Nederlands NEDERLANDS     Deens DANSK     Spaans ESPAÑOL     Italiaans ITALIANO     Frans FRANÇAIS     Duits DEUTSCH     Engels ENGLISH  
Grimm sprookjes - Homepage De sprookjes van de gebroeders Grimm
Zoek een sprookje:

Grimmstories-Menu


 


Trefwoorden
De gebroeders Grimm


12 (getal):
12 ramen:
2 broers:
 
2 zussen:
3 (getal):
 
 
 
3 broers:
 
 
 
 
 
3 zussen:
 
 
5 helpers:
7 (getal):
 
 
 
7 broers:
aap:
aardappels:
aardbeien:
aarde:
aardmannetje:
achtervolgen:
afgehakte handen:
afgunst:
aftuigen:
akker:
akkerwinde:
angst:
apostel:
appel:
 
 
 
appelboom:
arbeider:
arm en rijk:
 
 
arm:
armoede:
 
 
arts:
as:
 
azijn:
baas:
baby:
bakker:
bed opschudden:
bedelaar:
 
bedelen:
bedriegen:
 
bedrog:
 
 
 
 
 
 
beeld:
beer:
 
 
begrafenis:
behulpzame oude vrouw:
bekering:
belofte niet nakomen:
belofte:
 
beloven:
berenvel:
berg:
 
beschermengel:
bescherming:
betoverd kasteel:
betoverd water:
betovering van mens in steen:
betovering:
 
 
 
betrappen:
bezem:
bier tappen:
bier:
 
biervat:
bieten:
bij:
 
bijl:
 
blind:
blindheid:
bloed:
 
bloedverwantschap:
bloem:
 
bloemen plukken:
blond haar:
bluf:
 
bode:
boeman:
boer:
 
 
boete doen:
boeven:
bont:
boom des levens:
boom:
 
boon:
boot:
borstel:
bos:
 
 
bot:
boter:
botje:
braden:
brandstapel:
 
breien:
brief:
broederlijke trouw:
bron:
 
 
 
 
 
brood:
 
 
 
broodkruimels:
 
bruid:
 
bruidskeuze:
 
bruidsmantel:
bruidsverwisseling:
 
 
bruiloft:
buks:
daalder:
dansen:
dapper:
dapperheid:
deemoed:
degen:
dennenappels:
dennenboom:
deur:
 
dialect:
diamanten:
dief:
diefstal:
 
 
dienaar:
 
dier als bruidegom:
dieren:
 
 
dierentaal:
dievenhand:
dochter:
doden van draak:
dokter:
doktor:
domheid belachelijk maken:
domheid:
 
domme vrouw getrouwd zijn:
domoor:
 
 
 
 
 
 
 
 
dood:
 
 
 
 
doodstraf:
doop:
doorn:
doornhaag:
 
dopen:
draaier:
draak:
 
drie:
 
droom:
 
duif:
 
duivel:
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
dwaas:
dwerg:
 
ebbenhout:
ec:
echtelijke trouw:
edelsteen:
eend:
 
 
 
 
eenhoorn:
eerbied:
egel:
 
ei:
eierschaal:
 
eigen straf kiezen:
eik:
 
engel:
erfenis:
erfgenaam:
esp:
eten van vogelhart:
eten:
ezel:
 
 
 
 
ezelsvel:
fabeldier:
feeën:
fluit:
galg:
gans:
 
 
 
ganzen hoeden:
ganzenhoedster:
 
garen:
gedaantewisseling:
gedroogde appels:
geduld:
geheimhouding:
 
geit:
 
geitjes:
geld opgraven:
geld:
 
 
 
geluk:
 
genade:
geneeskrachtig kruid:
geneeskunde:
genoegdoening:
gerecht:
geschenken:
gevaar:
gewaad:
geweer:
geweten:
gierst:
glas:
glazen berg:
 
glazen kist:
god:
 
 
 
 
 
goed:
gokverslaving:
goud:
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
gouden bal:
gouden berg:
gouden ring:
gouden schoen:
gouden sleutel:
goudsbloem:
goudstuk:
goudstukken:
 
goudvis:
granaatberg:
griezelen:
grond:
grootmoeder:
grootvader:
haan:
 
 
 
 
 
 
haar:
haas:
 
 
 
 
haast:
hagel:
handel:
hard rijden:
hardloopwedstrijd:
 
hazelaar:
 
hazewindhond:
heelmeester:
heiland:
heilige:
heimwee:
heks:
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
hel:
 
hemden:
hemel:
 
 
 
 
 
 
 
 
hemelpoort:
hen:
 
 
herberg:
 
 
herder:
herderin:
herdershond:
herfst:
hoefnagel:
holle boom:
 
 
hond:
 
 
 
 
 
 
 
hoofdeind:
houthakken:
houthakker:
 
 
 
huilen:
 
huis afgrendelen:
huishouden:
 
hulp:
hutje in het bos:
 
 
 
 
 
huwelijk:
huwelijksleven:
ijver:
ijzer:
ijzeren kist:
ijzeren ring:
initiatie:
jacht:
jager:
 
 
 
 
jaloezie:
 
jas:
jeneverbes:
jezus:
 
jongste dochter afstaan:
jongste zoon:
jozef:
kaartspel:
kaas:
 
kabouter:
kam:
 
kamerdeur:
kamers:
kapitein:
karrenspoor:
kasteel:
 
kat:
 
 
 
 
 
katteoog:
kelder:
kerk:
kerkhof:
keutel:
kiezelsteen:
kikker:
 
 
 
kind:
kinderen achterlaten in het bos:
kindermoord:
kinderwens:
kip:
 
 
kleding:
kleermaker:
 
 
 
 
 
 
 
 
klein duimpje:
klein mannetje:
 
 
klein mens:
 
kleinzoon:
klimmen:
klok:
kluizenaar:
kluwen garen:
knecht:
 
 
knuppel:
koe:
 
 
 
koetsier:
kok:
 
 
kolenbrander:
koning:
 
 
 
 
 
 
koningszoon:
kool:
koopman:
 
koster:
kraan vergeten dicht te draaien:
kristal:
kuisheid:
kus:
kwelgeesten:
laarzen:
laatste adem uitblazen:
ladder:
lapjeskat:
leeftijd:
leeuw:
 
leeuwerik:
lelie:
 
leugen:
levensboom:
levensduur:
levenslicht:
levensplant:
levenswater:
 
liefde:
liegen:
linde:
lindeboom:
list:
lotsbestemming:
luiheid:
 
luilekkerland:
luis:
luit:
maan:
magere hein:
man:
man-vrouw relatie:
mantel:
 
maria:
 
marskramer:
medelijden:
meel:
mens in diergedaante (leeuw):
mens in diergedaante:
 
mens:
menseneter:
 
 
mest:
mestkever:
meubelmaker:
mier:
 
mierenkoning:
moeder:
 
moedervlek:
molen:
molenaar:
 
 
 
 
 
molensteen:
moord:
 
muis:
 
 
mus:
 
 
muziek:
 
 
 
muzikant:
naald en draad:
naald:
nachtegaal:
naïviteit:
niet kunnen spreken (stomheid):
nimf:
nood klagen:
noot:
noten:
notendoppen:
onbekend zijn met iets:
ondankbaarheid:
 
 
onderricht:
onderwereld:
ongeduld:
ongehoorzaamheid:
ongepast antwoord geven:
onnozel:
onschuld bewijzen:
ontrouw:
onttovering:
 
 
onvriendelijkheid:
onze lieve heer:
onzichtbaar:
oog:
oogst:
oogsten:
opdrachten:
 
opoffering:
 
opschepperij:
opsluiten:
opwekken uit de dood:
oude vrouw:
 
ouderdom:
 
 
overijlde belofte:
 
paard:
 
 
 
 
 
 
 
 
pad:
pan:
pannenkoekenhuisje:
pap:
parel:
parels:
pastoor:
 
paus:
peer:
peet:
peetmoeder:
peetvader:
 
pek:
petekind:
petrus:
 
 
piepen:
pikdonker:
plukken:
pompoen:
potten en pannen:
prins:
 
 
 
 
prinses:
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
proef:
raadsel:
 
raaf:
 
 
 
 
 
 
raap:
 
rapunzel:
rechtspreken:
ree:
reinaerde:
reizen:
 
respect:
 
 
 
reus:
 
 
reuzen:
 
riem:
riet:
rijk:
rijkdom:
rijke en arme broer:
ring:
 
 
 
rondtrekken:
rood:
 
roos:
 
rouw:
 
rover:
rovers:
 
rovershol:
ruilen:
sabel:
samen begraven worden:
samenwerking:
schaapherder:
schat:
schatkamer:
schatkist:
schelp:
schepping:
schijndood:
schildwacht:
schip:
 
 
schoen:
 
 
schoenmaker:
schoonheid:
schudden:
seizoenen:
simpele ziel:
sint pieter:
 
sla:
slager:
 
slang:
 
 
slapen:
 
 
slecht:
slee:
sleutel:
sleutelgat:
slimheid:
sloot:
slot:
 
 
smijten:
sneeuw:
 
 
sneeuwwit:
snijden:
soep:
soldaat:
 
 
 
speelman:
speelmunten:
speer:
speld:
 
spiegel:
 
spinnen (ww):
 
 
 
 
spinnen:
spinnewiel:
spitsboeven:
spreekverbod:
sprekend paard:
sprekende vis:
springen:
standen:
steen:
stelen:
sterven:
 
stiefmoeder:
 
 
 
 
 
 
 
stiefzus:
stiekem:
stikken in voedsel:
stoel:
stokslagen:
straf:
strand:
stro:
strohalm:
stromen:
tafeltje dek je:
tamboer:
tapijt:
tarwe:
tarwemeel:
terechtstelling:
tin:
tong:
toren:
 
torenkamer:
tovenaar:
toverspreuk:
toverspullen:
toverviool:
 
tovervoorwerp:
traan:
tranen:
trap:
trommel:
trommelaar:
trommelslager:
trouw:
 
trouwe dienaar:
 
trouwen:
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
tuin:
 
twaalf:
uil:
uitbuiting:
uithuwelijken:
vader en zoon:
vader-zoon:
vallen:
varkenshart:
veer:
vegen:
veranderen in steen:
 
verbannen:
verbranden:
verdelen:
verdiende loon krijgen:
verdienste:
verdrinken:
 
verdwalen:
veren:
vergeten van de bruid:
vergeving:
verkeerd antwoord geven:
verleiding:
verliefdheid:
verslinden:
versteend:
verstenen:
verstoppen:
verstoten:
verzet:
vet:
vetmesten:
vijver:
vilder:
vis:
 
 
 
visser:
 
vissers:
vlam:
vlas:
 
 
vlecht:
vlees:
 
vlieg:
vlijt:
vlijtzaam:
vlo:
voedsel:
 
 
voerman:
voet:
voeteneind:
vogel:
 
volksgericht:
voorzichtigheid:
vos:
 
 
 
 
 
 
 
vraatzucht:
vriendschap:
 
 
 
vrouw:
vruchtenmoes:
vuur:
 
waaien:
waard:
 
 
waarheid:
waarschuwing:
wagen:
water:
waterkruik:
waterput:
weduwe:
 
wensring:
wieg:
wijn:
 
wijnglas:
wijnvaten:
wild zwijn:
wilg:
wind:
winter:
 
wisselkind:
wit:
witte slang:
witte vogel:
 
woede:
wolf:
 
 
 
 
 
 
 
wolk:
wonderbaarlijke avonturen:
wonderbaarlijke dieren:
wonderbaarlijke voorwerpen:
wondervogel:
worst:
 
wortel:
wraak:
 
zee:
zeeslak:
zeis:
zeven in een klap:
zeven:
zieke:
ziekte:
ziel:
zien:
zilveren berg:
zingen:
zingende springende leeuwerikje:
zolder:
zon:
zonde:
zorg:
zout:
zwaan:
zwaar op de maag liggen:
zwaard:
zwaben:
zwart mannetje:
zwart:
éénoog:

 

info@grimmstories.com top