NEDERLANDS

Het zingende, springende leeuwerikje

ROMÂNĂ

Privighetoarea cea cantatoare si jucausa


Er was eens een man die een grote reis ging maken, en bij het afscheid vroeg hij aan alle drie zijn dochters, wat hij voor hen meebrengen moest. De oudste wilde parels, de tweede diamanten, maar de derde zei: "Vaderlief, ik wou zo graag een zingend, springend leeuwerikje." De vader zei: "Als ik het krijgen kan, breng ik het mee," en hij kuste hen alle drie en vertrok. Nu naderde de tijd dat hij weer naar huis terug ging, hij had al parels en diamanten gekocht voor de beide oudsten, maar het zingende, springende leeuwerikje voor de jongste had hij overal vergeefs gezocht, en dat speet hem, want zij was hem het liefst. De weg leidde door een bos, en middenin het bos was een prachtig slot, en vlakbij het slot stond een boom, en in de top van die boom zag hij een leeuwerikje dat zong en sprong. "Dat komt net op tijd," zei hij tevreden en hij riep zijn knecht, om de boom in te gaan en het beestje te vangen. Maar toen hij op de boom toeging, sprong onderaan een leeuw te voorschijn, schudde zijn manen en brulde, dat het blad van de boom ervan sidderde. "Wie mijn zingend en springend leeuwerikje stelen wil," riep hij, "die eet ik op!" Nu zei de man: "Maar ik wist niet dat het uw vogel was; ik zal mijn onrecht graag goedmaken en mij loskopen met baar goud, maar laat me graag leven." De leeuw zei: "Er is niets wat u redden kan, behalve wanneer u me dat belooft, wat u thuiskomend het eerst tegemoet komt; wilt u dat doen, dan schenk ik u 't leven en de vogel is bovendien voor uw dochter." Maar dat weigerde de reiziger en hij zei: "Het zou immers mijn jongste dochter kunnen zijn, die houdt ook 't meest van mij en loopt mij altijd tegemoet wanneer ik thuiskom." Maar de knecht werd bang en zei: "Moet het nu juist uw dochter zijn die u 't eerst ziet, 't kan immers de hond of de kat zijn." Zo liet de reiziger zich overhalen, en hij nam het zingende, springende leeuwerikje mee en beloofde dat de leeuw krijgen zou wat hem 't eerst tegemoet kwam, als hij thuis was.

Toen hij thuis kwam en binnentrad, was het eerste wat hem tegemoet kwam, niemand anders dan de jongste, liefste dochter: ze kwam aangelopen, kuste en liefkoosde hem, en toen ze zag dat hij een zingend, springend leeuwerikje had meegebracht, was ze buiten zichzelf van vreugde. Maar de vader kon niet blij zijn, maar hij begon te schreien en zie: "Kindlief, ik heb dat kleine vogeltje duur moeten betalen, ik heb daarvoor jou, mijn kind, moeten beloven aan een wilde leeuw, en als hij je in bezit heeft, zal hij je verscheuren en opeten" en hij vertelde haar, hoe dat alles gekomen was; en hij smeekte haar, niet te gaan, wat er ook gebeuren mocht. Maar zij troostte hem en zei: "Liefste vader, wat men belooft, moet men ook doen: ik zal er heengaan en die leeuw zal ik wel zachter stemmen, zodat ik weer bij u terug kan komen." De volgende morgen vroeg ze de weg, nam afscheid en ging rustig het bos in. De leeuw was evenwel een betoverde prins, overdag was hij een leeuw, en zijn hele gevolg werd leeuw met hem, maar 's nachts hadden ze hun gewone gestalte. Toen zij aankwam, werd zij vriendelijk ontvangen en in het slot geleid. Maar toen de nacht kwam, was hij een edelman, en de bruiloft werd met grote pracht gevierd. Ze leefden heel gelukkig met elkaar, en ze waren 's nachts op en overdag sliepen ze. Eens op een dag kwam hij bij haar en zei: "Morgen is er groot feest bij je vader, want je oudste zuster trouwt, en als je zin hebt erheen te gaan, dan zullen mijn leeuwen je er brengen. Ze zei: "ja, ze wilde haar vader graag terugzien, en ze ging erheen met een wacht van leeuwen. Grote vreugde, toen zij kwam, want ze hadden allemaal gedacht, dat ze door de leeuw zou zijn opgegeten en dat ze al lang niet meer tot de levenden behoorde. Maar ze vertelde wat een mooie man zij had, en hoe goed ze het had; en ze bleef gedurende de hele bruiloft bij hen, maar dan ging ze weer naar het bos terug. Toen de tweede dochter trouwde en ze weer op de bruiloft was uitgenodigd, zei ze tegen de leeuw: "ditmaal wil ik niet alleen gaan, je moet mee." Maar de leeuw zei, dat het voor hem te gevaarlijk was, want wanneer hem daar de straal van een brandende kaars aanraakte, dan veranderde hij in een duif en zou zeven jaren lang met duiven moeten rondvliegen. "Ach," zei ze, "laat me toch niet alleen gaan: ik zal wel op je passen en zorgen dat je niet met licht in aanraking komt." Dus gingen ze allemaal samen en ze namen ook hun kindje mee. En ze liet een zaal bouwen, zo sterk en dicht, dat er geen straal in kon dringen, en daar moest hij in blijven zitten, als de bruiloftsfakkels werden ontstoken. Maar de deur was gemaakt van nieuw hout, en dat trok en er kwam een kiertje in, dat niemand gezien had. De bruiloft werd met grote pracht gevierd, maar toen de stoet uit de kerk terugkwam, en met alle fakkels en flambouwen langs de zaal kwam, toen viel er een straaltje, niet breder dan een haar, op de prins, en op het ogenblik dat de straal hem had aangeraakt, veranderde hij van gedaante, en toen ze terugkwam en naar binnen ging en hem zocht, vond ze hem niet, alleen zat er een witte duif. De duif zei tegen haar: zeven jaar moet ik rondvliegen in de wereld, maar elke zevende pas zal ik een druppel bloed laten vallen en een witte veer, die zullen je de weg wijzen, en als je dat spoor volgt, kun je mij verlossen."

En toen vloog de duif de deur uit, en zij liep hem na, en bij elke zevende pas viel er een druppeltje bloed en een wit veertje, en wees haar de weg. Zo ging ze altijd de wereld door, en ze keek niet om en rustte niet, en na een poos waren de zeven jaren haast voorbij: ze verheugde zich toen en dacht, dat ze nu weldra verlost waren, maar het was er nog ver vanaf. Eens op een keer, onder het lopen, viel er geen veertje meer en ook geen enkel druppeltje bloed, en toen ze haar ogen opsloeg, was de duif verdwenen. En omdat ze dacht: "mensen kunnen toch niet helpen" steeg ze ineens op naar de zon, en zei: "U schijnt in alle kieren en op alle daken, hebt u geen witte duif gezien?" - "Nee," zei de zon, "die heb ik niet gezien; maar ik geef je hierbij een kistje, maak dat open in grote nood." Ze dankte de zon en trok verder, tot het avond werd en de maan scheen, en toen vroeg ze aan de maan: "U schijnt immers de hele nacht en over alle velden en bossen: hebt u geen witte duif zien vliegen." - "Nee," zei de maan, "die heb ik niet gezien, maar ik geef je hierbij een ei, breek dat in geval van nood." Toen bedankte ze de maan en ging verder tot de nachtwind kwam en haar blies, en toen zei ze tegen hem: "U waait immers over alle bomen, en onder alle bladeren, hebt u geen witte duif zien vliegen?" - "Nee," zei de nachtwind, "ik heb er geen gezien, maar ik zal het aan de drie andere winden vragen, misschien hebben die wat gezien." De oostenwind kwam en de westenwind, en die hadden niets gezien, maar de zuidenwind zei: "De witte duif heb ik gezien, hij vloog naar de Rode Zee, daar is hij weer leeuw geworden, want de zeven jaren zijn voorbij, en de leeuw is daar aan het vechten met een draak, maar de draak is een betoverde prinses." Nu zei de nachtwind tegen haar: "Ik zal je raad geven. Ga naar de Rode Zee. Daar staan takken aan de rechteroever, tel die en snij de elfde af en sla daar de draak mee, dan kan de leeuw haar overweldigen, en dan krijgen ze allebei hun menselijke gedaante terug. Daarna moetje omkijken; dan zie je de vogel Grijp, die aan de Rode Zee woont; spring, met je liefste, op zijn rug: de vogel zal jullie beiden over de zee naar huis brengen. En hier heb je een noot. Als je boven het midden van de zee bent, moet je de noot laten vallen; hij zal dadelijk uitbotten en dan komt er een grote noteboom uit het water groeien, en daar kan de vogel Grijp op rusten, want als hij niet rusten kan, dan is hij niet sterk genoeg, om jullie beiden er overheen te brengen, en als je vergeet, de noot naar beneden te gooien, dan laat hij jullie in zee vallen."

Toen ging ze weg, en ze vond alles zoals de nachtwind het gezegd had. Ze telde de takken aan zee en sneed de elfde af; daarmee sloeg ze de draak, en de leeuw kon haar overmeesteren; en opeens hadden ze allebei hun menselijke gedaante terug. Maar toen de prinses, die eerst een draak geweest was, van haar betovering was verlost, was zij het die de prins in de arm nam, zich op de vogel Grijp zetten en hem wegvoerde. Daar stond de arme zwerfster, ze was weer alleen en verlaten en ze ging ergens zitten om te schreien. Maar tenslotte sprak ze zichzelf moed in: "Ik zal zo ver gaan, als de wind waait, en zo lang als de haan kraait, tot ik hem terugvind." En ze ging weer verder, lange, lange, wegen, tot ze eindelijk weer bij het slot kwam waar de samen hadden geleefd; en daar hoorde zij dat er weldra een groot feest zou zijn, want ze wilden samen trouwen. Maar zij sprak: "God zal mij helpen," en ze opende het kistje, dat de zon haar gegeven had, en daar lag een gewaad in, glanzend als de zon zelf. Ze nam het eruit en trok het aan, en ging het slot binnen, en iedereen en ook de bruid keek haar met bewondering na, en dit gewaad vond de bruid zo mooi, dat ze dacht dat het wel voor haar als bruidskleed kon passen, en ze vroeg of het ook te koop was? "Niet voor geld of goed," was het antwoord: "maar voor vlees en bloed." De bruid vroeg toen wat ze daarmee bedoelde. En toen zei ze: "Laat me één nacht in de kamer slapen waar uw bruidegom slaapt." Dat wilde de bruid niet, en toch wilde ze dat gewaad graag hebben, en tenslotte stemde ze erin toe, maar de kamerdienaar moest de prins vooraf een slaapdrank toedienen. Toen het dus nacht was en de prins al sliep, werd ze naar de kamer gebracht. Ze ging zich op de rand van het bed zitten en zei: "Zeven jaren heb ik je gevolgd, ik ben geweest bij de zon, bij de maan en bij de vier winden; ik heb naar je gevraagd en ik heb je geholpen in het gevecht met de draak; wilde je me dan helemaal vergeten?" Maar de prins sliep zo vast, dat hij alleen maar dacht, dat de wind buiten ruiste in de dennebomen. Toen de ochtend weer aanbrak, werd zij weggeleid en ze moest het gouden gewaad afgeven. En omdat het niets geholpen had, werd ze bedroefd, en ging ze naar buiten, naar een weide, en daar ging ze zitten schreien. En toen ze zo zat, dacht ze aan het ei, dat de maan haar gegeven had: ze brak het, en daar kwam een kloek uit met twaalf kuikentjes, allemaal van goud, ze liepen rond en piepten en dan kropen ze weer onder de vleugels bij de kloek, zo, dat er niets mooiers op de wereld te zien was. Ze stond, dreef ze op de weide voor zich uit, net zolang tot de bruid uit 't venster keek; en die vond die kleine kuikentjes zo aardig, dat ze meteen naar beneden liep en vroeg of die niet te koop waren? "Niet voor geld of goed, maar voor vlees en bloed; laat mij nog eens een nacht slapen in de kamer waar uw bruidegom slaapt." De bruid zei: "ja" en wilde haar bedotten als de vorige maal. Maar toen de prins naar bed ging, vroeg hij aan de kamerdienaar, wat dat gemurmel en geruis de vorige nacht toch geweest was. En toen vertelde de kamerdienaar alles: dat hij hem een slaapdrank had moeten geven, omdat er een arm meisje heimelijk in zijn kamer had geslapen; en dat hij er hem vanavond weer één moest geven. De prins zei: "Gooi die drank naast het bed." 's Nachts werd zij weer binnengeleid, en toen ze begon te vertellen hoe treurig het met haar gegaan was, herkende hij haar stem dadelijk als die van zijn eigen lieve vrouw, en hij sprong op en riep: "Nu ben ik pas verlost. Het is als een droom geweest, want die vreemde prinses had mij betoverd, zodat ik je wel moest vergeten, maar God heeft die verdwazing op het goede moment van mij afgenomen." Toen gingen ze allebei 's nachts heimelijk het slot uit, want ze waren bang voor de vader van de prinses, want dat was een tovenaar, en ze zetten zich op de vogel Grijp – die droeg hen over de Rode Zee, en toen ze midden boven de zee waren, liet zij de noot vallen. Meteen groeide er een grote noteboom, daar rustte de vogel op, en dan bracht hij hen naar huis, en daar vonden zij hun kind, dat groot en flink was geworden, en ze leefden daarna gelukkig tot het eind van hun leven!
A fost odata un om si omul asta a trebuit sa plece pe neasteptate intr-o lunga calatorie. Si luindu-si el ramas bun de la cele trei fiice ale lui, le intreba ce-ar dori sa le aduca de pe cele meleaguri straine. Fata cea mare pofti sa-i aduca margaritare, cea mijlocie - pietre nestemate, iar cea mica ii zise:
- Draga tata, eu imi doresc o privighetoare cinta-toare si jucausa.
- Bine, fata mea, daca oi gasi-o, sa stii c-am sa ti-o aduc! o asigura taica-sau.
Le saruta apoi pe citesitrele si o porni la drum.
Cind veni timpul sa se intoarca acasa, avu grija sa cumpere margaritare si pietre nestemate pentru cele doua fete mai mari, dar vezi ca pentru fie-sa a mica nu putuse sa gaseasca privighetoarea cintatoare si jucausa, in zadar isi pierduse vremea cautind pretutindeni, ca, pana la urma, tot n-o afla. Lucrul asta il mihni peste masura, si cum sa nu-l fi mihnit, cand fata a mica ii era copilul cel mai drag.
Porni omul nostru pe drumul de intoarcere si, dupa o bucata buna de drum, nimeri intr-o padure. Drept in mijlocul acelei paduri se inalta o mindrete de palat, ca-ti bucura inima vazindu-l. Iar mai incolo, pe un tapsan, un coscogea stejar isi zbatea crengile in vint. Si-n virful pomului asta, o privighetoare se-nvirtea jucausa, sarind din creanga in creanga si cintind, ca se infiora vazduhul de viersul ei. Omul se opri in loc, fermecat, si grai plin de veselie: - Ei, tocmai la timp imi picasi!...
Si-i porunci servitorului pe care-l avea pe langa sine sa se urce in stejar si sa-i prinda pasarea. Dar cum se apropie de pom, numai ce sari dindaratul lui un leu furios, care-si zbirli coama si mugi de se cutremurara, frunzele copacilor...
- Ai vrut tu sa-mi furi pasarea, da sa stii ca nu-ti merge cu mine! Ca aceluia care vrea sa-mi rapeasca privighetoarea cea cintatoare si jucausa, nu-i mai sunt harazite multe ceasuri!... Pe loc il sfisii.
Cugeta omul ce cugeta si apoi ii raspunse:
- De-as fi stiut ca e a ta pasarea, nu m-as fi atins de ea. Da acum, c-am gresit, vreau sa-mi repar greseala si sa ma rascumpar cu bani grei, numai sa nu ma sfisii.
ii asculta leul spusele si, la rindul lui, ii grai astfel:
- Numai intr-un singur chip ti-ai putea salva viata: de mi-ai fagadui c-o sa-mi daruiesti prima vietuitoare care ti-o iesi in cale cand vei pasi pragul casei. De te invoiesti, sa stii ca-ti mai dau si privighetoarea pe deasupra, ca s-o duci fetei tale.
- Nici in ruptul capului, c-ar putea sa fie chiar fata mea a mica. De mult ce ma iubeste, ea alearga totdeauna in intimpinarea mea, ori de cite ori ma intorc acasa.
Vezi insa ca servitorului ii dirdiia inima de frica si, ca sa scape din gheara leului, cauta sa-l abata pe sta-pina-sau de la gindurile sale.
- Da ce, parca numai fiica dumitale a mica ar putea sa-ti iasa in cale?!... Ba, s-ar putea prea bine sa fie o pisica sau un ciine...
Omul se lasa convins de vorbele servitorului sau si, luind cu sine privighetoarea cea cintatoare si jucausa, ii fagadui leului c-o sa-i daruiasca vietuitoarea care i-o iesi cea dintii in cale cand o sosi acasa.Dar vezi ca inima nu-l inselase... Cum pasi pragul casei, prima fiinta care-i iesi in fata fu draga sa fetita. Ii venea in intimpinare, alergind... Si de indata ce fu aproape de el, il imbratisa si-l coplesi cu sarutari. Ei, si nici nu va mai spun cita bucurie a fost pe ea, cand a vazut privighetoarea cea cintatoare si jucausa!... Da vezi ca taica-sau n-avea inima sa se bucure impreuna cu dinsa, ci se puse pe plins, zicandu-i:
- Fetita mea draga, scump mi-a fost dat sa platesc pasarea asta micuta!... Ca s-o pot dobindi, i-am fagaduit unui leu salbatic c-o sa i te dau, si tare mi-e teama c-o sa te sfisie in bucati si-o sa te manince de vei ajunge in vizuina lui...
Ii povesti apoi de-a fir-a-par toata tarasenia si-o ruga cu lacrimi fierbinti sa nu se duca cumva in padure, intimpla-se orice s-ar intimpla.
Dar vezi ca fata nu putea sa-l lase pe taica-sau sa-si calce cuvintul! il mingiie, ca sa-i mai ogoiasca durerea, si-i zise:
- Draga tata, odata ce ti-ai dat cuvintul, trebuie sa ma dai leului!... Uite, o sa ma duc singura in padure si trag nadejdea c-o sa stiu cum sa-l imblinzesc! Asa ca nu-mi duce prea tare grija... O sa vezi matale de nu m-oi intoarce acasa nevatamata!...
A doua zi, fata il ruga pe taica-sau s-o indrepte pe drumul cel mai scurt, si-o porni fara frica spre padurea unde-si avea leul salasul.
Vezi insa ca leul asta nu era leu adevarat, ci un fecior de crai, care fusese vrajit sa se prefaca intr-o asemenea fiara. ...Si nu era el leu toata vremea. Ziua avea infatisare de leu ca si toti slujitorii lui, iar de cum venea noaptea isi rccapatau cu totii chipul lor omenesc. cand ajunse fata in gradina palatului, un ciopor de lei ii veni in preajma, primind-o cu prietenie, si-o dusera la stapinul lor. De indata ce se lasa noaptea, leul se facu iarasi om, si-n fata fetei statea acum un flacau chipes si frumos, nevoie mare. Si cum se placura dintru inceput, nu mai trecura zile multe si se praznui o nunta ca-n povesti. Si pot sa va spun ca asa fericiti traiau impreuna, ca toate vietatile codrului le jinduiau fericirea. Ziua, cei doi dormeau, iar noaptea erau treji, caci abia atunci isi traiau adevarata viata... Si-ntr-una din aceste nopti, feciorul de crai ii zise nevesti-si:
- Afla ca miine e-o mare petrecere in casa tatalui tau! Si stii care-i pricina? Se marita soru-ta a mare. Si de doresti sa iei si tu parte la praznic, du-te, ca eu te las cu draga inima! Leii mei te-or conduce pana acolo, si cand o fi sa te-ntorci, trimite-mi din vreme o veste, ca sa ti-i pot trimite iar.
Fata se gindi ce se gindi, dar pana la urma se hotari totusi sa plece acasa, ca o ardea dorul dupa taica-sau. Leii o insotira pe tot drumul si dupa aceea se inturnara la stapinul lor. Ei, ce sa va mai spun eu dumneavoastra, ca va-nchipuiti singuri!... cand a pasit fata pragul casei, parca ar fi coborit insusi soarele din inalt, asa li s-a parut tuturor... Si erau bucurosi la culme, ca pana atunci o crezusera moarta, sfisiata de leu... Fata le povesti cu sart totul, si-n cuvinte pline de incintare le arata cit de frumos era tinarul crai si cit de fericiti traiau impreuna.
A ramas fata acasa cit timp s-a tinut nunta, ca s-a-n-tins petrecerea pe vreo sapte zile incheiate, si dupa aia s-a reintors in padure, la sotul ei.
Cind urma sa se marite soru-sa a mijlocie, fata fu poftita iarasi la praznic. Si ea ii zise tinarului crai:
- De asta data nu ma mai trage inima sa merg singura, rogu-te sa ma insotesti!
Craiul n-ar fi avut nimic impotriva acestei dorinte, dar o lamuri ca l-ar paste o mare primejdie, de-ar pleca de-acasa. Ca de i-ar atinge la nunta raza pe care-o arunca o luminare aprinsa, pe loc s-ar preface intr-un porumbel. Si sapte ani incheiati i-ar fi dat sa zboare in lumea larga, cu ceilalti porumbei. Dar fata nu vru sa ia in seama ce-i spusese.
- Hai, vino cu mine, fara teama, se ruga ea de el, si am sa te pazesc, ca nici o raza de lumina n-o sa poata sa te atinga!...
Daca vazu si vazu craiul ca se inversuneaza atit in dorinta ei, ii facu pe voie si plecara impreuna. Si luara cu dinsii si coconul. cand ajunsera la casa parinteasca, fata puse de se zidi o odaie numai pentru folosinta craiului si porunci ca peretii sa fie atit de grosi, ineit sa nu patrunda prin ei nici o raza de lumina. Nu-i vorba, nu urma el sa stea toata vremea in incaperea aceea, dar in timpul nuntii, cand se vor aprinde luminarile, musai trebuia sa ramina acolo, ca sa nu ajunga vreo raza sa-l atinga. Dar vezi ca usa se intimpla sa fie facuta din lemn verde si, uscindu-se, crapa nitelus. Si, ca un facut, nimeni nu observa acest lucru.
Veni si ziua nuntii si se incinse un praznic, de-ai fi zis ca e-o nunta imparateasca. cand se intoarsera nuntasii acasa de la biserica, purtind faclii si luminari aprinse, si apucara sa treaca pe langa camera unde sedea craiul, o raza cit firul de par il atinse pe feciorul de imparat, si acesta se si prefacu intr-un porumbel. Nimeni nu putuse sa-si dea seama de ceea ce se intimplase, si cand nevasta-sa se duse sa-l caute, vazu in locul lui un porumbel alb. Si porumbelul ii zise:
- Sapte ani va trebui de-acu inainte sa zbor prin lume! Si la fiecare sapte pasi voi lasa sa cada cite o picatura de singe si cite un fulg alb. Semnele astea iti vor arata drumul, si de ma vei urma fara contenire, voi fi mintuit.
Nu-si termina bine vorbele porumbelul, ca si zbura pe usa afara, avintindu-se in vazduh. Si ea se lua dupa el, ca o umbra. La fiecare sapte pasi cadea cite o picatura de singe si cite un fulg alb, care-i aratau calea.
Alerga ea asa prin lumea cea mare, fara sa se uite in jurul ei, fara sa se hodineasca nicicum. Si-ntr-un sfir-sit se bucura in inima ei ca cei sapte ani erau pe termi- nate si ca se apropie ceasul cand sotiorul ei va fi min-tuit. Dar vezi ca acel ceas era inca departe...
Pasamite, intr-o amiaza, pe cand alerga fara istov dupa porumbel, nu mai vazu cazind picatura de singe si fulgul cel alb, iar cand ridica ochii spre vazduh, nu mai zari nici porumbelul.
Cum stia ca oamenilor nu le sta in putinta sa-i dea vreun ajutor, urca pe cararea stelelor, pana la soare, si cand ajunse la el, il intreba:
- Tu, soare, care luminezi toate culmile si toate vagaunile, au n-ai zarit cumva zburind un porumbel alb?...
- Nu, raspunse domnul cerului, n-am vazut zburind nici un porumbel. Da uite, pentru ca ai o inima cum nu au multi, iti daruiesc cutioara asta! Si s-o deschizi numai cand oi fi la grea strimtoare.
ii multumi ea soarelui pentru darul facut si merse si tot merse mai departe, pana ce se innopta si aparu luna pe cer. Si-o intreba si pe dinsa:
- Tu, luna, care toata noaptea luminezi peste cimpii si paduri, au n-ai zarit cumva zburind un porumbel alb?...
- Nu, raspunse luna, n-am vazut zburind nici un porumbel. Da uite, pentru ca ai o inima cum n-au multi, iti daruiesc oul asta. Si cand te-oi gasi la o mare ananghie, sa-l spargi si te-o ajuta.
Multumi ea lunii pentru darul facut si merse si tot merse mai departe, pana ce vintul noptii incepu sa sufle. Si-l intreba si pe el:
- Tu, vintule, care-ti porti suflarea peste toti copacii si peste toate frunzele, au n-ai zarit cumva zburind un porumbel alb?...
- Nu, raspunse vintul noptii, n-am vazut zburind nici un porumbel, da o sa-i intreb pe ceilalti frati ai mei de nu l-a zarit vreunul.
Intreba el vintul de rasarit si pe cel de apus, dar acestia-i raspunsera ca n-au vazut zburind nici un porumbei. Dar cand apuca sa-l intrebe si pe cel de miazazi, numai ce-i zise acesta:
- Ba, cum sa nu, l-am vazut zburind peste Marea Rosie! Da acum s-a prefacut iar in leu, c-au trecut cei sapte ani, si e inclestat in lupta c-un balaur... Si-balaurul asta e o fata de imparat, pe care-a blestemat-o o iazma rea sa se preschimbe intr-o asemenea spurcata dihanie!
Vintul noptii asculta cu luare-aminte la cele spuse de frate-sau si-i grai craiesei:
- Acu , c-ai aflat unde e, asculta de sfatul meu: du-te cit mai degraba la Marea Rosie! Pe malul drept al marii asteia ai sa dai peste niste nuiele mari. Cata de numara-le, de cum le-oi vedea, iar pe-a unsprezecea tai-o si ia-o cu tine. Cu ea loveste o data balaurul si-ai sa vezi ca leul o sa-i poata veni atunci de hac. Da nici de balaur n-o sa fie rau, nu duce grija, ci amindoi vor fi mintuiti si-si vor recapata infatisarea omeneasca. Dupa ce-ai sa faci trebusoara asta, uita-te cu luare-aminte in jurul tau si-ai s-o zaresti, de buna seama, pe pasarea de-i spune Grif1, care-si are salasul pe-acolo. Urca-te cu sotiorul tau pe spinarea pasarii si ea o sa tot zboare peste mare si-o sa va duca acasa. Si mai ia si nuca asta! cand oti fi cam pe la jumatatea drumului, da-i drumul in mare, ca va fi spre binele vostru! Si pe loc o sa rasara din valuri cu coscogeamite nuc, si pe ramurile lui o sa se lase pasarea Grif, sa se hodineasca de zborul cel lung. Ca fara de ast popas, n-ar avea destula putere sa va duca peste mare. Iar de vei uita sa arunci nuca in apa, pasarea se va descotorosi de amindoi si-o sa va lase sa cadeti in mare.
Craiasa o porni spre Marea Rosie si, de cum ajunse acolo, gasi toate asa cum ii spusese vintul noptii. Numara nuielele de pe malul marii, o taie pe cea de-a un- sprezecea si odata izbi cu nuiaua balaurul. Si sa vezi minune: de unde pana atunci leul parea sleit, pe loc i se inzecira puterile de-l putu birui pe balaur. Si chiar in aceeasi clipa, amindoi isi recapatara infatisarea omeneasca...
Vazindu-se scapata de sub puterea blestemului, fata de imparat, care fusese balaur pana atunci, il lua de brat pe tinarul crai si amindoi se urcara pe spinarea pasarii Grif. Iar pasarea, de cum ii vazu la ea in circa, isi lua zborul...
Biata fata, care batuse lumea in lung si-n lat dupa sotiorul ei, ramasese acum singura, parasita. Si fiind-ca-i era sufletul plin de amar, se lasa jos, pe pamint, si-ncepu a plinge. Dar in cele din urma gasi destula putere in inima ei ca sa biruie tristetea si, imbarbatin-du-se, isi zise:
De-o trebui, pana la capatul lumii oi merge, ca sa-mi aflu sotiorul, pana unde bat vinturile, si chiar si mai departe, ca, atita timp cit s-o mai auzi cucurigul cocosului, trag nadejdea c-o sa-l regasesc."
Si-a mers ea, a mers, strabatind drumuri nesfirsite, pana ce s-a nimerit sa ajunga la palatul unde traiau tanarul crai si domnita care fusese vrajita. Acolo afla ca cei doi logodnici tocmai se pregateau sa-si serbeze nunta printr-un mare praznic. Atunci nu mai pregeta si deschise cutioara pe care i-o daruise soarele. Si ce sa vezi: inauntru gasi o minunatie de rochie, stralucitoare cum e soarele!... O scoase binisor din cutie, si-o puse pe ea si intra in palat.
Ce sa va mai spun eu dumneavoastra! Doar atit, ca cine-o vazu imbracata cu ea nu mai putu sa-si ia ochii de la rochia aceea fara seaman pe lume... Da parca logodnica craiului nu ramase ca fermecata la vederea ei? Ba bine ca nu! Atit de mult ii placuse, incit dori s-o aiba ca rochie de mireasa, si-o intreba pe femeia aceea straina de nu vrea cumva s-o vinda.
- Ba, cum sa nu! Da-i vorba ca n-o dau pe bani sau pe vreo alta avutie, ci pe carne si singe.
Cum nu se dumerea defel ce inteles or fi avind vorbele astea, logodnica ii ceru sa o desluseasca mai bine. Si craiasa o lamuri pe data:
- Vorbele mele au intelesul c-as dori sa ramin o noapte in iatacul in care doarme mirele!
La-nceput, logodnica nici nu vru sa auda de asa ceva, dar, cum era stapinita de dorinta de-a avea rochia, n-avu incotro si trebui sa se-nvoiasca. Dar ca sa fie sigura ca n-o sa se poata intimpla nimic rau, ii porunci feciorului de casa sa pregateasca o bautura adormitoare si sa i-o dea mirelui sa bea mai inainte de a se culca. cand se facu noapte si feciorul de casa se incredinta ca stapinul lui, craiul, dormea dus, o lasa pe craiasa sa intre in iatac.
Biata femeie se aseza langa patul sotiorului ei si-ncepu a-i ziee:
- Sapte ani te-am urmat ca umbra, clipa de clipa si ceas de ceas, si-am urcat pana la soare, si pana la luna, si pana la cele patru vinturi, ca sa-i intreb unde-i fi si sa-ti dau de urma; ti-am stat intr-ajutor, ca sa poti birui balaurul, da la ce folos au fost toate, daca tu vrei sa ma dai azi uitarii?!...
Vezi insa ca licoarea aceea il cufundase intr-un somn atit de adinc, ca nu deslusi nici o vorba de-a craiesei, ci i se paru numai ca suiera vintul afara, printre brazi. Dimineata, feciorul de casa veni s-o ia.din iatac, si craiasa trebui sa-i dea logodnicei rochia cea frumoasa. Se intrista ea foarte ca nu reusise sa-i spuna craiului ce-avea pe suflet, si-o porni pe cimp, intr-aiurea. La un moment dat, obosi de atita umblet, se aseza jos si-ncepu a plinge cu lacrimi amare. Si cum plingea ea asa, deodata isi aminti de oul pe care i-l daruise luna. Il sparse, si sa vezi minune: numai ce iesi dintr-insul o closca cu doisprezece puisori... Si closca si puii erau cu totul si cu totul de aur! Puisorii incepura sa alerge, sa ciuguleasca, sa piuie subtirel, si dupa aia se bagara iar sub aripile clostei. Si zau ca nimic nu-mi pare sa fi fost pe lume mai frumos si sa bucure sufletul mai mult, decat ceea ce-i fu dat craiesei sa vada acum!...
Se scula ea de jos, parca mai inviorata, si mina pe cimpie closca cu cei doisprezece pui de aur, pana ce ajunse cu ei sub fereastra logodnicei. Si atit de mult ii placura domnitei puisorii, incit cobori in graba in gradina si-o-ntreba pe craiasa de nu-s de vinzare.
- Ba-s de vinzare!... grai ea. Da-i vorba ca nu-i dau pe bani sau pe vreo alta avutie, ci pe carne si singe. Mai lasa-ma sa ramin o noapte in iatacul in care doarme mirele, si-ai tai or sa fie!...
Logodnica incuviinta, ca n-avea ce alta face, dar vru s-o insele din nou pe craiasa, prin aceleasi tertipuri pe care le folosise c-o noapte inainte. Da vezi ca de asta data nu-i reusi siretlicul!...
Si nu-i reusi, pentru ca, inainte de-a se culca, tina-rul crai il ruga pe feciorul de casa sa-l desluseasca de nu auzise si el, in noaptea trecuta, un murmur si-un fosnet, care parca veneau de afara...
Atunci slujitorul isi lua inima-n dinti si-i destainui totul: cum i-a dat o bautura adormitoare si cum o fata sarmana a dormit in taina in iatacul lui. Si i-a mai spus ca si-n noaptea asta trebuia sa-i dea o bautura, care sa-l adoarma bustean. Se minuna craiul de ce auzise si, la urma, ii porunci slujitorului:
- Ia de varsa bautura, colo, langa pat! Si-om vedea noi ce-o mai fi...
Cind se lasa noaptea, feciorul de casa iar o aduse in iatac pe craiasa. Iar ea, sarmana, incepu din nou sa-i insire craiului amarul vietii ei... Vezi insa ca tinarul crai recunoscu de indata al cui era glasul. Si cum sa nu-l fi recunoscut, ca doar era al sotioarei lui mult iubite!...
Si atit de mare ii fu bucuria, ca nu se mai putu stapini si sari din pat, de parca l-ar fi impins cineva de la spate.
Apoi ii grai:
- Abia din clipa asta sunt mintuit! pana acu , pot zice c-am trait intr-un vis, pentru ca straina asta ma vrajise sa nu mai stiu de tine, sa te uit!...
Se gindira ei sa paraseasca in mare graba palatul asta blestemat, dar cum tatal logodnicei era vrajitor, se temura sa plece pe fata, ca sa nu abata asupra lor vreo urgie. Si strecurindu-se prin intunericul noptii, ajunsera pana la locul unde-si avea cuibul pasarea Grif. I se urcara pe spinare si pasarea se avinta cu ei in zbor. Zbura ea ce zbura si, pasamite, iar ajunse la Marea Rosie. cand fu sa treaca de mijlocul ei, fata isi aduse aminte de povata pe care i-o daduse vintul noptii, si lasa sa cada nuca. Cazu ea in valuri si numai ce se ridica dintre coamele inspumate un coscogeamite nuc, ca atingea cerul cu crestetul... Pasarea Grif se lasa din zbor pe una din ramurile nucuku si se hodini strasnic. Si cand se simti iar in puteri, se avinta din nou in vazduh, si-i duse acasa, mai repede decat gindul... Ei, si acasa pe cine credeti ca-l gasira? Chiar pe coconul lor, care-n ast timp se facuse o mindrete de flacau de ziceai ca-i picat din soare. Si de atunci nimeni nu le-a mai casunat nici un rau, si-au trait tustrei fericiti pana la sfirsitul vietii lor.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.