NEDERLANDS

De koning van de gouden berg

DANSK

Kongen af det gyldne bjerg


Er was eens een koopman, die twee kinderen had, een jongen en een meisje. Ze waren allebei nog klein, en ze konden nog niet lopen. Er waren twee rijk beladen schepen van hem op zee, daar had hij zijn hele vermogen in gestoken en terwijl hij dacht, dat hij daar heel veel mee zou verdienen, kwam opeens het bericht, dat ze gezonken waren. Daar was hij nu ineens in plaats van een rijk man een arme man, en het enige wat hij bezat, was een akker bij de stad. Om zichzelf een beetje af te leiden ging hij naar zijn land, en terwijl hij daar zo op en neer liep, stond er opeens een klein zwart mannetje naast hem en vroeg waarom hij zo treurig was, en wat het was dat hij zich zo aantrok. De koopman zei: "Als je me helpen kon, zou ik het je wel zeggen." - "Wie weet?" antwoordde het zwarte mannetje, "misschien help ik je wel." En toen ging de koopman aan 't vertellen, hoe al zijn rijkdom op zee verloren was gegaan, en dat hij nu niets meer bezat, dan alleen deze akker. "Maak je maar geen zorgen," zei het mannetje, "als je me beloven wilt, dat wat je thuiskomend het eerst tegen 't been stoot, over twaalf jaren hierheen, op deze plek, te brengen, dan zal ik je zoveel geld bezorgen als je maar wilt." De koopman dacht: "Wat kan dat anders zijn dan de hond?" en hij bedacht niet dat het zijn kleine jongen kon zijn en hij zei: "ja," gaf de zwarte man zijn handtekening en zijn zegel erop en ging naar huis.
Der var engang en købmand, som havde to børn, en dreng og en pige. De var begge to ganske små og kunne ikke gå endnu. På den tid fik han efterretning om, at hans to skibe, der var kostbart ladede, og som udgjorde hele hans formue, var gået til bunds. Nu var han pludselig blevet fattig og ejede ikke andet end en mark udenfor byen. For at adsprede sine mørke tanker lidt gik han ud på marken, og mens han spadserede frem og tilbage der, fik han pludselig øje på en lillebitte sort mand, der stod ved siden af ham og spurgte, hvorfor han var så bedrøvet. "Hvis du kunne hjælpe mig, ville jeg vel nok fortælle dig det," svarede købmanden. "Man kan jo aldrig vide om jeg ikke kan," sagde den lille mand. Købmanden fortalte ham nu, at hele hans formue var gået til grunde på havet, og at han ikke havde andet tilbage end denne mark. "Det skal du ikke bryde dig om," sagde den lille mand, "hvis du vil love mig om tolv år at bringe mig det, din fod først støder på, når du kommer hjem, skal du få så mange penge, du vil." - "Det kan jo ikke være andet end min hund," tænkte manden. Det faldt ham ikke ind, at det måske kunne være et af hans børn, og han sagde derfor ja og skrev det på et stykke papir og satte sit segl under.


Hij kwam thuis en de kleine jongen was daar zo blij mee, dat hij, zich aan de banken vasthoudend, naar hem toe waggelde en hem aan zijn been vastpakte. Toen schrok de vader, want zijn belofte viel hem in, en hij wist nu wat hij schriftelijk had vastgelegd: maar omdat hij in kisten en kasten toch geen geld vond, dacht hij, het zou van dat mannetje toch maar een grap zijn geweest. Een maand later ging hij naar de zolder. Hij wilde oud tin bij elkaar zoeken om het te verkopen, en toen zag hij een hoop geld liggen. Nu was het weer goed: hij deed inkopen, hij werd een nog groter koopman dan eerst, en hij stond op goede voet met Onze Lieve Heer. Intussen werd de jongen groot, werd verstandig en slim. Maar hoe meer er van de twaalf jaren voorbijgingen, des te zorgelijker werd 't de koopman te moede; zodat men op zijn gezicht de angst kon lezen. Eens vroeg zijn zoon hem, wat er met hem was: maar de vader wilde het niet zeggen. Maar de jongen vroeg zo lang door, tot hij hem eindelijk vertelde, hoe hij hem, zonder te weten wat hij beloofde, toch beloofd had aan een zwart mannetje, en daar al veel geld voor had gebeurd. En hoe hij zijn handtekening en zijn zegel ervoor had gegeven en dat hij hem, als de twaalf jaren voorbij waren, zou moeten uitleveren. Maar de zoon sprak: "Kom vader, laat u niet bang maken, dat komt wel goed, dat zwarte kereltje heeft over mij geen macht."
Da han kom hjem, blev hans lille dreng så glad ved at se ham, at han kravlede henimod ham og tog fat i hans ben. Manden blev forfærdet, da han kom i tanker om, hvad han havde lovet, men da der ikke var guld at finde nogetsteds, mente han, at det havde været en spøg af manden. En månedstid efter gik han op på loftet for at lede efter noget gammelt tin, som han kunne sælge, og opdagede da, at der lå en stor bunke penge. Nu blev han igen i godt humør, købte og solgte og blev rigere end nogensinde før og lod fem være lige. Imidlertid var drengen vokset til og blevet klog og flink. Efterhånden som hans tolvte år nærmede sig, blev købmanden mere og mere bedrøvet, og man kunne se på hans ansigt, at der var noget, der pinte ham. En gang spurgte sønnen ham, hvad der var i vejen. Han ville først ikke ud med det, men drengen blev ved at plage ham så længe, til han fortalte, at han uden at vide det havde lovet ham bort til en sort mand og fået mange penge for det. Han havde skrevet sit navn som bevis, og når han var tolv år gammel, måtte han udlevere ham. "Du skal ikke være bange, far," sagde drengen, "det skal nok blive godt altsammen. Den sorte mand skal ikke få magt over mig."


De zoon liet zich zegenen door een geestelijke, en toen de tijd was gekomen, gingen ze samen naar de akker, en de zoon trok een kring en ging daar met zijn vader in staan. Daar kwam het zwarte mannetje aan, en hij zei tegen de vader: "Wel, en heb je meegebracht wat je me beloofd had?" Hij zweeg. Maar de jongen vroeg: "Wat wil je hier?" Toen zei het zwarte mannetje: "Ik praat met je vader en niet met jou." De zoon antwoordde: "Mijn vader heb je bedrogen en in verleiding gebracht, geef dat getekend papier terug." - "Neen," zei het zwarte mannetje, "recht is recht, dat geef ik niet op." En ze praatten nog lang met elkaar, en eindelijk werden ze het eens; de zoon omdat hij niet aan de erfvijand en niet meer aan zijn vader toebehoorde, moest in een scheepje gaan zitten, dat lag op een rivier, en de vader moest 't met zijn eigen voet stroomafwaarts stoten, en dan werd de zoon overgelaten aan de stroom. Hij nam afscheid van zijn vader, ging in het bootje zitten, en de vader moest het met zijn eigen voet afstoten. Het bootje sloeg om, zodat 't ondersteboven was en 't dek onder water, de vader geloofde dat zijn zoon verloren was, hij ging naar huis en treurde om hem.
Da tiden nærmede sig, gik drengen hen til en præst, som velsignede ham. Derpå gik han og faderen sammen ud på marken og han slog en kreds om dem. Lidt efter kom den sorte mand og sagde til den gamle: "Har du så det med, som du har lovet mig." Han svarede ikke, men sønnen spurgte: "Hvad vil du her?" - "Jeg taler med din far og ikke med dig," svarede den sorte mand. "Du har bedraget min far," sagde drengen, "giv mig beviset." - "Nej," sagde manden, "jeg opgiver ikke min ret." De snakkede nu længe frem og tilbage, og til sidst blev de enige om, at sønnen, der jo ikke mere tilhørte faderen, skulle bringes ombord på et skib, og den gamle skulde så selv slippe det løs, så det sejlede ned i vandfaldet. Drengen tog nu afsked med faderen og gik ombord. Skibet blev straks revet omkuld, så bunden kom i vejret, og faderen troede, at hans søn var druknet, og gik bedrøvet hjem.


Maar het bootje zonk niet, 't dreef rustig voort, en de jongen zat er heel best in, en het dreef heel lang, tot het eindelijk tegen een onbekende oever stootte en vast zat. Toen klom hij eruit en ging aan land; vóór zich zag hij een mooi kasteel, en hij stevende daar op af. Maar toen hij er binnen kwam, begreep hij wel dat het betoverd was: alle kamers waren leeg, die hij doorliep, tot hij aan de laatste kamer kwam. Daar lag een slang in, die kronkelde. Maar die slang was eigenlijk een betoverde prinses. Ze verheugde zich, zodra ze hem zag en sprak tot hem: "Komt u daar mij verlossen? Al twaalf jaar heb ik op u gewacht, dit rijk is betoverd, en u kunt het daarvan bevrijden." - "Hoe kan ik dat?" vroeg hij. "Vannacht komen er twaalf zwarte mannen, omhangen met kettingen. Ze zullen je vragen wat je hier doet, maar dan zeg je niets, en je geeft hun geen antwoord, en je laat hen maar met je sollen zoals ze willen: ze zullen je kwellen, slaan, steken, laat het allemaal maar gebeuren. Maar spreek géén woord: om twaalf uur moeten ze toch weer weg. En de volgende nacht komen er weer twaalf andere mannen, en in de derde nacht vierentwintig, en ze zullen je je hoofd afslaan, maar om twaalf uur is hun macht voorbij, en als je 't dan hebt volgehouden en je hebt geen enkel woord gesproken, dan is mijn betovering gebroken. Dan kom ik bij je met een flesje met 't water van het leven; en daar bestrijk ik je mee en dan ben je weer levend en gezond als vroeger." Toen zei hij: "Ik zal je graag van de betovering verlossen." En nu gebeurde alles precies als ze het gezegd had: de zwarte mannen konden hem geen woord afpersen, en in de derde nacht werd de slang een mooie prinses, en ze kwam met het levenswater en maakte hem weer levend. En toen viel ze hem om de hals en kuste hem, en er was jubel en vreugde in het hele kasteel. De bruiloft werd gehouden en nu was hij koning van de Gouden Berg.
Skibet gik imidlertid ikke til bunds, men flød roligt videre, og drengen sad godt gemt derinde, uden at vandet trængte ind til ham. Endelig stødte det mod land, og da drengen gik ud så han, at der lå et dejligt slot lige for ham. Han gik rask væk derind uden at vide, at det var forhekset. Han gik gennem en mængde tomme stuer og kom til sidst til et værelse, hvori der lå en slange og snoede sig. Det var en forhekset jomfru, og da hun så ham, spurgte hun glad: "Kommer du for at befri mig? Nu har jeg ventet på dig i tolv år. Du må frelse mig og hele det fortryllede rige." - "Hvordan skal jeg dog bære mig ad dermed?" spurgte han. "I nat kommer der tolv sorte mænd med kæder om halsen og spørger dig, hvad du har at gøre her. Du må ikke svare dem, men lad dem gøre med dig, hvad de vil. De vil slå dig og hugge løs på dig, men find dig i det altsammen og sig ikke et eneste ord. Klokken tolv forsvinder de igen. Natten efter kommer der igen tolv, i den næste fireogtyve, og de hugger dit hovede af. Ved midnatstid er deres magt forbi, og hvis du har holdt tappert ud og ikke sagt et ord, er jeg frelst. Jeg kommer så og bestænker dig med livsens vand, og du bliver straks levende igen." - "Jeg vil gerne frelse dig," svarede han. Det gik nu altsammen, som hun havde sagt. De sorte mænd fik ikke et ord ud af ham, og i den tredie nat blev slangen til en dejlig kongedatter, der bragte ham livsens vand. Hun faldt ham om halsen og kyssede ham, og hele slottet genlød af jubel og glæde. Deres bryllup blev fejret, og han var nu konge af det gyldne bjerg.


Zo leefden ze heel tevreden tezamen, en de koningin kreeg een mooi jongetje. Er waren al acht jaren voorbij toen de gedachte aan zijn vader bij hem opkwam, en zijn hart was getroffen, en hij wilde hem eens op gaan zoeken. Maar de koningin wilde hem niet verlaten en zei: "Ik weet wel vooruit dat het mijn ongeluk zal zijn," maar hij hield niet op voor ze erin toestemde. Ze gaf hem ten afscheid nog een wensring, en zei: "Neem deze ring en steek hem aan je vinger; dan kom je meteen daar, waar je wenst te zijn, alleen één ding moetje me beloven. Je moet de ring niet gebruiken om mij van hier weg bij je vader te wensen." Dat beloofde hij. Hij stak de ring aan zijn vinger en wenste zich al thuis bij de stad waar zijn vader woonde. In een ogenblik was hij er, en hij wilde de stad binnengaan; maar toen hij voor de poort kwam, wilde de wacht hem niet binnenlaten, omdat hij zulke bijzondere en toch zo rijke en prachtige kleren aan had. Toen ging hij een berg op, waar een schaapherder was, ruilde met hem van kleren en trok de oude schaapherdersmantel aan en ging zo uitgedost, ongestoord de stad binnen. Toen hij bij zijn vader kwam, vertelde hij wie hij was, maar de vader geloofde niet, dat hij de zoon was, en zei hem, ja, hij had een zoon gehad maar die was al lang dood: maar omdat hij zag dat hij een arme stakker van een schaapherder was, wou hij hem wel een bord vol eten geven. Toen zei de schaapherder tegen zijn ouders: "Maar ik ben wis en waarachtig jullie zoon: weet u geen kenteken aan mijn lichaam, waardoor u me kunt herkennen?" - "Ja," zei de moeder, "onze zoon heeft een moedervlek onder zijn rechterarm." Hij schoof zijn hemdsmouw opzij en toen twijfelden zij niet meer, of hij was hun zoon. Daarop vertelde hij hun, dat hij koning was van de Gouden Berg, dat hij getrouwd was met een prinses en dat ze een flinke jongen hadden van zeven jaar. De vader sprak: "Nooit ofte nimmer kan dat de waarheid zijn: een mooie koning, die in lompen als een herder aan komt zetten." Toen werd de zoon boos en draaide, zonder aan zijn belofte te denken, zijn ring rond en wenste beiden, zijn vrouw en zijn kind, bij zich. Op hetzelfde ogenblik waren ze er, maar de koningin klaagde en schreide en zei dat hij zijn woord gebroken had en haar in 't ongeluk had gestort. Hij zei: "Ik heb het per vergissing gedaan en volstrekt niet met boos opzet," en hij trachtte haar tot bedaren te brengen, en ze deed ook of ze toegaf, maar ze had kwaad in de zin.
De levede nu lykkeligt med hinanden, og dronningen fødte en dejlig dreng. Da otte år var gået, blev han grebet af en stærk længsel efter en gang at se sin far igen. Dronningen ville nødig af med ham. "Det bliver min ulykke," sagde hun, men han havde ikke ro på sig, før han kom af sted. Ved afskeden gav hun ham en ønskering og sagde: "Sæt denne ring på din finger. Den bringer dig straks, hvorhen du ønsker. Kun må du love mig ikke at bruge den til at ønske mig hjem til din far." Han lovede hende det, stak ringen på fingeren og ønskede sig hjem til den by, hvor hans far boede. I samme øjeblik stod han udenfor byens port, men skildvagten ville ikke lade ham komme ind, fordi han havde sådan mærkelige, kostbare klæder på. Han gik da hen til et bjerg, hvor der boede en gammel hyrde, byttede klæder med ham, og slap således ind i byen. Da han kom hjem til sin far, ville han ikke kendes ved ham. "Jeg har rigtignok haft en søn," sagde han, "men han er død for længe siden." Da han så, hvor pjaltet han så ud, ville han give ham en tallerken mad, men hyrden sagde: "Jeg er virkelig din søn. Er der ikke et eller andet mærke, du kan kende ham på?" - "Jo," svarede moderen, "han havde en brun plet under højre arm." Han smøgede skjorten op og viste dem mærket, og de tvivlede nu ikke længere om, at han var deres søn. Han fortalte dem nu, at han var konge af det gyldne bjerg og gift med en dejlig kongedatter, og at de havde en søn på syv år. "Aldrig i livet får du mig det bildt ind," sagde faderen, "det er en rar konge, som kommer i sådanne pjalter." Da blev sønnen vred, og uden at tænke på sit løfte, ønskede han, at hans hustru og barn måtte komme derhen. I samme øjeblik stod de der også, men dronningen græd og klagede og sagde, at han havde gjort hende ulykkelig. "Jeg har jo gjort det af tankeløshed og ikke af ondskab," sagde han og søgte at berolige hende. Hun lod også, som om hun var fornøjet igen, men i sit hjerte havde hun ondt i sinde.


Nu leidde hij haar buiten de stad naar de akker en wees haar de rivier, waar zijn vader het bootje had weggestoten en toen zei hij: "Ik ben heel moe, ga zitten, dan rust ik wat uit met mijn hoofd in je schoot." Hij legde zijn hoofd op haar schoot en zij woelde met haar hand in zijn haar, tot hij insliep. Toen hij ingeslapen was, trok ze eerst de ring van zijn vinger, dan trok ze haar voet onder hem vandaan en liet slechts haar pantoffel achter; daarop nam ze de jongen op de arm en wenste zich weer in haar eigen koninkrijk. Toen hij wakker werd, lag hij geheel verlaten, vrouw en kind waren weg, de ring ook, alleen de pantoffel stond er nog als bewijs. "Naar huis, naar je ouders, kun je nu niet meer terug," dacht hij, "die zouden zeggen dat je een heksenmeester was; je moet je boeltje maar pakken en reizen tot je in je koninkrijk komt." Dus reisde hij weg. Eindelijk kwam hij bij een berg, daar stonden drie reuzen voor en ze vochten met elkaar, omdat ze niet wisten, hoe ze hun vaders erfenis zouden verdelen. Ze zagen hem voorbijgaan en riepen hem aan, en ze zeiden: in de kleinste potjes zit de beste zalf, jullie kleine mensen hebben verstand genoeg, verdeel jij die erfenis maar! De erfenis bestond ten eerste uit een degen; wie die degen in de hand nam en zei: "Alle koppen af, alleen de mijne niet," dan lagen ook alle koppen op de grond. Ten tweede uit een mantel, en wie die aantrok was onzichtbaar, en ten derde uit een paar laarzen, als je die aangetrokken had en je wenste jezelf ergens heen, dan was je er in een oogwenk. Hij zei: "Geef die stukken eens hier, ik wil wel eens proberen, of ze nog in goede staat zijn." Ze gaven hem de mantel en toen ze hem die omgehangen hadden, was hij onzichtbaar, en in een vlieg veranderd. Hij nam zijn eigen gedaante weer aan en zei: "De mantel is goed, geef nu het zwaard eens." Ze zeiden: "Nee, dat gaat niet! Als je eens zei: 'Alle koppen af, alleen de mijne niet' dan waren onze koppen er ook af en jij had de jouwe nog alleen." Toch gaven ze 't hem onder voorwaarde dat hij het proberen mocht op een boom. Dat deed hij, en het zwaard doorsneed de boomstam als een strohalm. Nu wilde hij de laarzen nog proberen, maar ze zeiden: "Nee, dat gaat niet! want als je die aantrok en je wenste je zelf boven op de berg, dan stonden wij hier beneden zonder iets." - "Nee," zei hij, "dat zal ik niet doen." En toen gaven ze hem de laarzen aan. Toen hij nu alles had, dacht hij aan niets dan aan vrouw en kind en hij zei zo voor zich: "Was ik maar op de Gouden Berg," en meteen verdween hij voor 't oog van de reuzen zodat hun erfenis verdeeld was. Hij kwam vlak bij zijn slot, hoorde vreugdekreten, violen en fluiten en de mensen zeiden, zijn vrouw trouwde met een ander. Nu werd hij boos en zei: "Die valse vrouw, ze heeft me bedrogen en verlaten, toen ik was ingeslapen." Hij hing zijn mantel om en ging onzichtbaar het kasteel binnen. Toen hij de zaal in kwam, was er een grote tafel, met kostelijke spijzen erop; gasten aten en dronken en lachten en praatten. En zij zat in 't midden, prachtig gekleed in koningsgewaad en de kroon op 't hoofd. Hij ging achter haar staan: niemand zag hem. Toen men haar een stuk vlees op haar bord legde, nam hij het weg en at het op, en toen men haar een glas wijn inschonk, nam hij het weg en dronk het uit; men gaf haar steeds wat, en toch kreeg ze nooit iets, want bord en glas waren meteen leeg. Toen begon ze na te denken en schaamde zich, stond op en ging naar haar kamer en schreide, maar hij volgde haar. Daar zei ze: "Is de duivel over mij gekomen? Of is mijn verlosser er nooit geweest?" Hij sloeg haar in 't gezicht en sprak: "Kwam je verlosser niet? Hier is hij, hij is bij je, bedriegster. Heb ik dat aan je verdiend?" Nu maakte hij zich weer zichtbaar, ging de zaal in en riep: "De bruiloft is voorbij, de koning is terug!" De koningen, vorsten en raadsheren die daar bijeen waren, bespotten hem en lachten hem uit; maar hij gaf een kort weerwoord en sprak: "Wilt u gaan, of niet?" Ze wilden hem gevangen nemen en drongen op hem in, maar hij trok het zwaard en sprak: "Koppen af, slechts de mijne niet!" en toen rolden alle hoofden op de grond, en hij was alleen de heer, en hij was weer de koning van de Gouden Berg.
De gik nu udenfor byen til marken, hvor skibet var blevet sat i vandet. "Lad mig sove lidt med hovedet i dit skød," sagde han, "jeg er så træt." Hun satte sig ned, men da han var faldet i søvn, tog hun først ringen af hans finger og trak så forsigtigt benene til sig, men hendes ene sko blev liggende. Derpå tog hun barnet på armen og ønskede sig hjem til sit kongerige igen. Da han vågnede var han alene, hans kone og barn og ringen var borte, kun hendes ene sko stod der. "Jeg vil ikke gå hjem til mine forældre igen," tænkte han, "de vil jo tro, jeg er en troldmand. Det er bedre, jeg ser at finde hjem til mit kongerige." Han begav sig straks på vej og kom efter nogen tids forløb til et bjerg, hvor der stod tre kæmper og skændtes om, hvordan de skulle dele arven efter deres far. Da de så ham gå forbi, kaldte de på ham, for at han skulle komme og hjælpe dem. Arven bestod for det første af et sværd, og når man tog det i hånden og sagde: "Væk med alle hoveder undtagen mit" lå de rundt om på jorden, for det andet af en kappe, som gjorde den, der tog den på, usynlig, og for det tredie af et par støvler, der bragte en, hvorhen man ønskede. "Giv mig det lad mig prøve om det duer," sagde han. De gav ham først kappen, og da han havde taget den på, blev han usynlig. "Den er god nok, giv mig så sværdet," sagde han. "Nej," svarede de, "så kunne du jo skille os allesammen af med hovedet." Til sidst gav de ham det dog på den betingelse at han ville gøre prøve med et træ. Det gjorde han, og sværdet knækkede træet som en svovlstikke. Han ville nu også prøve støvlerne, men de sagde: "Nej, dem får du ikke. Du kunne jo bare ønske dig op på bjerget, så stod vi her med en lang næse." - "Jeg lover jer ikke at gøre det," sagde han og fik så støvlerne på. Han stod nu der med alle tre ting og tænkte bare på sin kone og sit barn. "Bare jeg dog var på det gyldne bjerg," sagde han for sig selv og forsvandt lige for næsen af kæmperne, der jo således havde fået deres strid ordnet. Da han kom til slottet hørte han fløjter og violiner, og folk fortalte ham, at hans dronning var ved at holde bryllup med en anden. "Den troløse," tænkte han, "hun har bedraget mig og forladt mig, mens jeg sov." Han tog nu kappen om sig og gik ind i slottet, uden at nogen kunne se ham. Da han kom ind i salen, sad gæsterne ved et overdådigt bord og spiste og drak og lo og snakkede. Dronningen sad i midten i prægtige klæder med krone på hovedet. Han stillede sig bagved hende, og der var ingen, som kunne se ham. Når hun lagde et stykke kød på sin tallerken, tog han det og spiste det, og når hun fyldte sit glas drak han det ud. Hvor meget hun tog, fik hun dog ingenting, for det forsvandt øjeblikkelig. Da blev hun både bange og skamfuld og gik ind i sit værelse og gav sig til at græde, men han gik bagefter hende. "Er det djævelen," sagde hun, "kommer min redningsmand da aldrig." Da slog han hende i ansigtet og råbte: "Er han måske ikke kommet. Det har jeg ikke fortjent af dig. Nu er straffen over dig, din bedragerske." Derpå tog han kappen af, gik ind i salen og råbte: "Brylluppet er forbi, den rette konge er kommet." Alle konger og fyrster og adelsmænd, der var forsamlede, spottede ham og lo, men han gjorde ikke mange omstændigheder. "Vil I pakke jer eller ej," sagde han. De trængte sig om ham for at fange ham, men han drog sit sværd og sagde: "Væk med alle hoveder undtagen mit."I samme øjeblik lå de alle på gulvet, og han sad alene som konge af det gyldne bjerg.





Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.