niet mee wil en dingen vinden vóór ze verloren zijn. Zij gingen precies onder de boom zitten waarin Frieder en Katherliesje zaten, zij maakten een vuur aan en wilden de buit gaan verdelen. Frieder klom aan de andere kant uit de boom en zocht stenen, klom daarmee weer naar boven en wilde de dieven doodgooien. De stenen raakten hen echter niet en de spitsboeven riepen: "Het wordt gauw morgen, de wind schudt de dennenappels uit de boom." Katherliesje had nog steeds de deur op haar schouder en omdat hij zo zwaar woog dacht zij dat dat de schuld was van de gedroogde appeltjes en zij sprak: "Friedertje ik ga die gedroogde appeltjes naar beneden gooien." - "Nee, Katherliesje, niet nu," antwoordde hij, "ze zouden ons kunnen verraden." - "Ach Friedertje, ik kan niet anders, ze worden mij te zwaar." - "Nu, voor de drommel, doe het dan." Toen rolden de gedroogde appeltjes tussen de takken door omlaag en die kerels daar beneden zeiden: "De vogels laten wat vallen." Een poosje later zei Katherliesje, daar de deur nog steeds te zwaar woog: "Ach, Friedertje, ik ga de azijn uitgieten." - "Nee, Katherliesje, dat mag je niet doen, het zou ons kunnen verraden." -"Ach, Friedertje, ik kan niet anders, die azijn is mij te zwaar." - "Nu, voor de drommel, doe het dan!" Toen goot zij de azijn uit zodat het die kerels bespatte. Zij spraken onder elkaar: "De dauw drupt al naar beneden." Tenslotte dacht Katherliesje: zou het soms die deur zijn die zo zwaar weegt? en zij sprak: "Friedertje, ik ga de deur naar beneden gooien." - "Nee, Katherliesje, niet nu, dat zou ons kunnen verraden." - "Ach Friedertje, ik kan niet anders. Hij drukt zo zwaar op mijn schouders." - "Nee Katherliesje, houd hem vast." - "Ach, Friedertje, ik laat hem vallen!" - "Welnu," antwoordde Frieder boos, "laat dan voor de duivel die deur vallen." Toen viel hij met veel geraas naar beneden en die kerels onderaan de boom riepen: "De duivel komt uit de boom," en zij smeerden hem en lieten alles in de steek. Toen die twee de volgende morgen uit de boom kwamen vonden zij al hun goud terug en brachten het naar huis.

Toen zij weer thuis waren, sprak Frieder: "Katherliesje, wees nu vlijtig en ga werken." - "Ja, Friedertje, zal het doen, zal met de sikkel het veld ingaan om te oogsten." Toen Katherliesje op het veld kwam zei zij tegen zichzelf: "Zal ik eten vóór ik ga snijden, of slapen vóór ik ga snijden? Kom, ik ga eerst eten." Toen at Katherliesje en werd tijdens het eten slaperig en toen begon zij te snijden en sneed half in droom al haar kleren kapot, haar schort, haar rok en haar hemd. Toen Katherliesje na een diepe slaap weer wakker werd, stond zij daar half naakt en zei tot zichzelf: "Ben ik het of ben ik het niet? Ach, ik ben het niet." Ondertussen werd het nacht en toen liep Katherliesje het dorp in, klopte aan het venster van haar man en riep: "Friedertje!" - "Wat is er?" -"Ik wilde graag weten of Katherliesje binnen is!" - "Ja, ja," antwoordde Frieder, "die zal binnen wel liggen slapen." En zij sprak: "Goed, dan ben ik zeker al thuis," en zij liep weg.

Daarbuiten kwam Katherliesje spitsboeven tegen die wilden gaan stelen. Toen ging zij naar hen toe en sprak: "Ik zal jullie helpen stelen." De boeven dachten dat zij de omgeving kenden en vonden het goed. Katherliesje ging voor de huizen staan en riep: "Mensen hebben jullie wat? Wij willen gaan stelen!" De boeven dachten: dat kan mij wat worden, en wilden wel dat zij Katherliesje weer kwijt waren. Toen zeiden zij tegen haar: "Buiten het dorp heeft de pastoor bieten op zijn akker staan, ga erheen en trek ze er voor ons uit." Katherliesje ging naar het land en begon bieten uit te trekken, maar ze was erg lui en richtte zich niet op. Toen kwam er een man voorbij die het zag en hij stond stil en dacht dat het de duivel was die zo in de wortelen zat te wroeten. Hij liep hard naar het dorp toe en sprak: "Mijnheer pastoor, op uw bietenveld zit de duivel de bieten uit te trekken." - "Ach God," antwoordde de pastoor, "ik heb een lamme voet en kan er niet heen om hem uit te bannen." Toen sprak de man: "Dan zal ik u op mijn rug nemen," en hij droeg hem erheen. En toen zij bij het land kwamen wilde Katherliesje juist weggaan en kwam overeind. "O, de duivel!" riep de pastoor en beiden renden weg en de pastoor kon door de grote angst met zijn lamme voet beter lopen dan de man die hem op zijn rug had gedragen met zijn beide gezonde benen.
Volt egyszer egy ember, János volt a neve; ennek felesége, Kati volt a neve. Mondja egyszer János:

- Hallod-e, Kati, megyek szántani, aztán estére legyen jó vacsora: kolbász s bor melléje. Értetted-e?

- Csak menjen kend, mondotta Kati, olyan vacsorával várom, hogy a király is megtörűlné utána a száját.

Elment János, Kati meg otthon maradott. Egész nap őgyelgett előre, hátra, aztán este felé neki készülődött a vacsorának. Egy nagy darab kolbászt belehajított a lábosba, s hogy elkezdett sisteregni, sustorogni, eszébe jut, hogy bor is kell ám. Uccú, ott hagyta a kolbászt a tűzhelyen, leszaladt a pincébe, csapra ütötte a hordót, az üveget alája tette. Csorgott a bor, már szinte tele is volt az üveg, az ám, de eszébe jut, hátha míg a bort ereszti, a kutya elviszi a kolbászt. Hopp! ott hagyja az üveget, szalad fel a konyhába s hát csakugyan jól sejtette: a kutya éppen szaladt a kolbásszal. Nosza, utána! Szaladt árkon-bokron át, kergette a kutyát, a falún keresztűl, a mezőre ki, még az erdőbe is ki, de szaladhatott, bezzeg nem érte utól. Úgy elfáradt, hogy a nyelve is kilógott, mit volt, mit nem tenni, megfordúlt, nagy lassan hazatámolygott. Útközben jut eszébe, hogy, jaj Istenem, eddig a bor mind elfolyt, mert a csapot nem zárta el. Haza ér, lemegy a pincébe s hát a pince földjén csakúgy folyt a bor: bokáig járt benne! Egy csepp nem sok, annyi sem maradt a hordóban.

- Jaj, Istenem, Istenem, mit csináljak? Mit mond az uram, ha ezt meglátja!? - kesergett, búcsálódott Kati.

Gondol ide, gondol oda, - hopp! megvan. Volt a pincében egy zsák búzaliszt, azzal szépen behintette a pince földjét.

- No lám, mondotta magában, de szép fehér, de szép tiszta most a pince földje! Tudom, megörűl János, ha ezt látja!

Jön haza este felé János s kérdi:

- No, Kati, mi ujság?

- Ó, lelkem uram, renyekedett Kati, kolbászt akartam sütni kiednek, de míg borért jártam, az alatt a kutya elvitte. Utána szaladtam, de az alatt meg a bor mind egy cseppig elfolyt. De ne búsúljon kelmed, mert a pince földjét a búzaliszttel behintettem s most olyan szép, olyan tiszta a pince, akárcsak egy kápolna!

- Kati, Kati, csóválta János a fejét, mikor jő meg az eszed? A kolbászt elviszi a kutya, a bort elfolyatod s az utolsó zsák lisztünkkel behinted a pince földjét. Ó, Kati, Kati!

- Ó, lelkem uram, hát mért nem mondta elébb, hogy mit kell tennem! - sápítozott a félkegyelmű asszony.

Gondolja magában János: ha az asszony ilyen félkegyelmű, mégis csak vigyázni kell, mert különben minden elpusztúl a háznál. Volt neki egy summácska pénze, azt aranyra váltatta s mondta Katinak:

- Né Kati, látod-e. Ezek sárga krajczárok. Beleteszem egy fazékba, kiviszem az istállóba, ott a hídlás alá elásom, de nehogy hozzá merj nyúlni, mert bizony mondom, megkeserűlöd.

- Hát én hogy nyúlnék hozzá! - fogadkozott Kati. - Mit gondol kelmed rólam?

Na, jó, János elásta az aranyait. Telt, múlt az idő, elment János hazúlról s a míg odajárt, beállít két ember Katihoz: fazekat, csuprot, tányért s mit árultak s kérdezték, hogy vesz-e?

- Vennék jó szívvel, - mondotta Kati, - de nincs pénzem. Hanem ha sárga krajcárt elfogadnak, akkor veszek.

- Sárga krajczár? Hadd lássuk!

- Menjenek az istállóba, ott van a hídlás alatt egy fazékban, nekem nem szabad oda mennem.

Hiszen egyéb sem kellett a huncfutoknak, mentek az istállóba, kiásták a fazekat s a tiszta színaranyat zsebrevágták, azzal elillantak, a sok fazekat, meg csuprot ott hagyták. Csak mikor a sok fazék ott maradt, akkor kezdett gondolkozni Kati, hogy hát mit is csinál velök, mert a konyhán volt elég. Mit gondolt, mit nem, valamennyi fazéknak kiütötte a fenekét s sorba felakasztotta a kerítésre, a lécekre s erősen tetszett neki, hogy a kerítést mennyire megszabja, szépíti az a sok fazék, meg csupor.

Haza jön János, látja a fazekakat, kérdi Katit:

- Mit csináltál, Kati?

- Én bizony, lelkem uram, fazekat vettem a sárga krajcárokért, de én nem mentem ám az istállóba, a fazekasok vették ki a hídlás alól s el is vitték.

- Ó, Kati, Kati, mit tettél! Hiszen az színarany volt mind. Ez volt az egész vagyonunk. No, ezt mégsem kellett volna tenned!

- Hát én azt nem tudtam, - mentegetődzött Kati - mért nem mondta kelmed?

No, búsultak, tűnődtek, most már mit csináljanak. Azt mondja Kati:

- Menjünk a tolvajok után. Hátha még utolérjük s megkapjuk az aranyunkat!

- Igazad van, - mondta János - gyerünk a tolvajok után. Tarisznyálj fel kenyeret, vajat, sajtot, hogy legyen mit együnk az úton.

Kati egy nagy tarisznyát tele rakott kenyérrel, vajjal, sajttal, aztán elindúltak. Elől ment János, Kati utána, hátán a tarisznya. Világ sűrű kincseért sem ment volna Kati elől, mert azt gondolta: ha megfordulnak, akkor ő lesz elől s azzal is kevesebbet kell mennie. Hej, de okos asszony volt Kati!

Na, mennek, mendegélnek, egy nagy hegy alá érkeznek, annak neki vágnak, elől János, hátúl Kati. Egyszer csak megáll Kati, nézi, nézi a kerékvágást jobbról, balról s elkezd magában tűnődni, sóhajtozni: - Istenem, Istenem, né hogy kettévágódott a föld s hogy össze-vissza van nyomkodva, - na, ez sem gyógyúl meg világéletében! Megsajnálta a földet s hogy ezentúl ne fájjon neki olyan erősen a keréknyomása, vajjal kikente a kerékvágás mind a két oldalát. Amint a kerékvágást kenegette, a tarisznyából kiesett egy sajt s hopp! gurult le a lejtőn, meg sem állott a hegy aljáig.

Mondja Kati:

- Na, én már egyszer megtettem ezt az útat, többet nem teszem meg, hadd menjen utána egy másik sajt s az hozza vissza!

Kivett egy sajtot a tarisznyából, utána gurította az elsőnek. De bizony a sajtok nem jöttek vissza s Kati utánuk lódított még egyet, hátha hárman, társaságban, szivesebben jőnek vissza. Hiszen várhatta, nem jöttek azok vissza.

- Ej, ej, - tűnődött Kati - hát ezeket mi lelte? Talán bizony a harmadik sajt elvesztette az útat s nem talált rájok? Na, utánuk küldöm a negyediket is.

Utána küldötte a negyediket, aztán az ötödiket, a hatodikat - ennél több nem volt. Várta, várta sokáig s merthogy nem jöttek vissza, ő bizony tovább eredt: nem bolond, hogy utánuk szaladjon!

Eközben János leült egy fa tövében, várta Katit, hogy jöjjön a tarisznyával, mert éhes volt erősen. Jön Kati nagy szuszogva, lihegve, leűl ő is János mellé.

- No, Kati, vedd elé a vajat s a sajtot, falatozzunk.

Vette volna, ha lett volna, de nem volt egyéb száraz kenyérnél.

- Hát a vaj s a sajt hová lett? - kérdé János.

- Ó, lelkem uram, a vajjal megkentem a kerékvágás mindakét oldalát, hátha akkor a kerék nem sérti olyan erősen. Egy sajt legurúlt a lejtőn, a többit utána küldöttem, mindjárt jönnek, lelkem Jánosom.

- Ó, Kati, ezt nem kellett volna tenned!

- Hát mért nem mondotta kigyelmed?

Ha nincs vaj, ha nincs sajt, jó a száraz kenyér is, neki láttak hát a száraz kenyérnek. Amint esznek, eddegélnek, mondja János:

- Ugyan bizony bezártad az ajtót, mikor eljöttünk?

- Nem biz' én, mert kelmed nem mondta.

- No, akkor csak szaladj haza, zárd be az ajtót, s hozz magaddal valami ennivalót.

Haza megy Kati s gondolja magában: - Az én uram bizonyosan nem szereti a sajtot, meg a vajat, majd viszek neki egy tarisznya kökényt s egy korsó ecetet. Az lesz csak a jó.

Tele rakta a tarisznyát kökénnyel, megtöltött egy korsót ecettel, aztán az ajtót kiemelte a sarkából s a vállára vette. Gondolta, ha magával viszi az ajtót, akkor azt senki ki nem nyithatja s be nem mehet a házba. Azzal elindúlt az ura után, de lassan ment, hogyne ment volna lassan, mikor alig birta az ajtót.

- No, sebaj, - gondolta magában - legalább kipihenheti magát az én lelkem Jánosom.

Hát csak ment, mendegélt, nagy szuszogással kiér a hegy tetejére s mondja roppant örvendezéssel Jánosnak:

- No, lelkem uram, itt az ajtó, elhoztam, most már maga is megőrizheti a házat.

- Ó, Kati, Kati, de okos asszony vagy te! - kiáltott fel János. - Most már csak az nem megy be a házba, a ki nem akar. Hát jó, ha már elhoztad, csak hozzad tovább is, vissza nem megyünk.

- Én igen, jó szívvel, - mondotta Kati - csak a tarisznyát, meg a korsót vigye kend, mert az nekem nagyon nehéz!

Elindúltak, mentek, mendegéltek, aztán erdőbe értek, ott keresték a tolvajokat, de nem találták. Eközben beesteledett, fáradtak voltak, álmosak is voltak, néztek erre, néztek arra, hogy hol tölthessék az éjszakát. Ők bizony felmásztak egy fenyőfára s ott szépen elhelyezkedtek. Alig helyezkednek el, jön egy sereg zsivány s éppen az alá a fa alá ülnek le, ahol János, meg Kati üldögélt, ott nagy tüzet raknak s azzal elészedik a mit tél-túl raboltak, hogy megosztozkodjanak rajta. Gondolja magában János: - Hiszen éppen jó helyre jöttetek, majd elbánok én veletek! Szép lassan leereszkedett a fa másik oldalán, a zsebjeit teleszedte kővel: majd azzal agyonveri a zsiványokat. Hát csakugyan egymásután dobálta le a köveket, de egyik sem talált. Megszólal egy zsivány:

- Ugy tetszik nekem, hogy nemsokára virrad, mert a szél hajigálja le a fenyő-almákat.

Ezalatt Kati folyton a vállán tartotta az ajtót, a nyakában a tarisznyát, a kezében a korsót s azt mondja Jánosnak:

- Hallod, lelkem uram, én nem tudom tovább tartani a kökényt, ledobálom.

- Ne, lelkem Katim, ne, mert még észre vesznek a zsiványok.

- Le kell dobnom, lelkem uram, nem bírom tartani tovább.

- Ördög vigye a dolgodat, hát csak dobjad.

Abban a szempillantásban elkezdett potyogni a kökény az ágak közt. Mondja egy zsivány:

- Úgy látszik, ez a fa tele van madárral, mert erősen potyogtatnak ránk.

Egy kevés idő múlva, merthogy erősen nyomta a vállát az ajtó, mondja Kati:

- Jaj, lelkem uram, ki kell öntenem az ecetet is, nem birom tovább.

- Ne öntsd ki, Kati, mert észre vesznek a zsiványok.

- De én nem tudom tovább tartani!

- Ördög vigye a dolgodat, hát öntsd ki!

Azzal kiöntötte az ecetet s az mind egy cseppig a zsiványokra csepegett.

- Esik a harmat, - szólalt meg egyik zsivány.

Egy kis idő múlva megint megszólal Kati:

- Az ajtó nyomná úgy a vállamat? Az lehetetlen! A biz'a mégis az lehet. Lelkem uram, ledobom az ajtót is.

- Ne dobd le, Kati, mert akkor csakugyan észrevesznek a zsiványok!

- Már én dobom, mert tovább nem birom.

- Hát dobjad, gyilkos teremtette, bánom is én!

Még ki sem mondta jóformán, már Kati eleresztette az ajtót, az meg szörnyű zuhanással, csörtetéssel lesuppant a zsiványokra. Hej, lett erre rettentő ijedelem!

- Az ördög, az ördög! - kiabáltak a zsiványok s szaladtak, mintha a szemüket vették volna.

Mikor aztán hírük, nyomuk sem maradt, János is, Kati is leszálltak a fáról, a tenger kincset, mit a fa alatt találtak, felszedték, haza vitték s attól kezdve úgy élt a két félkegyelmü, mint a hal a vízben. Még ma is élnek, ha meg nem haltak.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.