Vergelijk twee talen:




NEDERLANDS

De gouden vogel

ENGLISH

The golden bird


In oeroude tijden was er eens een koning. Hij had een prachtig park achter zijn slot, en daar stond een boom in, die gouden appels droeg. Wanneer de appels rijp waren, werden ze geteld. Maar de volgende morgen ontbrak er één. Men meldde het de koning, en hij gaf bevel, dat er voortaan elke nacht onder de boom de wacht zou worden gehouden. Nu had de koning drie zonen. De oudste zond hij met 't vallen van de avond naar de tuin. Maar toen het middernacht was geworden, kon hij niet meer van de slaap, en – de volgende morgen was er weer een appel weg. De volgende nacht moest de tweede zoon waken; maar het ging hem niet beter: toen het twaalf uur was, sliep hij in, en 's morgens ontbrak er weer een appel. Nu was de beurt aan de derde zoon, om de wacht te houden. Hij wilde wel, maar de koning vertrouwde hem niet erg, en hij dacht dat hij nog minder zou uitrichten dan zijn broers: maar toch stond hij het hem toe. Dus ging de jongen onder de boom liggen, bleef wakker en liet de slaap niet baas worden over hem. Het sloeg twaalf uur – er ruiste wat door de lucht – en hij zag in de maneschijn een vogel aan komen vliegen, en z'n veren glansden van goud. De vogel zette zich op een tak en juist had hij een appel beet, toen de jongen een pijl op hem afschoot. De vogel ontsnapte, maar de pijl had wel doel getroffen, en één van zijn gouden veren had hij verloren. De jongen raapte die op, bracht hem 's morgens naar de koning en vertelde wat hij 's nachts had gezien. De koning riep zijn raad bijeen, en ieder vond, dat zo'n veer meer waard was dan het hele koninkrijk. "Als de veer zo kostbaar is," verklaarde de koning, "dan wil ik ook de vogel hebben."

Nu ging de oudste zoon op weg, vertrouwde op zijn slimheid en dacht dat hij die gouden vogel vast wel vinden zou. Hij liep een poosje, zag aan de rand van 't bos een vos zitten, legde z'n geweer aan en mikte. De vos riep: "Niet schieten, ik zal je een goede raad geven. Je bent op zoek naar de gouden vogel. Vanavond kom je in een dorp. Daar zijn twee herbergen, tegenover elkaar. In de ene is alles licht, daar gaat 't vrolijk toe: maar ga daar niet naar binnen, maar ga naar de andere die gesloten is en er niet zo goed uitziet." - "Hoe kan zo'n dier me nu een goede raad geven," dacht de prins, en hij schoot, maar hij schoot mis, de vos strekte z'n staart en liep weg. Maar de jongen liep verder, tot hij 's avonds in 't dorp kwam, waar de twee herbergen waren; in de ene werd gezongen en gesprongen, de andere zag er armzalig en saai uit. "Ik zou toch dwaas zijn," dacht hij, "als ik naar die onooglijke herberg ging!" en zo ging hij de vrolijke binnen, leefde daar in weelde en plezier; en hij vergat de gouden vogel, zijn vader, en alle goeds dat hij geleerd had.

Toen er een tijd voorbij was en de oudste zoon altijd en altijd maar weg bleef, toen ging de tweede zoon op weg en wilde ook de gouden vogel zoeken. Net als bij de oudste zag hij de vos; die gaf hem goede raad en hij gaf er niet om. Hij kwam bij de twee herbergen, waar zijn broer aan 't venster stond van die waar zang en dans uitklonk, hij ging naar binnen en leefde voor weelde en plezier.

Weer ging er een tijd voorbij, toen wou de jongste zoon gaan trekken en zijn geluk beproeven. Maar dat wilde de vader niet. "Het is hem niet kwalijk te nemen," zei de vader, "maar de gouden vogel zal hij heus niet vinden, en als hem een ongeluk overkomt, dan weet hij zich niet te redden; hij is de jongste." Maar tenslotte, de jongen liet hem niet met rust – gaf hij zijn toestemming en de jongste trok ook weg. Aan de rand van het bos zat weer de vos, die vroeg om niet te schieten, in ruil voor goede raad. De jongen was goedig en zei: "Stil maar, vosje, ik doe je niks." - "Dat zal je niet berouwen," zei de vos, "en als je nu gauw verder wilt, kom dan maar achter op mijn staart." En pas was hij daarop gaan zitten, of de vos begon te draven, en het ging over stok en steen, zodat zijn haren floten in de wind. Toen ze in het dorp kwamen, ging de jongen eraf, volgde de goede raad, en nam zonder dralen z'n intrek in de armelijke herberg, waar hij rustig overnachtte. De volgende morgen kwam hij buiten, daar zat de vos al en zei: "Nu zal ik je verder zeggen wat je doen moet. Ga aldoor maar recht toe, recht aan. Eindelijk kom je bij een slot. Een massa soldaten ligt ervoor. Bekommer je daar niet om; ze slapen en ze snurken. Ga er middendoor, recht het slot in; alle kamers door. Tenslotte zal je in een kamer komen, waar, in een houten kooi, een gouden vogel hangt. Daar staat een lege kooi naast, een pronkkooi. Maar pas op: neem niet de gouden vogel uit z'n houten kooi om hem in die gouden kooi te zetten, want dan zou het slecht met je aflopen." Meteen stak de vos zijn staart weer uit, en de prins ging erop zitten: daar ging het weer voort over stok en steen, zodat zijn haren floten in de wind. Toen hij bij 't slot was gekomen, vond hij alles wat de vos had voorspeld, en hij kwam in de kamer waar de gouden vogel zat in een houten kooi, met de mooie gouden kooi ernaast; en de drie gouden appels lagen zo in de kamer. Hij vond echter dat het dwaas was, als hij die mooie vogel in zo'n houten kooi liet zitten, hij deed het deurtje open, pakte het dier beet en zette hem in de gouden kooi. Op dat ogenblik liet de vogel een doordringende schreeuw horen. De soldaten werden wakker, ze vielen 't kasteel binnen en sleepten hem in de kerker. De volgende morgen werd hij voor 't gerecht gevoerd, en, toen hij alles bekende, ter dood veroordeeld. Maar nu zei de koning: onder één voorwaarde schonk hij hem genade: als hij het gouden paard bereed dat sneller liep dan de wind, dan zou hij bovendien nog de gouden vogel krijgen als beloning.

De prins ging op weg, zuchtend en bedrukt, want waar moest hij 't gouden paard vinden? Daar zag hij opeens zijn oude vriend de vos aan de rand van de weg zitten. "Zie je nu wel," zei de vos, "dat komt ervan, dat je niet gedaan hebt wat ik zei. Maar je moet niet bij de pakken neerzitten. Ik zal je helpen om naar 't gouden paard te komen. Ga maar recht toe recht aan, dan kom je bij een kasteel. In de stal staat het paard. Vóór de stal liggen soldaten, slapend en snurkend, en je kunt het gouden paard aan de teugel naar buiten brengen. Maar je moet op één ding letten: leg hem het gewone zadel op, van hout en leer; en pak vooral niet het gouden zadel, dat ernaast hangt, want het zou je slecht vergaan." Daarna stak de vos zijn staart weer uit, de koningszoon ging op de staart zitten en voort ging het, over stok en steen, zodat zijn haren floten in de wind. Alles gebeurde zoals de vos gezegd had. Hij kwam in de stal, waarin het gouden paard stond. Maar toen hij het gewone zadel wou opleggen, dacht hij: "Het is toch erg, om zo'n prachtig dier niet dat prachtige gouden zadel op te leggen; dat komt het dier toe." Maar pas had het gouden zadel 't paard aangeraakt, of het dier begon luid te hinniken. De stalknechts werden wakker, grepen de prins beet en wierpen hem in de gevangenis. De volgende morgen werd hij ter dood veroordeeld, maar toch gaf de koning hem genade, en het gouden paard bovendien – als hij kans zag, om de mooie prinses uit het gouden slot te verlossen.

Bedrukt ging de prins op weg. Maar gelukkig, daar was de trouwe vos weer. "Ik moest je eigenlijk aan je lot overlaten," zei de vos, "maar ik heb medelijden met je; en nog één enkele maal zal ik je helpen. Je kunt recht toe recht aan naar het gouden slot gaan. Daar kom je 's avonds, 's Nachts, als alles stil is, gaat de mooie prinses naar 't badhuis, om te baden. Op 't ogenblik dat zij daar binnengaat, spring je op haar toe en kust haar, dan volgt ze je vanzelf, en dan kan je haar meenemen; maar één ding: je staat niet toe dat ze eerst afscheid neemt van haar ouders, want dan zal het slecht met je aflopen!" De vos strekte z'n staart recht, de prins ging erop zitten, en voort vlogen ze over stok en steen, zodat zijn haren floten in de wind. Hij bereikte zo het gouden slot en 't gebeurde zoals de vos had gezegd. Hij bleef wachten tot middernacht. Alles lag in diepe slaap. Maar de prinses ging naar het badhuis en op dat ogenblik sprong hij te voorschijn en kuste haar. Ze wilde graag met hem meegaan. Maar ze smeekte, onder hete tranen, dat hij haar toe zou staan, eerst afscheid te nemen van haar ouders. Hij gaf niet toe, maar ze schreide en eindelijk viel ze aan zijn voeten, en toen kon hij 't niet langer weerstaan. Maar pas was de prinses aan haar vaders bed gekomen, of hij werd wakker, met ieder die in 't slot verbleef, en de prins werd gepakt en opgesloten.

De volgende morgen sprak de koning tegen hem: "Je hebt je leven verbeurd, en je kunt alleen genade krijgen, als je de berg afgraaft, die voor mijn venster ligt en mij het uitzicht beneemt, en dat moet binnen acht dagen gebeuren. Lukt dat, dan kun je mijn dochter krijgen als beloning." De prins begon eraan, groef en schepte zonder ophouden, maar toen hij na zeven dagen zag, hoe weinig hij had uitgericht, en dat al dat werk nog nauwelijks iets geholpen had, gaf hij alle hoop op. De avond van de zevende dag kwam de vos eraan. Hij zei: "Je verdient niet, dat ik nog iets voor je doe, maar ga nu maar slapen. Ik zal het werk voor je doen." De volgende morgen werd hij wakker, en toen hij naar buiten keek, was de hele berg weg. Vol vreugde ijlde de prins naar de koning en meldde hem, dat de voorwaarde vervuld was; en of de koning wilde of niet, hij moest zijn woord gestand doen en zijn dochter ten huwelijk geven.

Nu trokken ze allebei samen weg, en het duurde niet lang, of daar kwam de trouwe vos. "Het beste heb je al," zei de vos, "maar bij de prinses van het gouden slot hoort nog het gouden paard." - "Hoe krijg ik dat nog?" vroeg de jonkman. "Ik zal het je zeggen," zei de vos. "Eerst moetje naar de koning, die je naar 't gouden slot heeft gestuurd, de prinses brengen. Daar zijn ze dan zo blij mee, dat ze je 't gouden paard graag afstaan en het naar je toe zullen brengen. Ga er dan meteen op, reik ieder de hand ten afscheid, de prinses het allerlaatste, en als je haar hand vast hebt, trek haar dan met één zwaai voorop het paard en geef je paard de sporen: niemand kan je inhalen, want dat paard loopt vlugger dan de wind!" Alles werd gelukkig ten einde gebracht. De prins reed met de prinses op het gouden paard weg. Maar de vos bleef niet achter en zei tegen de jonkman: "Nu zal ik je tenslotte nog aan de gouden vogel helpen. Als je vlak bij het kasteel gekomen bent, laat dan de prinses afstijgen. Ik zal zolang op haar passen. Rij dan, op het gouden paard, naar het slotplein. Zodra ze het zien, zullen ze zich bijzonder blij tonen, en ze zullen je de gouden vogel buiten brengen. Zodra je de kooi in de hand hebt, snel dan naar ons terug, en haal de prinses weer af." Alles lukte, en toen de prins met zijn schatten weer naar huis wou rijden, zei de vos: "Nu moetje mij voor al mijn hulp ook belonen." - "Wat moetje ervoor hebben?" vroeg de jongen. "Als we in het bos komen," zei de vos, "schiet me dan dood, en sla mij m'n kop en m'n poten af." - "Een mooie dank," zei de prins, "dat kan ik je onmogelijk aandoen." De vos zei: "Als je het niet wilt, dan moet ik je nu verlaten; maar voor ik wegga, zal ik je nog een goede raad geven. Je moet twee dingen vermijden. Koop geen galgenvlees, en ga nooit op de rand van een bron zitten." Toen liep hij het bos in.

De jonge prins dacht: "Wat een vreemd dier is dat, en wat heeft hij een eigenaardige grillen. Wie zal er nu galgenvlees gaan kopen! En nooit in mijn leven heb ik het denkbeeld gehad, om op de rand van een bron te gaan zitten." Hij reed verder met de mooie prinses, en de weg leidde door een dorp, en het was juist dat, waar zijn beide broers waren gebleven. Er kwam een hele oploop en geschreeuw, en toen hij vroeg wat er dan aan de hand was, kreeg hij als antwpord: er zouden twee mensen worden opgehangen. Dichterbij gekomen zag hij, dat het zijn broers waren, want met al hun slimme streken hadden ze er ook al hun geld doorgejaagd. Hij vroeg of ze niet te bevrijden waren. "Ja als je hun schulden betalen wilt," zeiden de mensen, "maar waarom zou je je goeie geld geven voor die twee nietsnutten, en hen loskopen?" Maar hij bedacht zich geen ogenblik, maar betaalde hun schulden, en toen ze zo bevrijd waren, zetten ze de reis met z'n allen voort.

Nu kwamen ze bij het bos, waar ze de vos allemaal voor 't eerst hadden gezien. Het was er koel en heerlijk, omdat 't een hete zonnedag was; en de twee broers zeiden: "Laten we hier bij deze bron wat rusten en eten en drinken." Hij vond dat goed, en onder de maaltijd vergat hij alles en ging argeloos op de rand van de bron zitten, aan niets denkend, en zijn broers pakten hem beet en gooiden hem achterover de put in. En ze namen de prinses en het paard en de vogel en gingen met dat alles naar hun vader terug. "Hier brengen we u niet alleen de gouden vogel," zeiden ze, "maar bovendien het gouden paard en we hebben nog de prinses van 't gouden slot meegebracht bovendien." Grote vreugde in 't kasteel; maar het paard at niet, de vogel zong niet, en de prinses zat maar te huilen.

De jongste broer was evenwel niet dood. De bron was droog geweest, en hij was op zacht mos gevallen, zonder letsel te krijgen, alleen, hij kon er niet uit. Maar de trouwe vos had hem niet verlaten. Hij kwam naar beneden gesprongen en gaf hem een geweldige uitbrander, omdat hij zijn raad al weer in de wind had geslagen. "Maar ik kan het niet laten," zei hij, "ik zal je nog eens in 't daglicht helpen." En hij zei hem: "Pak nu mijn staart en hou je goed vast" en zo trok hij hem de hoogte in. "Nog ben je niet veilig," zei de vos weer, "je broers waren niet zeker van je dood, ze hebben het bos met wachters bezet, om je te doden, wanneer je nog levend rondliep." Nu zat er een bedelaar aan de weg. De prins ruilde met hem van kleren, en zo raakte hij spoedig thuis op zijn vaders slot. Niemand zag dat hij het was. Maar de vogel begon te zingen, het paard wilde weer eten en de mooie prinses droogde haar tranen. De koning vroeg verbaasd: "Wat betekent dat ineens?" Toen zei de prinses: "Ik weet 't niet - ik was bedroefd, en nu ben ik opeens zo opgewekt; alsof mijn eigen prins weer terug was." Nu vertelde ze alles wat er gebeurd was, hoewel de broers haar met de dood hadden bedreigd, als ze iets zou verraden. Nu liet de koning allen bij zich roepen, die in 't slot aanwezig waren. En zo kwam er ook een jonkman met lompen aan; maar de prinses herkende hem meteen en viel hem om de hals. De goddeloze broers werden gegrepen en gedood, en de jongste trouwde met de prinses en werd erfgenaam van 't koninkrijk.

En hoe was het met de arme vos gegaan? Lang daarna ging de zoon van de koning nog eens naar het bos; en hij kwam de vos weer tegen en die zei: "Nu heb jij alles watje maar wensen kunt, maar mijn ongeluk blijft maar duren. Toch heb jij het in je macht, mij te verlossen." En nog eens smeekte hij, hem neer te schieten en kop en poten af te hakken. Daarom deed hij het nu. En toen het gebeurd was, veranderde de vos zich in een mens, en dat was niemand anders dan de broer van de schone prinses; hij was nu eindelijk verlost van de betovering, die op hem had gelegen. Nu ontbrak er niets meer aan hun geluk, zolang zij leefden.
In times gone by there was a king who had at the back of his castle a beautiful pleasure-garden, in which stood a tree that bore golden apples. As the apples ripened they were counted, but one morning one was missing. Then the king was angry, and he ordered that watch should be kept about the tree every night.

Now the king had three sons, and he sent the eldest to spend the whole night in the garden; so he watched till midnight, and then he could keep off sleep no longer, and in the morning another apple was missing. The second son had to watch the following night; but it fared no better, for when twelve o'clock had struck he went to sleep, and in the morning another apple was missing. Now came the turn of the third son to watch, and he was ready to do so; but the king had less trust in him, and believed he would acquit himself still worse than his brothers, but in the end he consented to let him try. So the young man lay down under the tree to watch, and resolved that sleep should not be master.

When it struck twelve something came rushing through the air, and he saw in the moonlight a bird flying towards him, whose feathers glittered like gold. The bird perched upon the tree, and had already pecked off an apple, when the young man let fly an arrow at it. The bird flew away, but the arrow had struck its plumage, and one of its golden feathers fell to the ground: the young man picked it up, and taking it next morning to the king, told him what had happened in the night. The king called his council together, and all declared that such a feather was worth more than the whole kingdom. "Since the feather is so valuable," said the king, "one is not enough for me; I must and will have the whole bird."

So the eldest son set off, and relying on his own cleverness he thought he should soon find the golden bird. When he had gone some distance he saw a fox sitting at the edge of a wood, and he pointed his gun at him. The fox cried out, "Do not shoot me, and I will give you good counsel. You are on your way to find the golden bird, and this evening you will come to a village, in which two taverns stand facing each other. One will be brightly lighted up, and there will be plenty of merriment going on inside; do not mind about that, but go into the other one, although it will look to you very uninviting.''

"How can a silly beast give one any rational advice?" thought the king's son and let fly at the fox, but missed him, and he stretched out his tail and ran quick into the wood. Then the young man went on his way, and towards evening he came to the village, and there stood the two taverns; in one singing and dancing was going on, the other looked quite dull and wretched.

"I should be a fool," said he, "to go into that dismal place, while there is anything so good close by." So he went into the merry inn, and there lived in clover, quite forgetting the bird and his father, and all good counsel.

As time went on, and the eldest son never came home, the second son set out to seek the golden bird. He met with the fox, just as the eldest did, and received good advice from him without attending to it. And when he came to the two taverns, his brother was standing and calling to him at the window of one of them, out of which came sounds of merriment; so he could not resist, but went in and revelled to his heart's content.

And then, as time went on, the youngest son wished to go forth, and to try his luck, but his father would not consent.

"It would be useless," said he; "he is much less likely to find the bird than his brothers, and if any misfortune were to happen to him he would not know how to help himself; his wits are none of the best." But at last, as there was no peace to be had, he let him go.

By the side of the wood sat the fox, begged him to spare his life, and gave him good counsel. The young man was kind, and said, "Be easy, little fox, I will do you no harm."

"You shall not repent of it," answered the fox, "and that you may get there all the sooner, get up and sit on my tail." And no sooner had he done so than the fox began to run, and off they went over stock and stone, so that the wind whistled in their hair. When they reached the village the young man got down, and, following the fox's advice, went into the mean-looking tavern, without hesitating, and there he passed a quiet night.

The next morning, when he went out into the field, the fox, who was sitting there already, said, "I will tell you further what you have to do. Go straight on until you come to a castle, before which a great band of soldiers lie, but do not trouble yourself about them, for they will be all asleep and snoring; pass through them and forward into the castle, and go through all the rooms, until you come to one where there is a golden bird hanging in a wooden cage. Near at hand will stand empty a golden cage of state, but you must beware of taking the bird out of his ugly cage and putting him into the fine one; if you do so you will come to harm." After he had finished saying this the fox stretched out his tail again, and the king's son sat him down upon it; then away they went over stock and stone, so that the wind whistled through their hair.

And when the king's son reached the castle he found everything as the fox had said: and he at last entered the room where the golden bird was hanging in a wooden cage, while a golden one was standing by; the three golden apples too were in the room. Then, thinking it foolish to let the beautiful bird stay in that mean and ugly cage, he opened the door of it, took hold of it, and put it in the golden one. In the same moment the bird uttered a piercing cry. The soldiers awaked, rushed in, seized the king's son and put him in prison.

The next morning he was brought before a judge, and, as he confessed everything, condemned to death. But the king said he would spare his life on one condition, that he should bring him the golden horse whose paces were swifter than the wind, and that then he should also receive the golden bird as a reward.

So the king's son set off to find the golden horse, but he sighed, and was very sad, for how should it be accomplished? And then he saw his old friend the fox sitting by the roadside.
"Now, you see," said the fox, "ail this has happened, because you would not listen to me. But be of good courage, I will bring you through, and will tell you how you are to get the golden horse. You must go straight on until you come to a castle, where the horse stands in his stable; before the stable-door the grooms will be lying, but they will all be asleep and snoring; and you can go and quietly lead out the horse. But one thing you must mind - take care to put upon him the plain saddle of wood and leather, and not the golden one, which will hang close by; otherwise it will go badly with you."

Then the fox stretched out his tail, and the king's son seated himself upon it, and away they went over stock and stone until the wind whistled through their hair. And everything happened just as the fox had said, and he came to the stall where the golden horse was: and as he was about to put on him the plain saddle, he thought to himself, "Such a beautiful animal would be disgraced were I not to put on him the good saddle, which becomes him so well." However, no sooner did the horse feel the golden saddle touch him than he began to neigh. And the grooms all awoke, seized the king's son and threw him into prison. The next morning he was delivered up to justice and condemned to death, but the king promised him his life, and also to bestow upon him the golden horse, if he could convey thither the beautiful princess of the golden castle.

With a heavy heart the king's son set out, but by great good luck he soon met with the faithful fox. "I ought now to leave you to your own ill-luck," said the fox, "but I am sorry for you, and will once more help you in your need. Your way lies straight up to the golden castle: you will arrive there in the evening, and at night, when all is quiet, the beautiful princess goes to the bath. And as she is entering the bathing-house, go up to her and give her a kiss, then she will follow you, and you can lead her away; but do not suffer her first to go and take leave of her parents, or it will go ill with you." Then the fox stretched out his tail; the king's son seated himself upon it, and away they went over stock and stone, so that the wind whistled through their hair.

And when he came to the golden castle, all was as the fox had said. He waited until midnight, when all lay in deep sleep, and then as the beautiful princess went to the bathing-house he went up to her and gave her a kiss, and she willingly promised to go with him, but she begged him earnestly, and with tears, that he would let her first go and take leave of her parents. At first he denied her prayer, but as she wept so much the more, and fell at his feet, he gave in at last.

And no sooner had the princess reached her father's bedside than he, and all who were in the castle, waked up, and the young man was seized and thrown into prison. The next morning the king said to him, "Thy life is forfeit, but thou shalt find grace if thou canst level that mountain that lies before my windows, and over which I am not able to see: and if this is done within eight days thou shalt have my daughter for a reward." So the king's son set to work, and dug and shovelled away without ceasing, but when, on the seventh day, he saw how little he had accomplished, and that all his work was as nothing, be fell into great sadness, and gave up all hope.

But on the evening of the seventh day the fox appeared, and said, "You do not deserve that I should help you, but go now and lie down to sleep, and I will do the work for you." The next morning when he awoke, and looked out of the window, the mountain had disappeared. The young man hastened full of joy to the king, and told him that his behest was fulfilled, and, whether the king liked it or not, he had to keep to his word, and let his daughter go. So they both went away together, and it was not long before the faithful fox came up to them.

"Well, you have got the best first," said he; "but you must know the golden, horse belongs to the princess of the golden castle." - "But how shall I get it?" asked the young man. "I am going to tell you," answered the fox. "First, go to the king who sent you to the golden castle, and take to him the beautiful princess. There will then be very great rejoicing; he will willingly give you the golden horse, and they will lead him out to you; then mount him without delay, and stretch out your hand to each of them to take leave, and last of all to the princess, and when you have her by the hand swing her up on the horse behind you, and off you go! nobody will be able to overtake you, for that horse goes swifter than the wind."

And so it was all happily done, and the king's son carried off the beautiful princess on the golden horse. The fox did not stay behind, and he said to the young man, "Now, I will help you to get the golden bird. When you draw near the castle where the bird is, let the lady alight, and I will take her under my care; then you must ride the golden horse into the castle-yard, and there will be great rejoicing to see it, and they will bring out to you the golden bird; as soon as you have the cage in your hand, you must start off back to us, and then you shall carry the lady away." The plan was successfully carried out; and when the young man returned with the treasure, the fox said, "Now, what will you give me for my reward?" - "What would you like?" asked the young man. "When we are passing through the wood, I desire that you should slay me, and cut my head and feet off."

"That were a strange sign of gratitude," said the king's son, "and I could not possibly do such a thing." Then said the fox, "If you will not do it, I must leave you; but before I go let me give you some good advice. Beware of two things: buy no gallows-meat, and sit at no brook-side." With that the fox ran off into the wood.

The young man thought to himself, "That is a wonderful animal, with most singular ideas. How should any one buy gallows-meat? and I am sure I have no particular fancy for sitting by a brook-side." So he rode on with the beautiful princess, and their way led them through the village where his two brothers had stayed. There they heard great outcry and noise, and when he asked what it was all about, they told him that two people were going to be hanged. And when he drew near he saw that it was his two brothers, who had done all sorts of evil tricks, and had wasted all their goods. He asked if there were no means of setting them free.

"Oh yes! if you will buy them off," answered the people; "but why should you spend your money in redeeming such worthless men?" But he persisted in doing so; and when they were let go they all went on their journey together.

After a while they came to the wood where the fox had met them first, and there it seemed so cool and sheltered from the sun's burning rays that the two brothers said, "Let us rest here for a little by the brook, and eat and drink to refresh ourselves." The young man consented, quite forgetting the fox's warning, and he seated himself by the brook-side, suspecting no evil. But the two brothers thrust him backwards into the brook, seized the princess, the horse, and the bird, and went home to their father.

"Is not this the golden bird that we bring?" said they; "and we have also the golden horse, and the princess of the golden castle." Then there was great rejoicing in the royal castle, but the horse did not, feed, the bird did not chirp, and the princess sat still and wept.

The youngest brother, however, had not perished. The brook was, by good fortune, dry, and he fell on soft moss without receiving any hurt, but he could not get up again. But in his need the faithful fox was not lacking; he came up running, and reproached him for having forgotten his advice.

"But I cannot forsake you all the same," said he; "I will help you back again into daylight." So he told the young man to grasp his tail, and hold on to it fast, and so he drew him up again. "Still you are not quite out of all danger," said the fox; "your brothers, not being certain of your death, have surrounded the wood with sentinels, who are to put you to death if you let yourself be seen." A poor beggar-man was sitting by the path, and the young man changed clothes with him, and went clad in that wise into the king's courtyard. Nobody knew him, but the bird began to chirp, and the horse began to feed, and the beautiful princess ceased weeping.

"What does this mean?" said the king, astonished. The princess answered, "I cannot tell, except that I was sad, and now I am joyful; it is to me as if my rightful bridegroom had returned." Then she told him all that happened, although the two brothers had threatened to put her to death if she let out anything.

The king then ordered every person who was in the castle to be brought before him, and with the rest came the young man like a beggar in his wretched garments; but the princess knew him, and greeted him well, falling on his neck and kissing him. The wicked brothers were seized and put to death, and the youngest brother was married to the princess, and succeeded to the inheritance of his father.

But what became of the poor fox? Long afterwards the king's son was going through the wood, and the fox met him and said, "Now, you have everything that you can wish for, but my misfortunes never come to an end, and it lies in your power to free me from them." And once more he prayed the king's son earnestly to slay him, and cut off his head and feet. So, at last, he consented, and no sooner was it done than the fox was changed into a man, and was no other than the brother of the beautiful princess; and thus he was set free from a spell that had bound him for a long, long time. And now, indeed, there lacked nothing to their happiness as long as they lived.