NEDERLANDS

Sneeuwwitje en Rozerood

ESPAÑOL

Blancanieve y Rojaflor


Een arme weduwe leefde in een hutje en voor het hutje was een tuin en daar stonden twee rozeboompjes in, en de een had witte en de andere rode rozen; en ze had twee kinderen en die leken zo op die twee rozeboompjes, en het ene heette Sneeuwwitje en het andere Rozerood. Maar ze waren heel vroom en lief en ijverig en flink, zoals er zelden kinderen op aarde zijn geweest, alleen was Sneeuwwitje wat stiller en zachter dan Rozerood. Rozerood hield ervan om in de weiden en velden te springen en bloemen en vogels te zoeken, maar Sneeuwwitje zat liever thuis bij moeder, hielp haar met 't huishouden, of, als er niets te doen was, las ze haar voor. De kinderen hielden zoveel van elkaar, dat ze altijd hand in hand liepen als ze samen uitgingen; en als Sneeuwwitje zei: "We gaan nooit uit elkaar," dan vulde Rozerood aan: "Zolang we leven, nooit!" en de moeder voegde eraan toe: "Wat de één heeft, moet ze delen met de andere." Dikwijls liepen ze alleen in het bos om rode bessen te plukken, maar geen dier deed hun enig kwaad, ja, ze kwamen dikwijls aangelopen en deden heel vertrouwelijk: een haasje at een koolblad uit hun hand, een ree graasde naast hen; het hert kwam vrolijk langs hen gesprongen, en de vogels bleven zitten en zongen hun mooiste liedjes. Nooit kregen ze een ongeluk: als het in 't bos laat was geworden en de nacht al viel, dan gingen ze naast elkaar op 't mos liggen slapen tot de volgende morgen, en dat wist de moeder en ze maakte zich over hen geen zorgen. En eens op een keer toen ze ook weer in 't bos hadden geslapen, en ze gewekt werden door het morgenrood, zagen ze een mooi, witgekleed kind bij hen zitten. Toen stond het kind op en keek hen heel vriendelijk aan, maar het sprak geen woord en ging het bos weer in. En toen ze opkeken, zagen ze dat ze vlak bij een afgrond hadden geslapen en dat ze daar zeker in waren gevallen, als ze in de duisternis nog een paar passen verder waren gegaan. Maar hun moeder zei, dat het de engel moest zijn geweest die de wacht houdt over goede kinderen.
Sneeuwwitje en Rozerood hielden het hutje van hun moeder zo keurig, dat het een plezier was ernaar te kijken, 's Zomers deed Rozerood het huishouden en zette elke morgen voor haar moeder, voor ze wakker werd, een bos bloemen neer, van elke boom één roosje, 's Winters maakte Sneeuwwitje het vuur aan en hing de ketel aan de haak, een koperen ketel, die glansde als goud, zo prachtig was hij geschuurd, 's Avonds als de vlokken neervielen, dan zei moeder: "Kom Sneeuwwitje, schuif de grendel voor de deur." En dan gingen ze bij de haard zitten, en moeder nam haar bril en ging hun voorlezen uit een heel groot boek, en de beide meisjes luisterden en zaten te spinnen; naast hen lag een lammetje op de vloer en achter hen, op een kruk, zat een witte duif, z'n kop onder de vleugel.
Op een avond – ze zaten weer zo veilig bij elkaar, klopte iemand aan de deur, alsof hij vroeg om te worden binnengelaten. Moeder zei: "Gauw, Rozerood, doe eens open, 't zal een reiziger zijn die onderdak vraagt." Rozerood stond op, schoof de grendel weg en dacht dat het een arme man zou zijn, maar het was het niet; het was een beer, en hij strekte z'n dikke zwarte poten naar binnen. Rozerood gilde het uit en deed een sprong achteruit; het lammetje ging blaten, het duifje fladderde angstig, en Sneeuwwitje kroop achter het bed van haar moeder. Maar de beer kon praten en begon: "Wees niet bang, ik zal u geen kwaad doen, maar ik ben half verkleumd en ik zou me zo graag hier warmen." - "Arme beer," zei de moeder, "ga maar voor het vuur liggen en let erop, dat je je pels niet schroeit." Dan riep ze: "Sneeuwwitje, Rozerood, kom eens tevoorschijn, die beer doet niets, hij meent het goed." Toen kwamen ze allebei dichterbij, en langzaamaan kwamen ook het duifje en het lammetje dichterbij, en waren niet bang. De beer zei: "Kinderen, klop de sneeuw toch een beetje uit m'n vacht!" en ze haalden de bezem en veegden zijn vacht schoon; en toen ging hij voor het vuur liggen en knorde heel behaaglijk en tevreden. Het duurde niet lang of ze raakten helemaal vertrouwd met hem en begonnen hem een beetje te plagen. Ze trokken aan zijn haar, zetten hun voetjes op zijn rug, en sjorden hem naar alle kanten, of ze namen een hazeltak en sloegen hem daarmee, en als hij bromde, gingen ze lachen. Maar de beer vond het wel aardig, en als ze het wat al te bont maakten, riep hij: "Laat me toch leven, kinders,

Sneeuwwitje, Rozerood,
jullie slaan je vrijer dood!"

Toen het bedtijd was, en de anderen gingen slapen, zei de moeder tegen de beer: "Je kunt, in Godsnaam, daar wel bij de haard blijven liggen, dan heb je beschutting voor de kou en het slechte weer." En met het eerste morgenlicht, lieten de kinderen hem uit, en hij draafde door de sneeuw naar het bos. Van nu af aan kwam de beer iedere avond op een vaste tijd, ging bij de haard liggen, en liet de kinderen met hem spelen, zoveel ze wilden; en ze raakten er zo aan gewend, dat de deur niet eerder gegrendeld werd, voor de zwarte broeder binnen was.
Toen de lente kwam en buiten alles groen werd, zei de beer op een morgen tegen Sneeuwwitje: "Nu moet ik weg, en ik mag de hele zomer niet meer terugkomen." - "Waar ga je dan naar toe, lieve beer?" vroeg Sneeuwwitje. "Ik moet naar 't bos op mijn schatten passen tegen de boze dwergen; 's winters, als de grond bevroren is, moeten ze wel beneden blijven en dan kunnen ze niet doorwerken, maar nu, nu de zon de aarde heeft ontdooid en verwarmd, breken ze door, komen naar boven, en ze zoeken wat te stelen; en wat eenmaal in hun handen is gevallen en in hun hol is gekomen, dat krijg je zo makkelijk niet weer in 't daglicht." Sneeuwwitje was heel bedroefd over dat afscheid, en toen ze de grendel van de deur schoof en de beer eruit glipte, bleef hij aan de haak hangen en een stuk van z'n huid ging kapot, en toen scheen 't Sneeuwwitje toe of ze goud had zien blinken, maar ze was er niet zeker van. De beer snelde vlug weg en was weldra achter de bomen verdwenen. Na een poosje zond de moeder haar kinderen naar het woud om takkebosjes te maken. Buiten vonden ze een grote boom die geveld op de aarde lag, en bij die stam sprong iets tussen het gras omhoog en naar beneden, maar ze konden niet precies zien, wat. En toen ze dichterbij kwamen, zagen ze een dwerg met een heel oud, vervallen gezichtje en een ellenlange sneeuwwitte baard. Het einde van de baard was vastgeklemd in een spleet van de boom, en het kleine manneke sprong heen en terug als een hondje aan de lijn, en wist niet hoe hij los moest komen. Hij keek de meisjes met zijn rode, gloeiende ogen aan en riep: "Wat staan jullie daar? Kunnen jullie niet hier komen en me helpen?" - "Maar wat ben je nu begonnen, klein mannetje?" vroeg Rozerood. "Domme, nieuwsgierige gans!" antwoordde de dwerg, "ik heb die boom willen splijten, om houtjes te hebben voor het keukenvuur; want als je dikke blokken hebt, verbrandt het kleine beetje eten dat wij maar nodig hebben; want wij slokken niet zoveel op als jullie grof, begerig volk. Ik had er de wig al een eind ingedreven, en alles was goed gegaan, als dat ellendige hout maar niet zo glad was geweest, opeens sprong de wig eruit, en de boomspleet ging dicht; zo plotseling, dat ik er mijn mooie witte baard niet meer uit kon halen; nu zit hij vast, en ik kan niet weg! En nu lachen jullie melkmuilen! Bah, wat zijn jullie een plaaggeesten!" Intussen deden de kinderen alle mogelijke moeite, de baard los te krijgen, maar het ging niet. "Ik ga gauw iemand halen," zei Rozerood. "Oliedomme schaapskoppen!" snauwde de dwerg, "wie haalt er nu dadelijk iemand bij, jullie zijn er al twee teveel, weet je niets beters te vinden?" - "Wees nu niet zo ongeduldig," zei Sneeuwwitje, "ik zal wel wat bedenken," en ze haalde een schaartje uit haar zak en knipte het eind van de baard af. Nog maar net voelde de dwerg zich vrij, of hij greep naar een zak, die tussen de wortels van de boom lag en met goud was gevuld, hij tilde hem op, en bromde voor zich uit. "Onbehouwen volk, dat snijdt me zo maar een stuk van mijn prachtige baard af! Dank je de koekoek!" en daarmee slingerde hij z'n zak op z'n rug en liep weg, zonder de kinderen zelfs maar aan te kijken.
Een tijd later wilden Sneeuwwitje en Rozerood samen een maaltje vis gaan vangen. Toen ze vlakbij de beek waren, zagen ze, dat iets als een reuzegrote sprinkhaan naar 't water toe sprong, alsof hij erin wilde springen. Ze liepen erheen en herkenden de dwerg. "Waar wil je naar toe?" vroeg Rozerood, "je wou toch niet 't water in?" - "Zo'n gek ben ik niet!" schreeuwde de dwerg, "zien jullie dan niet, dat die verwenste vis me erin wil trekken?" Het kleine wezen had er zitten vissen, en helaas had de wind z'n baard in de hengel verward; en toen vlak daarna een grote vis beet, had het kleine schepsel kracht te kort, om het eruit te halen. De vis was de sterkste en trok de dwerg naar zich toe. Wel hield hij zich aan alle halmen en rietpluimen vast, maar dat hielp niet veel: hij moest alle bewegingen van de vis volgen en was steeds in gevaar in 't water te worden getrokken. De meisjes kwamen precies op tijd; ze hielden hem vast en probeerden de baard van de hengel los te maken, maar dat hielp weinig; baard en snoer zaten vast in elkaar. Er bleef niets anders over, dan het schaartje weer tevoorschijn te halen en de baard af te knippen, waarbij een klein gedeelte verloren ging. Toen de dwerg dat zag, schreeuwde hij hun toe: "Zijn dat manieren, slampampers, om iemands aangezicht te schenden? Is het niet genoeg, dat de punt al van mijn baard is genomen? Nu knippen jullie er het beste stuk af; ik kan me gewoon niet vertonen aan de familie. Ik wou dat jullie moest lopen en je schoenzolen verloren hadden!" en toen haalde hij een zak vol parels, die in 't riet lag, en zonder verder een woord te zeggen, sleepte hij die weg en verdween achter een steen. Kort daarna zond de moeder de beide meisjes naar de stad, om garen te kopen, naalden, band en veters. De weg ging over de hei, en daar lagen hier en daar grote rotsblokken. Daar zagen ze een grote vogel in de lucht; hij ging langzaam in kringen boven hun hoofd steeds dieper dalend, eindelijk kwam hij op een rots in hun nabijheid neergestreken. Vlak daarna hoorden ze een doordringende jammerkreet. Ze kwamen aanlopen en zagen tot hun schrik, dat de arend hun oude bekende, de dwerg, gepakt had en hem mee wilde nemen. De medelijdende kinderen hielden het mannetje dadelijk vast, en sjorden zo lang aan die arend dat hij zijn buit losliet. Toen de dwerg van zijn eerste schrik bekomen was, schreeuwde hij met een krijsende stem: "Kun je niet wat fatsoenlijker met me omgaan? Je hebt me getrokken aan mijn dunne jasje, zodat het overal vol met gaten en scheuren zit; onhandige domoren die jullie zijn!" En toen nam hij een zak edelstenen en glipte weer onder de rots in z'n hol. De meisjes waren allang gewend aan zijn ondankbaarheid, ze gingen verder en deden in de stad boodschappen. Op de terugweg kwamen ze weer de heide over, en daar verrasten ze de dwerg, die op een mooi plekje de zak met edelstenen had uitgeschud en geen ogenblik gedacht had, dat er zo laat nog iemand langs zou komen. De avondzon scheen in de schitterende stenen, ze flonkerden en straalden zo prachtig, in alle kleuren, dat de kinderen bleven staan en keken. "Wat staan jullie daar alsof kijken niks kost!" schreeuwde de dwerg ui z'n asgrauw gezicht werd purperrood van boosheid. En hij wilde z'n scheldpartij voortzetten, toen opeens een luid gebrom weerklonk en een zwarte beer uit 't bos kwam aandraven. Vol schrik sprong de dwerg op, maar hij kon niet meer bij zijn schuilhoek komen, de beer was al te dichtbij. Toen riep hij in angst: "Lieve beste beer, vergeef me, ik zal u al mijn schatten geven, kijk eens naar die mooie edelstenen, die daar liggen. Laat mij leven; wat heb je aan mij, klein onderkruipsel? Je proeft me nauwelijks tussen je tanden, neem liever die twee goddeloze meisjes, dat is een lekker hapje voor je, vet als jonge kwartels; eet die op in Godsnaam." De beer bekommerde zich niet om dit gepraat, gaf het lelijk gedrocht een enkele slag met zijn poot, en 't bleef roerloos liggen.
De meisjes waren weggehold, maar de beer riep hen na: "Sneeuwwitje en Rozerood, wees maar niet bang, ik ga met jullie mee!" Nu herkenden ze hem aan zijn stem, ze bleven staan, en toen de beer bij hen was, viel opeens het berevel weg en daar stond hij als een knappe kerel en hij was helemaal in 't goud gekleed. "Ik ben een koningszoon," zei hij, "en ik was betoverd door die gruwelijke dwerg, die mijn schatten had gestolen; ik moest door de bossen lopen als een wilde beer, tot zijn dood me zou verlossen, maar nu heeft hij z'n welverdiende straf."
Sneeuwwitje is met hem getrouwd, en Rozerood met zijn broer; ze deelden de schatten met elkaar, want de dwerg had alles in z'n hol gesleept. De oude moeder leefde nog heel lang en gelukkig bij haar kinderen. Maar ze nam de twee rozeboompjes mee, en die stonden voor haar venster en bloeiden jaar op jaar met de mooiste rozen, wit en rood.
Una pobre viuda vivía en una pequeña choza solitaria, ante la cual había un jardín con dos rosales: uno, de rosas blancas, y el otro, de rosas encarnadas. La mujer tenía dos hijitas que se parecían a los dos rosales, y se llamaban Blancanieve y Rojaflor. Eran tan buenas y piadosas, tan hacendosas y diligentes, que no se hallarían otras iguales en todo el mundo; sólo que Blancanieve era más apacible y dulce que su hermana. A Rojaflor le gustaba correr y saltar por campos y prados, buscar flores y cazar pajarillos, mientras Blancanieve prefería estar en casa, al lado de su madre, ayudándola en sus quehaceres o leyéndose en voz alta cuando no había otra ocupación a que atender. Las dos niñas se querían tanto, que salían cogidas de la mano, y cuando Blancanieve decía:
- Jamás nos separaremos -contestaba Rojaflor:
- No, mientras vivamos -y la madre añadía: - Lo que es de una, ha de ser de la otra.
Con frecuencia salían las dos al bosque, a recoger fresas u otros frutos silvestres. Nunca les hizo daño ningún animal; antes, al contrario, se les acercaban confiados. La liebre acudía a comer una hoja de col de sus manos; el corzo pacía a su lado, el ciervo saltaba alegremente en torno, y las aves, posadas en las ramas, gorjeaban para ellas.
Jamás les ocurrió el menor percance. Cuando les sorprendía la noche en el bosque, tumbábanse juntas a dormir sobre el musgo hasta la mañana; su madre lo sabía y no se inquietaba por ello. Una vez que habían dormido en el bosque, al despertarlas la aurora vieron a un hermoso niño, con un brillante vestidito blanco, sentado junto a ellas. Levantóse y les dirigió una cariñosa mirada; luego, sin decir palabra, se adentró en la selva. Miraron las niñas a su alrededor y vieron que habían dormido junto a un precipicio, en el que sin duda se habrían despeñado si, en la oscuridad, hubiesen dado un paso más. Su madre les dijo que seguramente se trataría del ángel que guarda a los niños buenos.
Blancanieve y Rojaflor tenían la choza de su madre tan limpia y aseada, que era una gloria verla. En verano, Rojaflor cuidaba de la casa, y todas las mañanas, antes de que se despertase su madre, le ponía un ramo de flores frente a la cama; y siempre había una rosa de cada rosal. En invierno, Blancanieve encendía el fuego y suspendía el caldero de las llares; y el caldero, que era de latón, relucía como oro puro, de limpio y bruñido que estaba. Al anochecer, cuando nevaba, decía la madre:
- Blancanieve, echa el cerrojo - y se sentaban las tres junto al hogar, y la madre se ponía los lentes y leía de un gran libro. Las niñas escuchaban, hilando laboriosamente; a su lado, en el suelo, yacía un corderillo, y detrás, posada en una percha, una palomita blanca dormía con la cabeza bajo el ala.
Durante una velada en que se hallaban las tres así reunidas, llamaron a la puerta.
- Abre, Rojaflor; será algún caminante que busca refugio -dijo la madre. Corrió Rojaflor a descorrer el cerrojo, pensando que sería un pobre; pero era un oso, el cual asomó por la puerta su gorda cabezota negra. La niña dejó escapar un grito y retrocedió de un salto; el corderillo se puso a balar, y la palomita, a batir de alas, mientras Blancanieve se escondía detrás de la cama de su madre.
Pero el oso rompió a hablar:
- No temáis, no os haré ningún daño. Estoy medio helado y sólo deseo calentarme un poquitín.
- ¡Pobre oso! -exclamó la madre-; échate junto al fuego y ten cuidado de no quemarte la piel-. Y luego, elevando la voz: - Blancanieve, Rojaflor, salid, que el oso no os hará ningún mal; lleva buenas intenciones.
Las niñas se acercaron, y luego lo hicieron también, paso a paso, el corderillo y la palomita, pasado ya el susto.
Dijo el oso:
- Niñas, sacudidme la nieve que llevo en la piel - y ellas trajeron la escoba y lo barrieron, dejándolo limpio, mientras él, tendido al lado del fuego, gruñía de satisfacción.
Al poco rato, las niñas se habían familiarizado con el animal y le hacían mil diabluras: tirábanle del pelo, apoyaban los piececitos en su espalda, lo zarandeaban de un lado para otro, le pegaban con una vara de avellano... Y si él gruñía, se echaban a reír. El oso se sometía complaciente a sus juegos, y si alguna vez sus amiguitas pasaban un poco de la medida, exclamaba:
- Dejadme vivir,
Rositas; si me martirizáis.
es a vuestro novio a quien matáis.
Al ser la hora de acostarse, y cuando todos se fueron a la cama, la madre dijo al oso:
- Puedes quedarte en el hogar -, así estarás resguardado del frío y del mal tiempo.
Al asomar el nuevo día, las niñas le abrieron la puerta, y el animal se alejó trotando por la nieve y desapareció en el bosque. A partir de entonces volvió todas las noches a la misma hora; echábase junto al fuego y dejaba a las niñas divertirse con él cuanto querían; y llegaron a acostumbrarse a él de tal manera, que ya no cerraban la puerta hasta que había entrado su negro amigo.
Cuando vino la primavera y todo reverdecía, dijo el oso a Blancanieve:
- Ahora tengo que marcharme, y no volveré en todo el verano.
- ¿Adónde vas, querido oso? -preguntóle Blancanieve.
- Al bosque, a guardar mis tesoros y protegerlos de los malvados enanos. En invierno, cuando la tierra está helada, no pueden salir de sus cuevas ni abrirse camino hasta arriba, pero ahora que el sol ha deshelado el suelo y lo ha calentado, subirán a buscar y a robar. Y lo que una vez cae en sus manos y va a parar a sus madrigueras, no es fácil que vuelva a salir a la luz.
Blancanieve sintió una gran tristeza por la despedida de su amigo. Cuando le abrió la puerta, el oso se enganchó en el pestillo y se desgarró un poco la piel, y a Blancanieve le pareció distinguir un brillo de oro, aunque no estaba segura. El oso se alejó rápidamente y desapareció entre los árboles.
Algún tiempo después, la madre envió a las niñas al bosque a buscar leña. Encontraron un gran árbol derribado, y, cerca del tronco, en medio de la hierba, vieron algo que saltaba de un lado a otro, sin que pudiesen distinguir de qué se trataba. Al acercarse descubrieron un enanillo de rostro arrugado y marchito, con una larguísima barba, blanca como la nieve, cuyo extremo se le había cogido en una hendidura del árbol; por esto, el hombrecillo saltaba como un perrito sujeto a una cuerda, sin poder soltarse.
Clavando en las niñas sus ojitos rojos y encendidos, les gritó:
- ¿Qué hacéis ahí paradas? ¿No podéis venir a ayudarme?
- ¿Qué te ha pasado, enanito? -preguntó Rojaflor.
- ¡Tonta curiosa! -replicó el enano-. Quise partir el tronco en leña menuda para mi cocina. Los tizones grandes nos queman la comida, pues nuestros platos son pequeños y comemos mucho menos que vosotros, que sois gente grandota y glotona. Ya tenía la cuña hincada, y todo hubiera ido a las mil maravillas, pero esta maldita madera es demasiado lisa; la cuña saltó cuando menos lo pensaba, y el tronco se cerró, y me quedó la hermosa barba cogida, sin poder sacarla; y ahora estoy aprisionado. ¡Sí, ya podéis reiros, tontas, caras de cera! ¡Uf, y qué feas sois!
Por más que las niñas se esforzaron, no hubo medio de desasir la barba; tan sólidamente cogida estaba.
- Iré a buscar gente -dijo Rojaflor.
- ¡Bobaliconas! -gruñó el enano con voz gangosa-. ¿Para qué queréis más gente? A mí me sobra con vosotras dos. ¿No se os ocurre nada mejor?
- No te impacientes -dijo Blancanieve-, ya encontraré un remedio- y, sacando las tijeritas del bolsillo, cortó el extremo de la barba. Tan pronto como el enano se vio libre, agarró un saco, lleno de oro, que había dejado entre las raíces del árbol y, cargándoselo a la espalda, gruñó:
- ¡Qué gentezuela más torpe! ¡Cortar un trozo de mi hermosa barba! ¡Qué os lo pague el diablo!
Y se alejó, sin volverse a mirar a las niñas.
Poco tiempo después, las dos hermanas quisieron preparar un plato de pescado. Salieron, pues, de pesca y, al llegar cerca del río, vieron un bicho semejante a un saltamontes que avanzaba a saltitos hacia el agua, como queriendo meterse en ella. Al aproximarse, reconocieron al enano de marras.
- ¿Adónde vas? -preguntóle Rojaflor-. Supongo que no querrás echarte al agua, ¿verdad?
- No soy tan imbécil -gritó el enano-. ¿No veis que ese maldito pez me arrastra al río?
Era el caso de que el hombrecillo había estado pescando, pero con tan mala suerte que el viento le había enredado el sedal en la barba, y, al picar un pez gordo, la débil criatura no tuvo fuerzas suficientes para sacarlo, por el contrario, era el pez el que se llevaba al enanillo al agua. El hombrecito se agarraba a las hierbas y juncos, pero sus esfuerzos no servían de gran cosa; tenía que seguir los movimientos del pez, con peligro inminente de verse precipitado en el río. Las muchachas llegaron muy oportunamente; lo sujetaron e intentaron soltarle la barba, pero en vano: barba e hilo estaban sólidamente enredados. No hubo más remedio que acudir nuevamente a las tijeras y cortar otro trocito de barba. Al verlo el enanillo, les gritó:
- ¡Estúpidas! ¿Qué manera es esa de desfigurarle a uno? ¿No bastaba con haberme despuntado la barba, sino que ahora me cortáis otro gran trozo? ¿Cómo me presento a los míos? ¡Ojalá tuvieseis que echar a correr sin suelas en los zapatos!
Y, cogiendo un saco de perlas que yacía entre los juncos, se marchó sin decir más, desapareciendo detrás de una piedra.
Otro día, la madre envió a las dos hermanitas a la ciudad a comprar hilo, agujas, cordones y cintas. El camino cruzaba por un erial, en el que, de trecho en trecho, había grandes rocas dispersas. De pronto vieron una gran ave que describía amplios círculos encima de sus cabezas, descendiendo cada vez más, hasta que se posó en lo alto de una de las peñas, e inmediatamente oyeron un penetrante grito de angustia. Corrieron allí y vieron con espanto que el águila había hecho presa en su viejo conocido, el enano, y se aprestaba a llevárselo. Las compasivas criaturas sujetaron con todas sus fuerzas al hombrecillo y no cejaron hasta que el águila soltó a su víctima. Cuando el enano se hubo repuesto del susto, gritó con su voz gangosa:
- ¿No podíais tratarme con más cuidado? Me habéis desgarrado la chaquetita, y ahora está toda rota y agujereada, ¡torpes más que torpes!
Y cargando con un saquito de piedras preciosas se metió en su cueva, entre las rocas. Las niñas, acostumbradas a su ingratitud, prosiguieron su camino e hicieron sus recados en la ciudad. De regreso, al pasar de nuevo por el erial, sorprendieron al enano, que había esparcido, en un lugar desbrozado, las piedras preciosas de su saco, seguro de que a una hora tan avanzada nadie pasaría por allí. El sol poniente proyectaba sus rayos sobre las brillantes piedras, que refulgían y centelleaban como soles; y sus colores eran tan vivos, que las pequeñas se quedaron boquiabiertas, contemplándolas.
- ¡A qué os paráis, con vuestras caras de babiecas! -gritó el enano; y su rostro ceniciento se volvió rojo de ira. Y ya se disponía a seguir con sus improperios cuando se oyó un fuerte gruñido y apareció un oso negro, que venía del bosque. Aterrorizado, el hombrecillo trató de emprender la fuga; pero el oso lo alcanzó antes de que pudiese meterse en su escondrijo. Entonces se puso a suplicar, angustiado:
- Querido señor oso, perdonadme la vida y os daré todo mi tesoro; fijaos, todas esas piedras preciosas que están en el suelo. No me matéis. ¿De qué os servirá una criatura tan pequeña y flacucha como yo? Ni os lo sentiréis entre los dientes. Mejor es que os comáis a esas dos malditas muchachas; ellas sí serán un buen bocado, gorditas como tiernas codornices. Coméoslas y buen provecho os hagan.
El oso, sin hacer caso de sus palabras, propinó al malvado hombrecillo un zarpazo de su poderosa pata y lo dejó muerto en el acto.
Las muchachas habían echado a correr; pero el oso las llamó:
- ¡Blancanieve, Rojaflor, no temáis; esperadme, que voy con vosotras!
Ellas reconocieron entonces su voz y se detuvieron, y, cuando el oso las hubo alcanzado, de pronto se desprendió su espesa piel y quedó transformado en un hermoso joven, vestido de brocado de oro:
- Soy un príncipe -manifestó-, y ese malvado enano me había encantado, robándome mis tesoros y condenándome a errar por el bosque en figura de oso salvaje, hasta que me redimiera con su muerte. Ahora ha recibido el castigo que merecía.
Blancanieve se casó con él, y Rojaflor, con su hermano, y se repartieron las inmensas riquezas que el enano había acumulado en su cueva. La anciana madre vivió aún muchos años tranquila y feliz, al lado de sus hijas. Llevóse consigo los dos rosales que, plantados delante de su ventana, siguieron dando todos los años sus hermosísimas rosas, blancas y rojas.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.