Van de visser en zijn vrouw

Er was eens een visser en z'n vrouw, die zo arm waren, dat ze alleen maar in een pot konden wonen, vlak aan zee. De visser ging elke dag hengelen; en dan hengelde hij en hengelde hij maar. Zo zat hij ook eens bij zijn hengel en keek steeds in 't blanke water, en hij keek en keek. Daar dook de dobber diep onder, en toen hij 'm ophaalde, had hij een grote bot. Toen zei de bot tegen 'm: Hoor jij es visser, zei-d-ie, laat me leven, een echte bot ben 'k toch niet, ik ben een betoverde prins. Wat had je eraan als je me dood maakte? Lekker ben ik toch niet, zet me weer in 't water en laat me zwemmen. Nou, zei de man, zoveel woorden hoef je ook niet vuil te maken; een bot die praten kan, die zou 'k ook liever maar laten zwemmen. Meteen zette hij de bot weer in 't blanke water, de bot dook onder en liet een lange streep bloed achter zich. Toen stond de visser op en ging naar z'n vrouw in de pot. Man, zei de vrouw, niks gevangen? Nee, zei de man, een bot gevangen, die zei – een betoverde prins was-ie, toen liet ik 'm maar weer zwemmen. Heb je dan geen wens gedaan? zei de vrouw. Nee, zei de man, wat zou ik nu wensen? Ach, zei de vrouw, wat is dat nou, altijd in zo'n pot te wonen, je had toc
8/10 - 204 stemmen






De mooiste sprookjes van Grimm









Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.