NEDERLANDS

De heldere zon brengt het aan het licht

POLSKI

Jasne słońce cię wyda!


Ooit lang geleden in een land hier ver vandaan, of misschien wel gisteren in een stad hier vlak bij, was er eens een kleermakersleerling die de wereld rondreisde voor zijn beroep. Hij kon geen werk vinden en was zo arm dat hij geen cent meer had om uit te geven. In die tijd kwam hij onderweg een rondtrekkende marskramer tegen, en toen dacht hij: die kon wel veel geld bij zich hebben, en hij verstootte God uit zijn hart, ging op hem af en zei:

"Geef me je geld, of ik sla je dood."

Toen zei de marskramer:

"Laat me toch leven, geld heb ik niet, alleen acht centen."

Maar de kleermaker zei:

"Geld heb je toch, en dat moet ik hebben ook,"

En hij sloeg erop los en sloeg zo lang tot hij bijna dood was. En toen de marskramer ging sterven, was zijn laatste woord:

"De heldere zon zal het aan het licht brengen!"

Een toen stierf hij. De kleermakersleerling zocht in zijn zak en zocht naar geld, maar hij vond niet meer dan de acht centen waarover de marskramer gesproken had. Toen pakte hij hem op, droeg hem achter een paar struiken en trok verder om werk te zoeken. Toen hij lang gereisd had, kwam hij in een stad bij een meester en die had een mooie dochter, en daar werd hij verliefd op en hij trouwde haar en leefde met haar in een goed en gelukkig huwelijk.

Lang daarna, ze hadden al twee kinderen, stierven de schoonvader en de schoonmoeder, en het jonge paar had het huis voor zich alleen.

Op een morgen, de man zat op tafel voor het venster, bracht de vrouw hem koffie, en toen hij die op het schoteltje had gegoten en juist wou uitdrinken, scheen de zon erop, en de weerschijn blonk op de muur en maakte daar kringetjes op. Toen keek de kleermaker naar boven en zei:

"Ja, die wil het graag aan het licht brengen en het kan niet!"

De vrouw zei:

"Maar lieverd, wat is dat? Wat bedoel je daar mee?"

Hij antwoordde:

"Dat mag ik je niet zeggen."

Maar zij zei:

"Als je echt van me houdt, moet je het me zeggen."

En ze beloofde hem met de liefste woordjes dat zij het aan niemand zou vertellen, en ze liet hem niet met rust.

Tenslotte vertelde hij dan toch, hoe hij jaren geleden als zwerver helemaal zonder geld en zonder eten was geweest, en dat hij toen een marskramer beroofd had, en hoe de man in doodsnood gesproken had:

"De heldere zon zal het aan het licht brengen."

En nu had de zon het juist aan het licht willen brengen, en had op de muur geschenen en daar kringetjes gemaakt, maar het was haar tcoh niet gelukt. En daarna smeekte hij haar nog in het bijzonder, dat ze het niemand zou zeggen, anders kostte het hem zijn leven, en dat beloofde ze hem ook.

Maar toen hij aan het werk was gegaan, ging zij naar haar peettante en vertrouwde haar het hele verhaal toe, maar zij mocht het aan niemand verder vertellen; maar voor er drie dagen voorbij waren, wist de hele stad het, en de kleermaker werd aangeklaagd en veroordeeld.

Zo had de heldere zon het toch aan het licht gebracht.
Pewien krawczyk podróżował po świecie za chlebem, lecz nie mógł znaleźć pracy, a bieda jego była taka, że nawet jednego halerza na jedzenie nie miał. W czasie tym na drodze spotkał go żyd. Pomyślał więc sobie, że żyd ma pieniądze przy sobie. Wyrzucił zatem Boga ze swego serca, ruszył w jego stronę i rzekł: "Daj mi pieniądze, ale Cię zatłukę na śmierć!" – "A żyd odpowiedział: "Daruj mi życie. Nie mam pieniędzy, na pewno nie więcej niż osiem halerzy." Lecz krawiec rzekł: "Masz pieniądze i zaraz mi je dasz," Użył przemocy i bił żyda tak długo, aż ten był bliski śmierci. A gdy żyd już miał umrzeć, rzekł swe ostatnie słowa: "To ujrzy światło dnia w promieniach jasnego słońca." I tak umarł. Krawczyk rzucił się na jego kieszenie w poszukiwaniu pieniędzy, lecz nie znalazł więcej niż osiem halerzy, jak mu to żyd powiedział. Chwycił go potem, zaniósł w krzaki i ruszył za chlebem. Podróżował długo, aż znalazł pracę u majstra w pewnym mieście. A majster ów miał piękną córkę. Zakochał się w niej krawczyk, ożenił się z nią i żyli w dobrym i szczęśliwym małżeństwie.

Długo potem, gdy mięli już dwoje dzieci, pomarli teść i teściowa, młodzi państwo mieli dom tylko dla siebie. Pewnego ranka, gdy mąż siedział przy stole przed oknem, żona przyniosła mu kawy, a on wylał ją do podstawki i już miał ją właśnie wypić, zaświeciło na nią słońce, a jego odbicie mrugało wysoko na ścianie i robiło zakrętasy. Spojrzał krawiec do góry i rzekł: "Chce to wyjawić w świetle dnia, ale nie może!" Żona rzekła zaś: "Ach, drogi mężu, co takiego? Co miałeś na myśli?" Odpowiedział, że nie może powiedzieć." Lecz ona powiedziała: "Jeśli mnie kochasz, to mi powiesz," i przysięgała mu na wszystko, że żaden człowiek się nie dowie, a nie dawała mu spokoju. Opowiedział jej tedy, jak przed laty wędrował goły i bez pieniędzy, jak zabił żyda, a ten w ostatnich słowach w śmiertelnym strachu rzekł swe słowa: "To na światło dnia w promieniach jasnego słońca!" Teraz promienie słońca chciały wynieść to na światło dnia, mrugały na ścianie i robiły zakrętasy, lecz niczego zdradzić nie mogły. Potem prosił ją jeszcze aby nikomu nie mówiła, inaczej bowiem życie postrada. To też mu obiecała. Gdy wziął się do roboty, poszła do swej kumy i powierzyła jej tę historię z prośbą by nikomu jej nie opowiadała. Lecz nie minęły trzy dni, a wiedziało już całe miasto, krawiec trafił przed sąd i wydano na niego wyrok. I tak oto prawda ujrzała światło dnia w promieniach jasnego słońca.

Tłumaczył Jacek Fijołek, © Jacek Fijołek




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.