NEDERLANDS

De trommelaar

TÜRKÇE

Davulcu


Eens op een avond trok een jonge trommelaar helemaal alleen het veld in en kwam bij een meer, waar hij aan de oever drie stukjes wit linnen zag liggen. "Wat een fijn linnen," zei hij en stak één stukje in zijn zak. Hij ging naar huis, dacht verder niet aan zijn vondst en ging naar bed. Toen hij op het punt stond in te slapen, was het net alsof iemand zijn naam riep. Hij luisterde en hoorde een zachte stem die hem toeriep: "Trommelaar, trommelaar, word wakker." Daar het nacht was en donker, kon hij niemand zien, maar het kwam hem voor dat er een gestalte voor zijn bed op en neer zweefde. "Wat wil je?" vroeg hij. "Geef mij mijn hemdje terug," antwoordde de stem, "dat je gisterenavond aan het meer van mij hebt weggenomen." - "Je krijgt het terug," zei de trommelaar, "als je mij zegt wie je bent." - "Ach," antwoordde de stem, "ik ben de dochter van een machtig koning, maar ik ben in de macht van een heks geraakt en verbannen naar de glazen berg. Iedere dag moet ik met mijn twee zusters in het meer gaan baden, maar zonder mijn hemdje kan ik niet meer terugvliegen. Mijn zusters zijn er vandoor gegaan maar ik moest achterblijven. Ik smeek je, geef mij mijn hemdje terug." - "Wees maar gerust, arm kind," sprak de trommelaar, "ik zal het je graag teruggeven." Hij haalde het uit zijn zak en reikte het haar in het donker aan. Zij pakte het haastig beet en wilde ermee weggaan. "Blijf nog even," zei hij, "misschien kan ik je helpen." - "Helpen kan je mij alleen, als je de glazen berg beklimt en mij uit de macht van de heks bevrijdt. Maar je kunt niet bij de glazen berg komen en al was je er ook nog zo dichtbij, dan zou je er toch niet op kunnen." - "Wat ik wil, dat kan ik," zei de trommelaar, "ik heb medelijden met je en ik ben nergens bang voor, maar ik weet de weg naar de glazen berg niet." - "De weg gaat door het grote woud waar de menseneters huizen," antwoordde zij, "meer mag ik je niet zeggen." Daarop hoorde hij haar weg ruisen.

Bij het aanbreken van de dag ging de trommelaar op weg, hij hing zijn trommel om en ging onbevreesd rechttoe, rechtaan het bos in. Toen hij een poosje gelopen had en geen enkele reus zag, dacht hij: ik moet die langslapers eens wekken, hing zijn trommel op zijn buik en sloeg een roffel, dat de vogels krijsend opvlogen uit de bomen. Het duurde niet lang of er kwam een reus overeind die in het gras had liggen slapen en hij was wel zo groot als een dennenboom. "Jij onderkruipsel," riep hij hem toe, "wat loop je hier te trommelen en mij te wekken uit mijn diepste slaap." - "Ik trommel," antwoordde hij, "opdat de vele duizenden die na mij komen de weg zullen weten." - "Wat moeten die hier in mijn bos?" vroeg de reus. "Zij willen je afmaken en het bos zuiveren van een monster zoals jij," - "Oho," zei de reus, "ik trap jullie als mieren dood." – "Dacht je dat je iets tegen hen kon doen?" zei de trommelaar, "als je je bukt om er een te pakken, springt hij weg en verstopt zich, maar als je gaat liggen slapen, dan komen zij overal uit het struikgewas te voorschijn en kruipen tegen je op. Ieder van hen heeft een stalen hamer in zijn gordel en daarmee slaan zij je de schedel in." De reus werd wrevelig en dacht: als ik mij met dat slimme volk inlaat, dan zou dat wel eens in mijn nadeel kunnen uitvallen. Wolven en beren knijp ik de strot dicht, maar tegen aardwurmen kan ik mij niet beschermen. "Hoor eens, kereltje," sprak hij, "ruk maar weer in, ik beloof je dat ik jou en je kameraden in het vervolg met rust zal laten en als je nog een wens hebt, zeg het mij dan, want ik wil je best een genoegen doen." - "Jij hebt lange benen," zei de trommelaar, "en je kunt harder lopen dan ik; draag mij naar de glazen berg, dan zal ik mijn mensen het sein voor de terugtocht geven en dan zullen zij je voor deze keer met rust laten." - "Kom maar hier, wurm," sprak de reus, "en ga op mijn schouder zitten, dan zal ik je dragen, waar je naar toe wilt." De reus tilde hem op en de trommelaar begon daarboven naar hartelust te trommelen. De reus dacht: dat zal het teken zijn dat al die anderen moeten terugtrekken. Na een poosje stond er een tweede reus langs de weg, die de trommelaar van de eerste overnam en hem in zijn knoopsgat stak. De trommelaar pakte de knoop beet die wel zo groot was als een schotel, hield zich daaraan vast en keek heel vrolijk in het rond. Toen kwamen zij bij een derde reus die hem uit het knoopsgat nam en op de rand van zijn hoed zette; daarboven liep de trommelaar op en neer en keek over de bomen heen, en toen hij in de blauwe verten een berg zag, dacht hij: dat is vast de glazen berg, en dat was ook zo. De reus deed nog enkele stappen en toen waren zij aan de voet van de berg aangekomen waar de reus hem neerzette. De trommelaar wilde, dat hij hem ook nog naar de top van de berg zou dragen, maar de reus schudde zijn hoofd, bromde iets in zijn baard en ging terug naar het bos.

Nu stond de arme trommelaar voor de berg, die zó hoog was alsof er drie bergen op elkaar waren gestapeld, en bovendien zo glad als een spiegel, en hij begreep niet hoe hij daar ooit bovenop moest komen. Hij begon te klauteren maar tevergeefs, hij gleed steeds weer naar beneden. Was ik maar een vogel, dacht hij, maar wat hielp het om te wensen, vleugels kreeg hij toch niet. Terwijl hij daar zo stond en geen oplossing wist, zag hij niet ver weg twee mannen die hevige ruzie hadden. Hij ging op hen af en zag dat zij ruzie hadden over een zadel dat voor hen op de grond lag en dat zij alle twee wilden hebben. "Wat zijn jullie voor dwazen," sprak hij, "jullie kibbelen over een zadel en je hebt niet eens een paard." - "Dat zadel is het waard om voor te vechten," antwoordde een van de mannen, "wie erop zit en zich ergens heen wenst, al was het naar het eind van de wereld, die komt daar op hetzelfde ogenblik dat hij de wens uitspreekt. Dat zadel is van ons samen en nu is het mijn beurt erop te rijden, maar hij wil het niet." - "Die strijd zal ik gauw beslechten," zei de trommelaar, liep een eindje door en stak een witte stok in de grond. Toen kwam hij terug en zei: "Nu moeten jullie hard daar naar toelopen en wie er het eerst is mag het eerst rijden." Ze begonnen allebei te draven, maar nauwelijks waren zij een paar passen van hem af, of de trommelaar sprong op het zadel, wenste zich op de glazen berg en in een handomdraai was hij er. Daarboven op de berg was een vlakte waar een oud stenen huis stond en voor het huis lag een grote visvijver, maar daarachter was een donker bos. Mensen en dieren zag hij niet, alles was stil, alleen de wind ruiste door de bomen en de wolken dreven heel laag over zijn hoofd heen. Hij ging naar de deur en klopte aan. Toen hij voor de derde maal geklopt had, werd de deur geopend door een oude vrouw met een gebruind gezicht en rode ogen. Zij had een bril op haar lange neus, keek hem doordringend aan en vroeg vervolgens wat hij wenste. "Binnengelaten te worden, eten, en een bed voor de nacht," antwoordde de trommelaar. "Dat kun je krijgen," zei de oude vrouw, "als je daarvoor drie taken wilt verrichten." - "Waarom niet?" antwoordde hij, "ik ben niet bang om te werken, al is het nog zo zwaar." De oude vrouw liet hem binnen, gaf hem te eten en 's avonds kreeg hij een goed bed. De volgende morgen, toen hij was uitgeslapen, nam de oude vrouw een vingerhoed van haar dorre vinger, gaf hem aan de trommelaar en zei: "Ga nu aan het werk en schep daarbuiten de vijver leeg met deze vingerhoed, maar eer de nacht valt moet je klaar zijn en alle vissen die in het water zijn moeten naar soort en grootte zijn uitgezocht en naast elkaar gelegd." - "Wat een wonderlijke taak," zei de trommelaar, maar hij ging naar de vijver en begon te scheppen. Hij schepte de hele morgen maar wat kan iemand nu met een vingerhoed beginnen bij een groot water, ook al schept hij duizend jaar? Tegen de middag dacht hij: het is allemaal vergeefs, het maakt geen verschil of ik werk of niet," en hij hield op en ging zitten. Toen kwam er een meisje uit het huis dat een mandje met eten voor hem neerzette en zei: "Wat zit je daar zo treurig, wat scheelt eraan?" Hij keek haar aan en zag dat zij wonderschoon was. "Ach," zei hij, "ik kan de eerste taak al niet volbrengen, hoe moet dat met de andere gaan? Ik ben er op uitgegaan om een koningsdochter te zoeken die hier moet wonen, maar ik heb haar niet gevonden; nu zal ik maar opstappen." - "Blijf hier," zei het meisje, "ik zal je uit de nood helpen. Je bent moe, leg je hoofd in mijn schoot en ga slapen. Als je weer wakker wordt, is het werk gedaan." Dat liet de trommelaar zich geen tweemaal zeggen. Zodra zijn ogen dichtvielen draaide zij aan een wensring en sprak: "Water omhoog, vissen eruit." Weldra steeg het water als een witte nevel op en dreef met de andere wolken weg, en de vissen klapten met hun staart, sprongen op de oever en gingen naast elkaar liggen, naar grootte en soort. Toen de trommelaar ontwaakte, zag hij met verbazing dat alles volbracht was. Maar het meisje zei: "Eén van de vissen ligt niet bij zijn soort maar in zijn eentje. Als de oude vrouw vanavond komt en ziet dat alles wat zij wenste gebeurd is, dan zal zij vragen: Wat moet die ene vis daar? Werp haar dan die vis in het gezicht en zeg: Die is voor jou, ouwe heks." 's Avonds kwam de oude vrouw en toen zij de vraag gesteld had, wierp hij haar de vis in het gezicht. Zij deed alsof zij het niet merkte, en zweeg, maar zij keek hem boosaardig aan. De volgende morgen sprak zij: "Gisteren heb je het te gemakkelijk gehad, ik moet je een zwaardere taak geven. Vandaag moet je het hele bos omhakken, het hout in blokken splijten en in vamen op elkaar leggen, en 's avonds moet alles klaar zijn." Zij gaf hem een bijl, een hamer en twee wiggen maar de bijl was van lood en de hamer en de wiggen van blik. Toen hij begon te hakken boog de bijl om en de hamer en de wiggen werden in elkaar gedrukt. Hij wist niet wat te doen, maar 's middags kwam het meisje weer met het eten en troostte hem. "Leg je hoofd in mijn schoot," zei zij, "en ga slapen; als je wakker wordt is het werk gedaan." Zij draaide aan haar wensring en op hetzelfde ogenblik viel het hele bos krakend in elkaar, het hout spleet vanzelf en stapelde zichzelf op; het was alsof onzichtbare reuzen het werk volbrachten. Toen hij ontwaakte, zei het meisje: "Zie je, het hout is al gespleten en opgestapeld, slechts één enkele tak is er over, maar als de oude vrouw vanavond komt en vraagt wat die tak daar moet, geef er haar dan een klap mee en zeg: Die is voor jou, ouwe heks." De oude vrouw kwam en sprak: "Zie je, hoe gemakkelijk het werk was, maar voor wie ligt die tak daar nog?" - "Die is voor jou, ouwe heks," antwoordde hij en gaf er haar een klap mee. Maar zij deed of zij niets voelde, lachte honend en sprak: "Morgen vroeg moet je al het hout op een hoop leggen, het aansteken en het verbranden." Bij het aanbreken van de dag stond hij op en begon het hout aan te dragen, maar hoe kan nu één enkel mens het hout van een heel bos opstapelen? Het werk schoot niet op. Maar het meisje liet hem niet in de steek. Zij bracht hem 's middags zijn eten en toen hij gegeten had legde hij zijn hoofd in haar schoot en viel in slaap. Toen hij ontwaakte stond de hele houtstapel in lichterlaaie: de lekkende vuurtongen reikten tot in de hemel. "Luister naar mij," zei het meisje, "wanneer de heks komt, zal zij je van alles opdragen; als je zonder vrees doet wat zij wil, dan heeft zij geen vat op je; ben je echter bang, dan pakt het vuur je en verteert je. Als je alles hebt gedaan, pak haar dan met beide handen beet en werp haar middenin de vuurgloed." Het meisje ging weg en de oude vrouw kwam aangeslopen. "Hu, ik heb het koud," zei zij, "maar dat is nog eens een vuur, wat brandt dat, dat warmt mijn oude botten, dat doet mij goed. Maar daar ligt een blok dat niet wil branden, haal dat er voor mij uit. Als je dat gedaan hebt, ben je vrij en kun je gaan waarheen je wilt. Waag nu de sprong maar." De trommelaar bedacht zich niet lang, sprong middenin de vlammen, maar die deerden hem niet, ze schroeiden niet eens zijn haar. Hij haalde het blok eruit en legde het neer, maar nauwelijks had het hout de grond geraakt of het veranderde in" het mooie meisje dat hem in de nood geholpen had en toen zij daar voor hem stond zag hij wel aan de zijden kleren, stralend als goud, die zij droeg dat het de koningsdochter was. Maar de oude vrouw lachte venijnig en sprak: "Je dacht dat je haar had, maar je hebt haar nog niet." Net wilde zij op het meisje afgaan om haar weg te trekken, daar pakte hij de oude vrouw met beide handen beet, hief haar in de hoogte en wierp haar in de zee van vlammen, die over haar heen sloegen alsof zij zich verheugden een heks te verteren.

Toen keek de koningsdochter de trommelaar aan en toen zij zag dat hij een schone jongeling was en bedacht dat hij zijn leven had ingezet om haar te verlossen, reikte zij hem haar hand en sprak: "Jij hebt alles voor mij gewaagd, maar ik wil ook alles voor jou doen. Als je mij trouw belooft, dan wordt je mijn gemaal. Aan rijkdom ontbreekt het ons niet. Wij hebben genoeg aan wat de heks hier vergaard heeft." Zij leidde hem het huis binnen waar kisten en kasten stonden die met de schatten van de heks gevuld waren. Goud en zilver lieten zij liggen en alleen de edelstenen namen zij mee. Zij wilden niet langer op de glazen berg blijven; toen zei hij tegen haar: "Kom bij mij op het zadel zitten dan vliegen wij als vogels naar beneden." - "Dat oude zadel bevalt mij niet," zei zij, "ik hoef alleen maar aan mijn wensring te draaien dan zijn wij thuis." - "Welnu," antwoordde de trommelaar, "wens ons dan voor de stadspoort." In een oogwenk waren zij daar, maar de trommelaar sprak: "Ik wil eerst naar mijn ouders toe om hen op de hoogte te brengen; wacht hier op het veld op mij, ik ben gauw terug." - "Ach," zei de koningsdochter, "ik smeek je, pas toch op en kus je ouders bij aankomst niet op de rechterwang, want dan zal je alles vergeten en dan blijf ik alleen en verlaten op het veld achter." - "Hoe zou ik je kunnen vergeten," zei hij, en gaf er haar zijn hand op, dat hij heel gauw terug zou komen. Toen hij het huis van zijn vader binnentrad, wist niemand wie hij was, zó veranderd was hij, want de drie dagen die hij op de glazen berg had doorgebracht, waren drie lange jaren geweest. Toen maakte hij zich bekend en zijn ouders vielen hem van vreugde om de hals, en hij was tot in het diepst van zijn hart geroerd, kuste hen op beide wangen en dacht niet aan de woorden van het meisje. Toen hij hun dan ook een kus op de rechterwang gegeven had, vervloog iedere gedachte aan de koningsdochter. Hij schudde zijn zakken leeg en legde handenvol van de grootste edelstenen op tafel. Zijn ouders wisten gewoon niet wat zij met die rijkdom moesten beginnen. Toen bouwde de vader een prachtig slot, door tuinen, bossen en weiden omgeven, als moest er een vorst in wonen. Toen het klaar was zei de moeder: "Ik heb een meisje voor je uitgezocht, over drie dagen is de bruiloft." De zoon stemde in met alles wat zijn ouders wilden.

De arme koningsdochter had lang voor de stad op de terugkeer van de jongeling staan wachten. Toen het avond werd sprak zij: "Hij heeft zeker zijn ouders op de rechterwang gekust en mij is hij vergeten." Haar hart was vol droefenis en zij wenste zich in een eenzame boshut en wilde niet meer naar het hof van haar vader terug. Iedere avond ging zij naar de stad en liep langs zijn huis. Hij zag haar menigmaal maar hij kende haar niet meer. Tenslotte hoorde ze de mensen zeggen: "Morgen wordt zijn bruiloft gevierd." Toen sprak zij: "Ik wil proberen zijn hart terug te winnen." Toen de eerste bruiloftsdag gevierd werd draaide zij aan haar wensring en sprak: "Een gewaad zo stralend als de zon." Meteen lag het gewaad voor haar en straalde alsof het uit louter zonnestralen geweven was. Toen alle gasten aanwezig waren betrad zij de zaal. Iedereen was verwonderd over het mooie gewaad, de bruid wel het meest en daar mooie kleren haar lust en haar leven waren, ging zij naar het vreemde meisje toe en vroeg of zij het aan haar verkopen wilde. "Niet voor geld," antwoordde deze, "maar als ik de eerste nacht voor de deur mag zitten waarachter de bruidegom slaapt, dan wil ik het wel afstaan." De bruid kon haar verlangen niet bedwingen en stemde toe, maar zij mengde een slaapdrank in de avondwijn van de bruidegom waardoor hij in een diepe slaap viel. Toen alles stil geworden was hurkte de koningsdochter voor de deur van de slaapkamer, zette deze op een kier en riep naar binnen:

"Trommelaar, trommelaar, hoor mij aan,
Ben je mij geheel vergeten?
Heb je op de glazen berg niet naast mij gezeten?
Heb ik voor de heks niet behoed je leven?
Heb je mij niet in trouw je hand gegeven?
Trommelaar, trommelaar, hoor mij aan."

Maar alles was tevergeefs, de trommelaar werd niet wakker en toen de morgen aanbrak moest de koningsdochter onverrichterzake weggaan. De tweede avond draaide zij aan haar wensring en sprak: "Een gewaad zo zilver als de maan." Toen zij in dit gewaad, dat zo teer was als de maneschijn, op het feest verscheen, wekte ook dit weer de begeerte van de bruid op en zij gaf het haar, in ruil voor de toestemming ook de tweede nacht voor de deur van de slaapkamer door te brengen. Toen riep zij in de stilte van de nacht:

"Trommelaar, trommelaar, hoor mij aan,
Ben je mij geheel vergeten?
Heb je op de glazen berg niet naast mij gezeten?
Heb ik voor de heks niet behoed je leven?
Heb je mij niet in trouw je hand gegeven?
Trommelaar, trommelaar, hoor mij aan."

Maar de trommelaar, verdoofd door de slaapdrank, was niet wakker te krijgen. Treurig ging zij 's morgens weer terug naar de boshut. Maar de bedienden in het huis hadden de klacht van het vreemde meisje gehoord en vertelden het aan de bruidegom. Zij zeiden "hem ook dat hij het onmogelijk had kunnen horen omdat zij een slaapdrank in zijn wijn hadden gegoten. De derde avond draaide de koningsdochter aan de wensring en sprak: "Een gewaad, flonkerend als de sterren." Toen zij zich daarin op het feest vertoonde, raakte de bruid over de pracht van het gewaad, dat de beide andere verre overtrof, helemaal in verrukking en sprak: "Ik moet en zal het hebben." Het meisje gaf het haar, net als de twee andere, in ruil voor de toestemming de nacht voor de deur van de bruidegom door te brengen. De bruidegom echter dronk de wijn die hem voor het slapengaan werd aangereikt niet op, doch goot hem uit achter het bed. En toen alles stil was geworden in huis hoorde hij een zachte stem die riep:

"Trommelaar, trommelaar, hoor mij aan,
Ben je mij geheel vergeten?
Heb je op de glazen berg niet naast mij gezeten?
Heb ik voor de heks niet behoed je leven?
Heb je mij niet in trouw je hand gegeven?
Trommelaar, trommelaar, hoor mij aan."

Plotseling kreeg hij zijn geheugen terug. "Ach," riep hij, "hoe heb ik zo trouweloos kunnen handelen, maar de kus die ik mijn ouders in de vreugde van mijn hart op de rechterwang heb gegeven is er de schuld van, dié heeft mij verdoofd." Hij sprong op, nam de koningsdochter bij de hand en bracht haar aan het bed van zijn ouders. "Dit is mijn ware bruid," sprak hij, "als ik met de andere trouw, bega ik een groot onrecht." Toen zijn ouders hoorden hoe het allemaal gegaan was, stemden zij toe. Hierna werden alle lichten in de zaal weer aangestoken, pauken en trompetten te voorschijn gehaald, vrienden en familie uitgenodigd om terug te komen en de echte bruiloft werd met grote vreugde gevierd. De eerste bruid mocht als troost de mooie gewaden behouden en daar was zij tevreden mee.
Bir akşam genç bir davulcu tek başına tarlalar arasından yürüyüşe çıktı. Bir göl kenarına geldiğinde yere serili üç parça beyaz keten kumaş gördü. "Ne ince ketenmiş" diyerek bir tanesini cebine soktu.
Sonra evine döndü ve bulduğu şeye hiç aklını takmadan yatağa yattı. Tam uyuyacaktı ki, sanki birisi adıyla seslendi. Kulak kabarttı, hafiften bir ses duydu:
"Davulcu, davulcu, uyan!" diyordu bu ses.
Zifiri karanlık olduğu için kimseyi göremedi, ama sanki yatağının önünde bir karaltı uçuyordu.
"Ne istiyorsun?" diye sordu.
O ses, "Dün akşam göl kenarında aldığın gömleğimi bana geri ver!" dedi.
"Kim olduğunu söylersen veririm" dedi davulcu.
"Peki" dedi o ses. "Ben kudretli bir kralın kızıyım. Bir cadı büyü yaparak beni Camdağ'a sürdü. Her gün iki kız kardeşimle birlikte gölde yıkanmam gerekiyor, ama gömleğim olmadan oradan çekip gidemem. Kız kardeşlerim gitti, ama ben orada kaldım; lütfen şu gömleğimi geri ver!"
"Vah zavallı, sakin ol sen" dedi davulcu. "Hemen vereyim." Ve cebinden çıkardığı bez parçasını karanlıkta ona uzattı. Kız onu aldığı gibi gitmek istedi.
"Dur biraz" dedi oğlan. "Belki sana yardım edebilirim." - "Edebilirsin, ama Camdağı'na çıkıp beni cadının elinden kurtarabilirsen! Ama ne kadar yaklaşsan da o dağa çıkamazsın."
"İstedim mi, çıkarım. Sana acıyorum; hiçbir şeyden korkmam ben! Yalnız Camdağ'ına giden yolu bilmiyorum" dedi davulcu.
"O yol, içinde insan yiyenlerin bulunduğu büyük bir ormandan geçer. Daha fazla bir şey söyleyemem sana" dedi kız.
Ve oğlan onun uçup gittiğini duyuverdi.
Gün doğarken davulunu boynuna asarak yola koyuldu ve hiç korkmadan ormana daldı. Bir süre gittikten sonra dev falan göremeyince, "Bu uykucuları uyandırmam lazım" diyerek boynunda asılı duran davulu öyle bir çaldı ki, ağaçlardaki bütün kuşlar uçuşup kaçtı.
Aradan çok geçmeden çimenlere uzanarak uyuyakalmış bir dev ayağa kalktı; boyu bir çam ağacı kadardı.
"Seni bücür seni! Davul çalarak beni nasıl uykumdan edersin sen" diye haykırdı.
"Yolu bilen binlerce kişi arkama takılsın diye çalıyorum davulu" dedi oğlan.
"Ne arıyor onlar benim ormanımda?" diye sordu dev.
"Seni öldürerek ormanı bir canavardan kurtarmak istiyorlar."
"Pöh" dedi dev, "Onları karınca gibi ezerim ben!"
"Öyle mi sanıyorsun?" diye cevap verdi oğlan. "Onlardan birini yakalamak için öne eğildiğinde hemen sıçrayıp saklanacaktır; yere uzanıp biraz kestirecek olursan hepsi çalılıkların arasından çıkarak senin üzerine tırmanacak, ellerindeki çelik çekiçlerle kafanı parçalayacaklar."
Dev ürktü ve şöyle düşündü: "Bu kurnaz toplulukla uğraşmaya kalkarsam başım belaya girecek! Kurtlarla ayıları ağzımda gargara yaparım, ama bu toprak solucanlarından kendimi koruyamam doğrusu." - "Dinle, bücür!" dedi. "Çek git buradan, sana söz veriyorum, seni ve arkadaşlarını rahat bırakacağım! Ve de istediğin bir şey varsa, söyle bana, yerine getireyim."
"Senin bacakların çok uzun" dedi davulcu: "Benden daha hızlı yürürsün; sen beni Camdağı'na götür, ben de arkadaşlarıma bir işaret vereyim, o zaman seni rahat bırakırlar."
"Gel bakalım, solucan!" diye konuştu dev. "Atla omzuma da nereye istersen götüreyim seni."
Dev onu yukarı kaldırarak omzuna oturttu; o da şevkle davulunu çalmaya başladı. Dev:
"Herhalde adamlarına dön işareti veriyor?" diye aklından geçirdi.
Bir süre sonra karşılarına ikinci bir dev çıktı; oğlanı birinci devden alarak cep deliğine iliştirdi. Davulcu tepsi büyüklüğündeki düğmeye sıkı sıkı tutunarak etrafına neşeyle bakındı.
Derken üçüncü deve rastladılar; bu kez o davulcuyu tutunduğu ilikten alarak şapkasının kenarına yerleştirdi. Davulcu şapkanın kenarlığında hep gezindi durdu; derken ta ufukta bir dağ görünce, bu kesinlikle Camdağı olmalı diye düşündü. Bu doğruydu.
Dev birkaç adım attıktan sonra dağın yamacına vardılar; dev onu yere indirdi. Davulcu ondan kendisini dağın tepesine yerleştirmesini istedi, ama dev kafasını iki yana sallayarak homurdandı ve ormana geri döndü.
Davulcu yamaçta kalakaldı; dağ o kadar yüksekti ki, aslında üç dağ üst üste binmişti ve ayna gibi düzdü. Oraya nasıl çıkacağını bilemedi. Tırmanmaya çalıştı, ama nafile! Her seferinde geri kaydı.
"Kuş olsam da uçabilsem!" diye düşündü, ama ne fayda! Kanatları yoktu ki!
Ne yapacağını bilmeksizin öyle dururken uzakta birbiriyle tartışan iki adam gördü. Onların yanına vardı; yerde duran bir eyer yüzünden anlaşamıyorlardı.
"Siz deli misiniz!" dedi onlara. "Bir eyer için kavga ediyorsunuz, oysa elinizde at yok!"
Adamlardan biri:
"Bu eyer çok kıymetli, yani onun için kavga etmeye değer. Çünkü ona bindin mi, dünyanın neresine gitmek istiyorsan söyle, seni götürsün! Aslında bu eğer ikimizin; üzerine sırayla binecektik. Binme sırası şimdi bende, ama bırakmıyor" dedi.
"Ben bu tartışmaya son vereyim bari" diyen davulcu yüz metre kadar uzaklaşarak oraya beyaz bir sırık dikti. Sonra geri gelerek:
"Kim o sırığa ilk varırsa, eyere o binecek!" dedi.
Adamların ikisi de bir koşu kopardı, ama aynı anda davulcu eyere atlayıverdiği gibi Camdağı'na gitmek istediğini söyledi. Daha elini bile döndürmemişti ki, kendini orada buldu. Dağın tepesinde bir yayla vardı; o yaylada da taştan yapılma eski bir ev, onun önünde de bir havuz; ama arkası kara ormandı. İnsan ya da hayvan göremedi. Her yer sessizdi; rüzgâr yaprakları hışırdatıyor, bulutlar başının üstünden geçiyordu. Eve yaklaşarak kapısını çaldı. Ancak üçüncü çalıştan sonra kapıyı kahverengi suratlı ve kırmızı gözlü yaşlı bir cadı açtı; gözlüğü uzun burnuna kaymıştı; oğlana sert sert bakarak ne istediğini sordu.
"İçeri alınmak, yemek yemek ve geceyi burda geçirmek" diye cevap verdi davulcu.
"Olur, ama bana üç iş göreceksin" dedi cadı.
"Niye olmasın, ne kadar ağır olursa olsun, işten korkmam ben" diye cevap verdi oğlan.
Cadı onu içeri aldı, yemek verdi, uyuması için de güzel bir yatak.
Ertesi sabah davulcu uyandıktan sonra cadı cılız parmağında bir yüksük çıkararak oğlana verdi:
"Şimdi işe başla, dışarıdaki havuzu bu yüksükle temizle, ama gece olmadan bitireceksin; sudan çıkaracağın bütün balıkları boyları ve cinslerine göre sıralayıp yan yana dizeceksin" dedi.
"Tuhaf bir iş!" diye mırıldanan davulcu havuza giderek işe başladı. Öğlene kadar durmadan çalıştı, ama o kadar suyu bir yüksükle boşaltmak için bin yıl bile yetmezdi!
Öğlen olunca, çalışsam da, çalışmasam da fark etmeyecek diye düşünerek yere oturdu. O sırada evden bir kız çıkarak ona bir sepet içinde yemek getirdi: "Öyle mahzun mahzun oturuyorsun, neyin var senin?" diye sordu.
Oğlan ona baktı ve ne kadar güzel bir kız olduğunu fark etti.
"Ah, birinci işin altından kalkamadım, öbürküleri nasıl başaracağım? Ben bir prensesi aramaya çıktım; burada oturuyormuş. Ama onu bulamadım. Çekip gideceğim buradan" dedi.
"Burda kal" dedi kız, "Ben sana yardım edeyim. Yorulmuşsun; şimdi başını dizime koy ve uyu. Uyanınca işin bitmiş olacak."
Davulcu onun bir dediğini iki etmedi. Gözleri kapanır kapanmaz kız bir istek yüzüğünü döndürerek: "Su havuzdan aksın, balıklar karaya çıksın" dedi.
Çok geçmeden havuzun suyu beyaz bir sis tabakası gibi havaya yükseldi ve bulutlara karışarak gözden kayboldu. Balıklar da sıçraya sıçraya kıyıya çıkarak cins ve büyüklük sırasına göre dizildiler.
Davulcu uyandığında tüm işlerin yapılmış olduğunu görünce şaşırdı. Ancak kız şöyle konuştu: "Balıklardan bir tanesi öbürkülerinin yanına gelmedi, tek başına duruyor" dedi. "Cadı bu akşam gelip de istediklerinin yapılmış olduğunu görünce: 'Niye bu balık tek başına duruyor?' diye soracak; o zaman balığı onun suratına fırlatarak, 'Bu da senin olsun, cadı karı' dersin."
Akşam olunca cadı çıkageldi ve balığın neden tek başına olduğunu sorunca davulcu o balığı onun suratına fırlattı. Cadı sanki bir şey olmamış gibi davranarak sesini çıkarmadı, ama ona pis pis baktı. Ertesi sabah: "Dünkü işin kolaydı, bugünkü daha zor olacak. Bugün ormandaki bütün ağaçları kesip ufak ufak kıyacaksın; akşama her iş bitmiş olacak" diyerek ona bir balta, bir balyoz ve iki tane keski verdi. Ama balta kurşundandı, balyozla keskiler de tenekeden.
Davulcu çalışmaya başlayınca balta yana kaydı, balyozla keskiler de kıvrılıverdi. Oğlan ne yapacağını bilemedi, ama öğleyin yine yemek getiren kız onu teselli etti:
"Koy başını dizime ve uyu. Uyanınca işin bitmiş olacak" dedi.
Ve istek yüzüğünü döndürür döndürmez bütün orman büyük bir gürültüyle yıkıldı. Odunlar kendiliğinden kıyılarak istif edildi; destelenerek bağlandı. Sanki bütün işi devler yapmıştı.
Oğlan uyandığında kız ona: "Bak, odunlar kıyılıp istif edildi, sadece bir sopa açıkta kaldı. Cadı karı bu akşam gelip de bu sopanın kimin için olduğunu sorarsa, 'Bu senin için, cadı karı!' diyerek onu o sopayla bir güzel döversin" dedi.
Cadı geldi. "Gördün mü, işin ne kadar kolaymış!" dedi. "Ama şu sopa kimin için?" diye sorunca davulcu: "Bu senin için, cadı karı!" diyerek ona sopayla güzel bir dayak attı. Ancak cadı sanki hiçbir şey hissetmemiş gibi alaylı alaylı gülerek: "Yarın sabah bütün odunları bir yere yığıp ateşle yakacaksın!" dedi.
Oğlan gün doğarken kalktı ve odunları toplamaya başladı. Ama tek bir adam bütün ormanı nasıl taşıyabilir ki? İş bir türlü bitmedi. Ama kız onu yalnız bırakmadı; öğlen olunca ona yemeğini getirdi. Davulcu yemeğini yedikten sonra başını kızın dizine koyarak uyudu. Uyandığında odun yığını ateş almıştı, alevleri yılan dili gibi havaya savruluyordu.
"Dinle, cadı gelirse sana bir sürü iş yükleyecek; o ne isterse yap, o zaman sana bir şey yapamaz; ama korkarsan alevler seni sarar ve yutar. Tüm bunları yaptıktan sonra iki elinle cadıyı kavradığın gibi ateşin ortasına at" dedi kız ve sonra gitti.
Derken cadı çıkageldi. "Brr, üşüyorum!" dedi. "Ama işte ateş yanmakta, bu bana iyi gelecek, kemiklerimi ısıtacak. Ama şurda bir kütük var, bir türlü yanmak bilmiyor, çıkar onu ateşten. Bunu yaparsan özgürsün, o zaman nereye istersen çekip gidersin. Hadi korkma!"
Davulcu fazla düşünmedi, alevlerin içine atladı, ama alevler ona bir şey yapmadı; saçları bile alazlanmadı. Kütüğü eline aldığı gibi cadının önüne koydu. Ama o kütük yere değer değmez hemen değişti; şimdi davulcunun karşısında, kendisine yardım eden genç kız durmaktaydı! Üzerindeki altın işlemeli giysiyi görünce oğlan onun prenses olduğunu anladı.
Ama cadı karı pis pis gülerek:
"Sen onu ele geçirdiğini sanıyorsun, ama henüz başaramadın" dedi ve kızın üzerine yürüyerek yakalamak istedi. Ama oğlan iki eliyle tuttuğu gibi cadıyı ateşe attı; cadı cayır cayır yanarken iki genç seviniyordu.
Prenses oğlana tepeden tırnağa kadar bakıp da onun güzel ve yakışıklı olduğunu görünce ve uğruna hayatını hiçe saydığını da düşününce elini uzattı:
"Sen benim için her şeyi göze aldın, ben de senin için her şeyi yapmak istiyorum. Bana sadık kalacağını vaat edersen kocam olursun. Para sıkıntımız olmaz, cadınınkinden fazla paramız olacak" dedikten sonra oğlanın elinden tutarak onu eve soktu. Orada sandık sandık altın ve mücevher vardı. Altın ve gümüş eşyayı bırakarak sadece kıymetli taşları aldılar yanlarına.
Kız Camdağı'nda daha fazla kalmak istemedi.
Bu kez oğlan ona, "Eyerime bin, kuş gibi uçup gidelim buradan" dedi.
"Eyer hoşuma gitmedi" dedi kız. "Dilek yüzüğümü bir kere döndürdüm mü evde oluruz."
"Hadi öyleyse" dedi oğlan, "Dile de, sur kapısında olalım!" Ve hemen orada oldular.
Davulcu, "Önce aileme gidip haber vereyim, sen burda tarlada beni bekle, hemen dönerim" dedi.
Prenses, "Aman dikkat et" dedi. "Eve varır varmaz anne ve babanı sakın sağ yanaklarından öpme! Yoksa her şeyi unutursun ve ben burada yapayalnız kalırım."
"Seni nasıl unutabilirim?" diyen oğlan kıza yakında döneceğine dair söz verdi.
Baba evine vardığında kimse onu tanımadı; çünkü çok değişmişti. Camdağı'nda geçirdiği, ona üç gün gibi gelen süre aslında üç yıldı.
Kendini iyice tanıtınca ailesi sevince boğuldu; ona sarıldılar. Oğlan da o kadar heyecanlandı ki, kızın söylediklerini hiç düşünmeden ana babasını her iki yanağından öptü.
Ancak onların sağ yanağından öper öpmez prenses aklından silindi gitti. Sonra ceplerini boşaltarak kıymetli taşları masanın üstüne yaydı. Ailesi bu kadar zenginlikle ne yapacağını şaşırdı. Babası bahçeleri, çayırları ve ormanları olan, kontlara yaraşan bir şato yaptırdı.
İnşaat bitince annesi: "Sana bir kız buldum. Üç gün sonra düğün yaparız" dedi.
Oğlan da ailesinin isteği doğrultusunda bu işe razı oldu.
Zavallı prenses bütün gün şehir dışındaki arazide oğlanın dönmesini bekledi.
Akşam olunca, "Herhalde onları sağ yanaklarından öptü, beni unuttu" diye düşündü.
Çok üzüldü, ormanda ufacık bir evde yaşamaya ve babasının sarayına dönmemeye karar verdi.
Her akşam şehre iniyor ve oğlanın evinin önünden geçiyordu; oğlan onu birkaç kez gördüyse de tanımadı. Derken sokaktaki adamların "Yarın düğün olacak" diye konuştuklarını duydu. "Onun kalbini kazanmaya bakmalıyım" diye düşündü.
Düğün günü parmağındaki dilek yüzüğünü döndürerek, "Güneş gibi parlayan bir giysim olsun" dedi. Az sonra önüne öyle parlak bir elbise serildi ki, sanki güneş ışıklarından örülmüştü.
Davetliler salonda toplanmışken o da aralarına daldı. Herkes onun giysisine bayıldı, özellikle de gelin! Güzel giysilere çok meraklı olduğu için: 'Bunu bana satar mısın?' diye sordu.
"Parayla satmam" dedi kız. "Ama damadın yatak odasının kapısı önünde bir gece geçirirsem karşılığında bu elbiseyi veririm."
Gelinin aklı fikri elbisede olduğu için bu teklifi kabul etti, ama kocasının yatmadan önce içtiği şarabına uyku ilacı kattı; o da onu içince derin bir uykuya daldı.
Her yer sessizliğe gömülünce prenses yatak odasının kapısını biraz aralayarak şöyle seslendi:

Davulcu, davulcu, dinle beni,
Yoksa unuttun mu sevgilini?
Beraber değil miydik Camdağı'nda?
Ben atmadım mı ateşe cadıyı da?
Hani ya bana sadık kalacaktın?
Ah, davulcu, beni nasıl da yaktın!

Ama nafile! Davulcu uyanmadı. Ertesi gün prenses yarım kalan işi tamamladı. Yani akşam olduğunda dilek yüzüğünü parmağında döndürerek:
"Aydan da parlak, gümüşten parlak bir elbise istiyorum!" dedi. Ve aydan parlak giysisiyle salona girdiğinde yine gelinin dikkatini çekti. Gelin yine bu elbise karşılığında prensesin o gece de damadın yatak odasının kapısı önünde kalmasına izin verdi.
Ve gecenin sessizliğinde prenses yine seslendi:

Davulcu, davulcu, dinle beni.
Yoksa unuttun mu sevgilini?
Beraber değil miydik Camdağı'nda?
Ben atmadım mı ateşe cadıyı da?
Hani ya bana sadık kalacaktın?
Ah, davulcu, beni nasıl da yaktın!

Ama yine uyku ilaçlı şarabı içen damadı uyandırmak mümkün olmadı. Prenses ertesi sabah üzgün bir şekilde ormandaki eve döndü.
Ancak yabancı kızın yakınmalarını duyan saraydakiler durumu damada anlattılar ve kendisine, şarabına uyku ilacı katıldığı için hiçbir şey duyamamış olduğunu söylediler.
Üçüncü akşam prenses dilek yüzüğünü çevirerek, "Yıldız gibi parlayan bir giysi isterim" dedi.
Ve giysiyi şölen salonunda gösterince gelinin aklı başından gitti ve "Her ne pahasına olursa olsun bu elbise benim olmalı" dedi. Ve bu kez de genç kızın geceyi damadın yatak odasının kapısı önünde geçirmesine izin verdi.
Ama o gece damat, yatmadan önce kendisine sunulan şarabı içmeyip yatağın altına döktü.
Sarayda her yer sessizliğe gömülünce kendisine seslenen ince ve hoş sesi duyuverdi:

Davulcu, davulcu, dinle beni!
Yoksa unuttun mu sevgilini?
Beraber değil miydik Camdağı'nda?
Ben atmadım mı ateşe cadıyı da?
Hani ya bana sadık kalacaktın?
Ah, davulcu, beni nasıl da yaktın!

Ve birden her şeyi hatırladı. "Ah, nasıl böyle bir nankörlük yaptım ben? Ama bütün kabahat, anne ve babamın sağ yanaklarına verdiğim öpücükte!" diyerek yatağından sıçradı; genç kızı anne ve babasının yanına götürerek: "Benim asıl eşim bu!" dedi. "Öbürüyle evlenirsem büyük bir haksızlık yapmış olacağım."
Oğlanın başından geçenleri iyice dinleyen ailesi onun bu isteğine karşı çıkmadılar.
Salondaki ışıklar tekrar yandı. Davulcular ve mızıkacılar geldi. Eş dost akraba, hepsi yeniden çağrıldı ve tüm görkemiyle gerçek bir düğün yapıldı.
İlk geline de teselli olarak o güzel giysiler hediye edildi.




Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.