NEDERLANDS

De boer en de duivel

POLSKI

Chłop i Diabeł


Er was eens een verstandig, slim boertje; van zijn streken zou veel te vertellen zijn, maar het mooiste verhaal is toch dit, hoe hij de duivel eens te pakken had en hem voor de gek heeft gehouden.

Eens op een dag was het boertje aan het werk geweest op de akker en hij maakte zich juist klaar om weer naar huis te gaan, toen de schemering al gevallen was. Daar zag hij ineens middenop zijn land een hoop gloeiende kolen, en toen hij er vol verbazing naar ging kijken, toen zat er boven op die gloed een klein zwart duiveltje.

"Zit jij soms op je schat?" zei het boertje. "Jawel," antwoordde het duiveltje, "op een schat waar meer goud en zilver inzit, dan jij van je levensdagen gezien hebt." - "Die schat ligt op mijn land en is dus van mij," zei het boertje. "Zeker, hij is van jou," antwoordde de duivel, "als je me twee jaar lang de helft geeft van de opbrengst van je akker: geld heb ik genoeg, maar mijn verlangen gaat uit naar de vruchten der aarde."

Het boertje ging er op in. "Maar om te voorkomen, dat er ruzie komt bij het verdelen," zei hij, "krijg jij, wat boven de grond is, en ik, wat er onder is." Dat vond de duivel best, maar 't slimme boertje had rapen gezaaid.

Toen de oogsttijd kwam, verscheen de duivel om zijn aandeel te halen, maar wat z'n deel was, was niets dan gele verwelkte blaren, en het boertje, in z'n schik, groef z'n rapen op. "Nu ben je in 't voordeel geweest," zei de duivel, "maar dat gebeurt geen tweede keer. Nu is jouw aandeel, wat boven de grond is, en het mijne, wat eronder is." - "Ook al goed!" antwoordde het boertje.

En toen het zaaitijd was, toen zaaide het boertje geen rapen, maar tarwe. Het koren rijpte, het boertje ging naar de akker en sneed de volle halmen tot de grond af. Toen de duivel kwam, vond hij niets dan de stoppels, en hij ging woedend door een rotsspleet omlaag. "Zo moet je vossen beetnemen," zei het boertje en hij ging z'n schat halen.
Był sobie raz mądry a szelmowski chłopek, o którego psotach można by wiele prawić. Najpiękniejsza zaś historia opowiada jak z diabła zrobił błazna.

Chłopek uprawiał raz pole i już szykował się do domu, gdy zapadł zmierzch. Na środku swego pola zobaczył wtem kopiec ognistych węglików. Podszedł do niego galancie zadziwiony, a tam na górce żaru siedzi mały czarny diabeł. "Siedzisz pewnie na skarbie, " rzekł chłopek. "A jakże," odrzekł diabeł, "na skarbie, w którym jest więcej złota i srebra, niż widziałeś w życiu." - "Skarb leży na moim polu i należy do mnie, " rzekł chłopek. "Będzie twój," powiedział diabeł, "jak mi oddasz połowę tego, co przez dwa lata to pole z siebie wyda: złota mam dosyć, pragnę zaś owoców tej ziemi." Chłopek zgodził się na ten handel. "Abyśmy się nie kłócili przy podziale," rzekł, "do ciebie będzie należało to, co jest nad ziemią." Diabłu się to spodobało, lecz chytry chłopek zasiał buraki. Gdy nadszedł czas żniw, pojawił się diabeł. Przyszedł po swoją dolę, lecz nie znalazł nic prócz żółtych suchych liści, a chłopek, zupełnie zadowolony, wykopywał swoje buraki. "Tym razem ty miałeś korzyść," rzekł diabeł, "ale następnym razem tak nie będzie. Twoje jest to, co rośnie nad ziemią, a moje co jest pod." - "Zgoda," odpowiedział chłopek. Gdy naszedł czas siewu, chłopek nie zasiał buraków, lecz pszenicę. Kiedy ziarno było już dojrzałe, chłopek poszedł na pole i ścinął pełne kłosy aż do samej ziemi. Gdy przyszedł diabeł, nie znalazł nic prócz ścierniska i zapadł się wściekły w swej skalnej otchłani. "Tak trzeba robić lisa na szaro," rzekł chłopek i poszedł po swój skarb.

Tłumaczył Jacek Fijołek, © Jacek Fijołek




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.