NEDERLANDS

De volleerde jager

TIẾNG VIỆT

Người thợ săn tài giỏi


Er was eens een jonge kerel; hij had het slotenmaken geleerd en zei tegen zijn vader: nu wilde hij de wereld in en voor voor zichzelf zorgen. "Ja," zei de vader, "daar ben ik 't mee eens," en hij gaf hem reisgeld mee. Dus trok hij rond en zocht werk.

Maar op een keer beviel het slotenmaken hem niet meer en toen kreeg hij zin in jagen. Op zijn zwerftocht was hij een jager tegengekomen in groene kledij, en die vroeg waar hij vandaan kwam en waar hij naar toe wou. Hij was een slotenmakersgezel, zei de jongen, maar dat beviel hem niet meer zo, en hij had zin in jagen en of hij bij hem komen mocht om het vak te leren. "Wel ja, als je mee wilt gaan." En toen ging de jongen mee, verhuurde zich voor een paar jaar bij hem en leerde het jagersvak.

Toen wilde hij verder zelf zien, en de jager gaf hem geen loon, behalve alleen een windbuks, en die had de eigenschap, als hij daar mee schoot, dan was elk schot raak.

Toen ging hij weg en kwam in een groot bos, en in één dag kon hij daar niet doorheen komen. Toen het avond was, ging hij boven in een boom zitten om veilig te zijn voor de wilde beesten. Tegen middernacht meende hij heel in de verte een lichtje te zien schemeren, hij bleef er door de takken naar kijken en lette op waar het was. En toen nam hij nog z'n hoed en gooide die naar beneden in die richting, zodat hij de goede kant op zou gaan, als hij weer beneden was gekomen. En zo klom hij naar beneden, liep naar z'n hoed, zette die op en liep rechttoe rechtaan verder.

Hoe langer hij liep, des te groter werd het licht, en toen hij er dichtbij kwam, zag hij, dat het een geweldig vuur was; drie reuzen zaten erbij en ze hadden een os aan 't spit en braadden hem.

Nu zei de één: "Ik moet eens zien of 't vlees gauw gaar is," en hij haalde er een stuk af en wou het in de mond steken, maar de jager schoot het hem uit de hand. "Kijk nou," zei de reus, "daar waait me de wind het stuk uit m'n hand," en hij nam een ander stuk.

Juist wou hij erin bijten, of daar schoot de jager het hem weer uit de hand; nu gaf de reus aan hem die naast hem zat, een klap om z'n oren, en riep boos: "Waarom pak jij mij mijn stuk vlees af?" - "Ik heb jou niets afgepakt," sprak de ander, "een scherpschutter zal het weggeschoten hebben."

Nu nam de reus voor de derde keer een stuk, maar hij kon het niet in zijn hand houden: de jager schoot het weg. Toen zeiden de reuzen: "Dat moet een goed schutter zijn, die je de hap voor de mond wegschiet, zo eentje zouden we kunnen gebruiken," en luid riepen zij: "Kom eens hier, jij scherpschutter, kom maar bij 't vuur zitten en eet je buik vol, we zullen je geen kwaad doen; maar als je niet komt en we moeten je kwaadschiks halen, dan is 't met je gedaan."

Toen trad de jongeman te voorschijn en zei dat hij voor jager had geleerd, en waar hij ook op mikte, dat trof hij zeker. En nu zeiden ze, als hij bij hen wilde blijven, zouden ze het goed hebben, en ze vertelden hem: voor 't bos lag een groot meer; en daarachter stond een toren, en in de toren zat een mooie prinses, en die wilden ze roven. "Ja," zei hij, "dat zal ik eens gauw doen." - "Ja maar," gingen ze voort, "er is een klein hondje bij, en dat begint direct te blaffen, als er iemand aankomt, en zodra het blaft wordt alles aan 't hof wakker: en daarom kunnen wij er nooit komen; zie je kans dat hondje dood te schieten?" - "Ja," zei hij, "dat is maar een kleinigheid."

En hij stapte in een boot en voer het meer over, en toen hij bijna aan land was, kwam het hondje aangedraafd en wou gaan blaffen, maar hij nam zijn buks en schoot. Toen de reuzen dat zagen, waren ze heel blij en dachten dat ze de mooie prinses eigenlijk al hadden, maar de jager wou eerst eens zien hoe de zaak stond, en hij zei dat ze buiten moesten blijven, tot hij riep.

Hij ging het slot in; alles was muisstil, en alles sliep. Hij deed een kamer open, aan de muur hing een zilveren sabel met een gouden ster, en de naam van de koning; maar ernaast lag op een tafel een verzegelde brief. Hij verbrak het zegel, en daar stond dat wie die sabel had, alles doden kon wat hem in de weg kwam. Hij nam de sabel van de wand, gespte hem om en ging verder.

Nu kwam hij in een kamer waar de prinses lag te slapen, en ze was zo mooi dat hij maar naar haar bleef kijken en zijn adem inhield. Hij dacht bij zichzelf: "Mag ik een onschuldig meisje wel in de macht van die wilde reuzen brengen? Ze hebben niet veel goeds in de zin." Hij keek nog eens rond, daar zag hij onder 't bed een paar pantoffels staan, op de rechter stond de naam van haar vader met een ster, en op de linker haar eigen naam met een ster. Ze had ook een grote halsdoek om, van zijde met goud borduursel, en op de rechter kant de naam van haar vader, op de andere kant haar naam, alles met gouden letters. De jager nam een schaar en knipte de rechter slip af en stopte die in zijn ransel, en dan nam hij ook de rechter pantoffel met de naam van de koning, en borg die er ook in. Het meisje lag nog steeds te slapen, en ze was helemaal vastgenaaid in haar hemd: toen knipte hij ook een stukje van het hemd af en stak het bij het andere, maar hij raakte haar helemaal niet aan.

Toen ging hij weg, hij liet haar rustig slapen, en toen hij weer bij de poort kwam, stonden de reuzen nog buiten te wachten en dachten dat hij de prinses zou meebrengen. Maar hij riep hun toe, dat ze maar binnen moesten komen, het meisje was al in zijn macht, maar hij kon de deur zelf niet openmaken: er was een gat waar ze door moesten kruipen.

De eerste kwam dichterbij, de jager greep hem bij zijn haar, trok de kop door 't gat naar binnen en hakte die met z'n sabel in één slag af en trok toen 't lichaam verder naar binnen. Toen riep hij de tweede en sloeg ook hem 't hoofd af, en eindelijk de derde. Hij was heel blij, dat hij de schone jonkvrouw van haar belagers had bevrijd, en hij sneed hen de tongen af en borg die ook nog in zijn ransel. En toen dacht hij: "Nu wil ik naar huis gaan, naar mijn vader, en hem tonen wat ik al gedaan heb, en dan wil ik in de wereld rondtrekken, het geluk dat God voor mij bestemd heeft, zal me toch wel ten deel vallen."

Maar toen de koning in zijn kasteel wakker werd, vond hij die drie reuzen die daar dood lagen. Hij ging de slaapkamer van zijn dochter binnen, wekte haar en vroeg wie dat wel kon geweest zijn, die de reuzen vermoord had. Zij zei: "Vaderlief, dat weet ik niet, ik heb geslapen." Nu stond ze op en wilde haar pantoffels aantrekken, en toen was de rechter weg, en toen ze haar halsdoek zag, was erin geknipt en de rechter slip was er af, en toen ze naar haar hemd keek was er een stukje af. De koning riep de hele hofhouding bij elkaar, soldaten en al, en hij vroeg wie zijn dochter had bevrijd en de reuzen had gedood?

Nu had hij een kapitein die had maar één oog en 't was een lelijke vent, en die zei, hij had het gedaan. Toen zei de koning: als hij het gedaan had, dan mocht hij ook trouwen met zijn dochter. Maar de prinses zei: "Vaderlief, als ik met die man moet trouwen, dan ga ik nog liever de wijde wereld in, zover als mijn voeten mij dragen willen." Nu zei de koning: als ze hem niet gehoorzamen wilde, dan moest ze haar koningskleren uittrekken en boerenkleren aandoen en weggaan, en dan moest ze maar naar een pottenbakker en aardewerk verkopen.

En ze ontdeed zich van haar koninklijk gewaad, en ze ging naar een pottenbakker en leende een heel stel aardewerk; ze beloofde hem ook dat ze 't 's avonds, als ze alles verkocht had, zou komen betalen. De koning zei dat ze maar op een hoek van de straat moest gaan zitten en haar waren te koop aanbieden. Toen bestelde hij een paar boerenwagens, en die moesten er middendoor rijden, zodat alles in duizend stukken zou breken. Toen de prinses alles op een hoek van de straat had neergezet, kwamen de karren aangereden en braken alles tot een hoop scherven. Ze begon te huilen en zei: "O God, hoe moet ik nu de pottenbakker betalen." Maar de koning had haar zo willen dwingen, met de kapitein te trouwen, maar in plaats daarvan ging ze weer naar de pottenbakker en vroeg of hij haar nog eens een voorschot wilde geven. Hij zei: "Nee," ze moest eerst het vorige betalen.

Nu ging ze naar haar vader, huilde en jammerde dat ze de wijde wereld wilde ingaan. Nu zei hij: "Ik zal buiten in 't bos een huisje voor je laten bouwen, daar moet je heel je leven in blijven wonen, en koken voor iedereen, maar je mag er niets voor aannemen.

Toen het huisje klaar was werd er boven de deur een bordje opgehangen:

"Vandaag gratis, morgen voor geld."
Daar bleef ze heel lang, en er werd overal rondverteld, dat er een jonkvrouw was en die kookte gratis, en dat stond op een bordje boven de voordeur. Dat hoorde de jager eens en hij dacht: "Dat zou wat voor jou zijn, je bent toch arm en je hebt geen geld." Hij nam dus de windbuks en zijn ransel waar alles nog in zat, wat hij indertijd in het slot als bewijzen mee had genomen, en hij ging het bos in en vond ook het huisje met het schild:
"Vandaag gratis, morgen voor geld."
Maar hij had ook de sabel om, waarmee hij de drie reuzen 't hoofd had afgeslagen, en zo kwam hij het huisje binnen en liet zich wat te eten geven. Hij verheugde zich erover dat het zo'n mooi meisje was, maar ze was dan ook beeldschoon. Ze vroeg waar hij vandaan kwam en waar hij naar toe wilde, en hij zei: "Ik reis de wereld door."

Toen vroeg ze hem waar hij die sabel vandaan had, want daar stond haar vaders naam op. Hij vroeg of ze soms de prinses was. "Ja," zei ze. "Met deze sabel," sprak hij, "heb ik drie reuzen 't hoofd afgehakt," en hij haalde als bewijs hun tongen uit zijn ransel, en toen liet hij haar ook de pantoffel zien, de slip van de halsdoek en 't stuk van haar hemd. Ze was zielsblij, en zei dat hij de man was, die haar had verlost.

En toen gingen ze samen naar de oude koning en haalden hem erbij en ze brachten hem naar haar slaapkamer en vertelde hem dat deze jager de man was, die haar werkelijk van de reuzen had verlost. En toen de oude koning al die bewijzen zag, kon hij niet meer twijfelen en zei dat het hem een vreugde was, te weten hoe alles was toegegaan, en nu mocht hij met haar trouwen; en daar was het meisje heel erg blij om.

Nu kleedden ze hem of hij een vreemdeling was, en de koning liet een groot feestmaal aanrichten. Ze gingen aan tafel, en de kapitein kwam links van de prinses te zitten, en de jager rechts: en de kapitein dacht dat het een vreemdeling was, die alleen maar op bezoek was gekomen. Ze aten en dronken, en toen zei de oude koning tegen de kapitein: hij zou hem een raadsel opgeven, en dat moest hij raden. Als iemand zei dat hij drie reuzen had gedood, en hem werd gevraagd, waar dan de tongen van de reuzen waren, en hij moest erkennen dat er in hun koppen geen tongen meer zaten; hoe kwam dat? De kapitein antwoordde: "Ze zullen geen tong hebben gehad." - "Dat kan niet," zei de koning, "elk beest heeft een tong," en verder vroeg hij, als iemand dat overkwam, wat voor straf stond daarop? "In stukken gescheurd moet hij," zei de kapitein. Toen zei de koning dat hij zijn eigen vonnis had geveld, en de kapitein werd gevangen gezet en daarna gevierendeeld, en de prinses trouwde met de jager. Toen haalde hij er zijn eigen vader en zijn moeder bij, en ze leefden gelukkig bij hun zoon, en toen de oude koning stierf, erfde hij het rijk.
Xưa có một chàng trai đã học xong nghề thợ khóa. Một hôm anh thưa cha, anh muốn đi đây đi đó hành nghề. Người cha bảo:
- Được con ạ, con nên đi.
Rồi ông cho con ít tiền để ăn dọc đường. Anh con trai đi các vùng làm nghề thợ khóa sinh sống, nhưng chỉ ít lâu sau anh thấy chán nghề thợ khóa và giờ chỉ thích nghề thợ săn. Đúng lúc đó thì anh gặp một người mặc quần áo thợ săn màu lục, hỏi anh từ đâu đến và định đi đâu. Anh đáp anh là thợ khóa, nhưng giờ không thích nghề ấy nữa, muốn học săn bắn, không biết bác có sẵn lòng cho anh theo học nghề săn bắn không. Bác thợ săn đáp:
- Ồ, được lắm chứ, nếu chú thích thì đi với tôi.
Anh đi theo, chịu khó theo học nghề săn bắn ở bác thợ cả kia mấy năm liền. Thành nghề anh xin được phép đi đó đây hành nghề. Tưởng thưởng công anh, bác thợ săn tặng anh một khẩu súng hơi đặc biệt, giương súng lên bắn gì trúng nấy.
Anh lên đường, tới một cánh rừng rất lớn, đi cả ngày mãi vẫn chưa ra tới đầu rừng đằng kia. Bóng đêm đã trùm xuống cánh rừng và anh vẫn chưa ra khỏi rừng, để tránh thú dữ anh trèo lên cây cao. Khoảng nửa đêm, anh thấy ở xa có ánh lửa le lói, anh nhìn kỹ qua đám cành lá. Để nhớ chỗ ấy, anh lấy mũ ném về phía ánh lửa định hướng đi. Rồi anh tụt xuống, nhặt mũ đội lên đầu và cứ hướng ấy mà đi.
Càng đi tiếp, thấy ánh lửa càng lớn hơn. Đến gần anh thấy một đống lửa rất to, ba gã khổng lồ ngồi quanh đống lửa đang quay một cái xiên nướng một con bò. Bỗng một gã nói:
- Tớ phải nếm xem đã chín chưa?
Gã xé một miếng, đang đưa vào miệng thì bị anh thợ săn bắn một phát, thịt văng đi mất. Gã nói:
- Chà, chà, gió mà cũng thổi bay miếng thịt.
Gã xé miếng khác, gã ghé răng vừa định cắn lại bị anh thợ săn bắn phát thứ hai, thịt văng đi. Nổi cáu, gã bạt tai gã ngồi cạnh và nói:
- Tại sao cậu lại giằng mất của tớ?
Gã kia cãi:
- Tớ có giằng của cậu đâu, chắc có tay thiện xạ nào bắn văng đi đấy.
Gã khổng lồ xé miếng thịt thứ ba, nhưng cầm chưa chắc tay đã bị bắn văng đi mất. Lúc ấy mấy gã bảo nhau:
- Người bắn này nhất định phải là tay thiện xạ. Kể có một người như thế cũng tốt cho chúng ta.
Rồi cả ba gọi thật to:
- Nhà thiện xạ ơi, tới đây, ngồi với chúng tôi bên lửa sưởi ấm và ăn cho no vào. Chúng tôi không làm gì anh đâu. Nhưng nếu không chịu ra, để chúng tớ phải ra tay thì cậu xong đời đấy.
Chàng bước tới phía họ và nói mình là thợ săn tài giỏi, bắn gì trúng nấy. Chúng bảo nếu anh đi cùng với chúng, anh sẽ có tất cả. Chúng kể cho anh biết, trước cửa rừng là một con sông lớn, ở bên kia sông là một lâu đài, một công chúa xinh đẹp sống trong lâu đài ấy, chúng muốn cướp nàng đi.
Anh thợ săn nói:
- Chà, việc ấy tôi làm được.
Chúng lại bảo:
- Nhưng còn điều này, có con chó nhỏ rất thính, cứ thấy có người đến gần là nó sủa làm mọi người trong lâu đài biết có người lạ, làm chúng tớ không sao vào được. Cậu có thể rình bắn chết con chó ấy được không?
Anh thợ săn đáp:
- Được chứ, với tôi nó là thú vui.
Sau đó anh xuống thuyền qua sông. Thuyền sắp cập bến, con chó chạy ra định sủa, nhưng chàng thợ săn đã cho nó một phát đạn chết ngay tại chỗ. Thấy thế bọn khổng lồ mừng lắm, chắc sẽ cướp được công chúa. Chàng thợ săn muốn xem tình hình ở trong lâu đài nên bảo chúng đợi ở ngoài, chờ anh gọi.
Anh vào trong lâu đài, cảnh vật im lặng như tờ. Anh mở cửa phòng đầu tiên, thấy trên tường treo thanh kiếm bạc, có đính ngôi sao bằng vàng và khắc tên vua. Trên bàn gần đó có lá thư niêm phong gắn xi. Anh mở thư đọc, trong thư viết:
- Ai lấy được kiếm, người đó có thể hạ sát mọi đối thủ.
Anh lấy kiếm treo ở tường và đeo vào người, rồi lại đi. Bước vào phòng khác, anh thấy công chúa đang ngủ, nàng đẹp quá làm anh đứng lặng người ngắm và nghĩ bụng:
- Một người con gái trong trắng như thế này nỡ lòng nào để rơi vào tay mấy đứa khổng lồ hung bạo, nham hiểm kia?
Anh nhìn quanh, thấy dưới gầm giường có đôi hài. Ở hài bên phải có đính một ngôi sao và tên công chúa. Cổ nàng quấn khăn lụa thêu kim tuyến, tên vua với một ngôi sao thêu ở vạt bên phải, ở vạt bên trái thêu tên công chúa với một ngôi sao, chữ thêu bằng chỉ vàng. Anh lấy kéo cắt vạt khăn bên phải, lấy chiếc hài bên phải có thêu tên vua, cả hai anh bỏ vào túi quần. Trong lúc ấy, công chúa vẫn ngủ say, áo nàng rộng thùng thình, chàng cắt một miếng ở áo và đút vào túi quần bên kia. Chàng làm rất nhẹ nhàng, không động đến người nàng.
Rồi anh bước ra khỏi phòng, để yên cho nàng ngủ. Khi anh ra tới cổng bọn khổng lồ đợi ở ngoài tưởng anh đem công chúa ra. Anh gọi, bảo chúng vào và nói, người thiếu nữ đó ở trong tay anh rồi, anh không mở được cổng lâu đài, nhưng chúng có thể chui theo lỗ hổng để vào. Khi gã thứ nhất thò đầu vào, anh liền túm tóc kéo và cầm kiếm chém đứa đầu, rồi lôi cả người nó vào trong. Xong anh gọi đứa thứ hai chặt đầu nó, rồi tiếp đến là chặt đầu đứa thứ ba. Anh rất mừng vì đã cứu được công chúa khỏi tay kẻ thù. Anh xẻo lưỡi cả ba và bỏ túi. Anh nghĩ bụng.
- Giờ ta về nhà kể cho cha biết việc mình đã làm, rồi đi chu du thiên hạ, biết đâu trời lại cho gặp may.
Vua ở trong lâu đài, khi thức dậy nhìn ra ngoài thấy ba đứa khổng lồ nằm chết, vội chạy sang phòng công chúa, hỏi ai đã giết ba đứa khổng lồ. Công chúa thưa:
- Tâu vua cha, con ngủ say nên không biết.
Công chúa dậy, định mang hài thì không thấy chiếc bên phải. Nhìn khăn nàng thấy mất vạt bên phải, nhìn áo cũng thấy mất một mảnh. Vua cho triệu cả triều thần cùng binh tướng, hỏi ai đã giết lũ khổng lồ, cứu công chúa. Một đại úy chột mắt, xấu trai đứng nhận mình đã làm việc đó.
Vua phán gả công chúa để tưởng thưởng công cho đại úy. Công chúa thưa:
- Tâu vua cha, thà con bỏ hoàng cung đi chu du thiên hạ cho tới khi nào chồn chân mỏi gối còn hơn là lấy con người kia.
Vua truyền, nếu nàng không vâng lời, thì nàng phải cởi trả hoàng y mặc quần áo dân thường và ra khỏi hoàng cung. Nàng phải đến một hàng nồi kia để ngồi bán nồi đất.
Công chúa trả hoàng y, đến nhà hàng nồi, hỏi lấy trước một số nồi, hẹn chiều bán xong mang tiền lại trả. Vua còn hạn, nàng phải dọn hàng ở ngay góc đường. Xong vua ra lệnh thuê mấy chiếc xe ngựa, sai đánh xe chạy qua giữa đám nồi đất cho vỡ tan tành từng mảnh. Nàng vừa dọn hàng xong thì đoàn xe kéo đến, cán vỡ nồi ra từng mảnh. Nàng ngồi khóc lóc:
- Trời ơi là trời, lấy tiền đâu ra mà trả nhà hàng bây giờ.
Vua muốn dùng cách ấy để ép buộc nàng phải lấy viên đại úy. Nàng lại đến hàng nồi, hỏi mượn thêm chuyến hàng nữa. Nhà hàng không chịu đòi trả đủ số tiền lần trước đã. Nàng về kêu khóc với vua cha, nói nàng muốn đi thật xa. Vua phán:
- Ta sẽ cho dựng một cái lán nhỏ trong rừng, con vào sống ở đó, nấu ăn cho bất kỳ ai mà không được lấy tiền.
Lán dựng xong, ngoài cửa treo tấm biển: "Hôm nay đãi không, ngày mai sẽ lấy tiền." Công chúa sống ở đó một thời gian, tin truyền đi mọi nơi rằng ở chỗ đó có quán ăn biển đề ăn không mất tiền, mà người nấu là một cô gái.
Tin đồn đến tai anh thợ săn. Anh nghĩ bụng.
- Đây là dịp tốt cho mình. Đang lúc nghèo túng, không xu dính túi.
Anh khoác súng lên vai và mang theo túi đựng những vật làm chứng lấy ở trong lâu đào. Anh đi vào rừng và thấy quán ăn có treo biển "Hôm nay đãi không, ngày mai lấy tiền." Anh vẫn đeo thanh kiếm đã chém ba gã khổng lồ ở bên người, và bước vào quán, xin cho một bữa ăn. Được thấy người đẹp như trong tranh, chàng hết sức vui mừng.
Nàng hỏi anh từ đâu tới và định đi đâu. Anh đáp:
- Tôi đi chu du thiên hạ.
Thấy tên vua khắc ở kiếm, nàng hỏi anh lấy nó ở đâu. Anh hỏi, có phải nàng là công chúa không. Nàng đáp:
- Đúng vậy. Anh đã chém ba đứa khổng lồ bằng thanh kiếm này.
Anh lấy ở trong túi ra xâu lưỡi để chứng minh, và lấy hài, vạt khăn và mảnh áo đưa cho nàng xem. Nhận ra người đã cứu mình, công chúa hết sức vui mừng. Ngay sau đó cả hai cùng về gặp vua. Công chúa dẫn vua về phòng riêng của mình ngày trước và nói rõ sự việc, chính anh thợ săn mới là người giết lũ khổng lồ, cứu công chúa. Nhìn những đồ vật của công chúa và ba cái lưỡi, nhà vua không còn nghi ngờ gì nữa và phán:
- Ta rất mừng vì mọi việc đã rõ. Ta thuận cho chàng thợ săn làm phò mã.
Công chúa trong lòng rất phấn khởi. Anh thợ săn được thay quần áo giả làm khách từ xa tới. Vua truyền bày tiệc thết khách. Công chúa ngồi giữa, bên trái là viên đại úy, bên phải là anh thợ săn. Viên đại úy cứ đinh ninh đó là khách từ xa tới. Ăn uống xong, vua bảo viên đại úy hãy trả lời câu hỏi sau:
- Có kẻ nhận đã giết ba đứa khổng lồ người ta hỏi, lưỡi của chúng đâu mà chỉ thấy đầu lâu thôi, thế là thế nào?
Viên đại úy tâu:
- Mấy đứa khổng lồ không có lưỡi.
Vua phán:
- Nói sai. Loài vật nào cũng có lưỡi.
Vua hỏi tiếp:
- Kẻ gian trá sẽ bị trừng phạt thế nào?
Viên đại úy tâu:
- Tội đó phải bị phanh thây.
Lúc đó vua phán:
- Thế là tự nó nói án cho nó rồi.
Viên đại úy bị giam ngục và sau đó bị phanh thây thành bốn khúc.
Công chúa lấy anh thợ săn. Phò mã cho đón cha mẹ đến để phụng dưỡng. Cả nhà vui sống bên nhau. Sau khi vua mất, phò mã lên nối ngôi.

Dịch: Lương Văn Hồng, © Lương Văn Hồng




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.