NEDERLANDS

De ganzenhoedster aan de bron

DANSK

Gåsevogtersken ved brønden


Er was eens een stokoud moedertje dat met haar troep ganzen op een eenzame plek in de bergen woonde waar zij een klein huisje had. Die eenzame plek was door een groot bos omgeven en iedere morgen nam de oude vrouw haar kruk en strompelde naar het bos. Daar was het moedertje dan heel bedrijvig bezig, veel bedrijviger dan je van iemand van haar hoge leeftijd zou verwachten. Zij sneed gras voor haar ganzen, plukte wilde vruchten voor zover haar handen erbij konden en droeg alles op haar rug naar huis. Je zou denken dat zij onder die zware last wel moest bezwijken maar het gelukte haar steeds haar vrachtje veilig thuis te brengen. Als zij iemand tegenkwam groette zij heel vriendelijk: "Goedendag, beste man, wat is het mooi weer vandaag. Ja, het verbaast u dat ik met dat gras sjouw, maar ieder moet zijn last op zijn rug torsen." Maar de mensen kwamen haar niet graag tegen en maakten liever een omweg en wanneer een vader met zijn zoontje langs haar kwam, dan zei hij zachtjes tegen hem: "Pas op voor die oude, die heeft het flink achter de ellebogen, het is een heks."
Der var engang en ældgammel kone, som boede ude i en øde egn mellem bjergene i et lille hus og vogtede gæs. Rundt om var der en stor skov, og hver morgen rokkede den gamle kone derind på sine krykker. Så havde hun frygtelig travlt og var så flittig, som man ikke skulle have troet sådan en gammel en kunne udholde. Hun samlede græs til sine gæs, plukkede den vilde frugt, hun kunne nå, og bar det altsammen hjem på sin ryg. Man skulle have troet, at den tunge byrde havde trykket hende til jorden, men hun kom altid lykkelig og vel hjem. Når hun mødte nogen sagde hun venligt: "Goddag, sikken et dejligt vejr det er. Ja, I undrer jer nok over, at jeg slæber af sted med dette græs, men hver har sit at bære på." Folk holdt ikke af at møde hende og gik hellere en omvej. Hvis en bonde kom forbi med sin søn, sagde han sagte til ham: "Tag dig i agt for den gamle der, hun ved mere end sit fadervor. Det er en heks."


Eens op een morgen liep er een knappe jongeman door het bos. De zon scheen helder, de vogels zongen, een koel windje streek door het lover en hij was welgemoed. Tot nog toe was hij niemand tegengekomen maar plotseling zag hij de oude heks, die op haar knieën op de grond lag en met een sikkel gras sneed. Zij had al een hele vracht in haar doek geknoopt en daarnaast stonden twee manden die met wilde appels en peren waren gevuld. "Maar moedertje," zei hij, "hoe krijg je dat allemaal naar huis?" - "Ik moet het dragen, heer," antwoordde zij, "rijkeluis kinderen hoeven dat niet te doen, maar bij de boeren zegt men:
En morgen gik en smuk, ung mand gennem skoven. Solen skinnede, fuglene sang, en sagte vind viftede gennem løvet, og han var glad og i godt humør. Han havde endnu ikke mødt noget menneske, men pludselig fik han øje på den gamle heks, som lå på knæ på jorden og skar græs af med en segl. Hun havde allerede en hel mængde i sit tørklæde, og ved siden af det stod der to kurve fyldt med vilde pærer og æbler. "Hvordan kan du dog bære alt det, morlil?" spurgte han. "Det må jeg nu engang," svarede hun. "Rige folks børn behøver det ikke. Men bonden siger:


Kijk niet om
Vend dig ej om, vær ikke dum,

Je rug is krom."
du ved jo godt, din ryg er krum,"


"Wilt u mij helpen?" vroeg zij toen hij bij haar bleef staan, "u hebt nog een rechte rug en jonge benen, het zal u niet zwaar vallen. Mijn huis is ook niet zo ver hier vandaan. Het staat ginds achter die berg op de heide. U bent in een ommezientje boven." De jongeman had medelijden met de oude vrouw en antwoordde: "Mijn vader is weliswaar geen boer maar een rijke graaf, maar om u te laten zien dat boeren niet de enigen zijn die zware lasten kunnen dragen, zal ik uw bundel op mijn rug nemen." - "Als u dat wilt proberen," zei zij, "zou ik dat erg prettig vinden. Een uur zult u wel moeten lopen maar wat maakt dat voor u uit? Die appels en peren moet u ook dragen." De jonge graaf keek wel een beetje bedenkelijk toen hij van een uur gaans hoorde, maar de oude liet hem niet meer los, laadde de bundel op zijn rug en hing de beide manden aan zijn arm. "Ziet u wel, het gaat heel gemakkelijk," zei zij. "Nee, het gaat helemaal niet gemakkelijk," antwoordde de graaf en trok een pijnlijk gezicht, "de bundel drukt zo zwaar alsof er louter keistenen in zitten en de appels en peren hebben een gewicht alsof ze van lood zijn. Ik kan bijna niet ademen." Hij had zin alles weer neer te zetten, maar de oude liet het niet toe. "Kijk eens aan," zei zij spottend, "de jonge heer wil niet eens dragen wat een oude vrouw als ik al zo vaak heeft gesjouwd. Met mooie woorden staan zij altijd klaar, maar als het ernst wordt maken zij dat zij weg komen. Wat staat u daar te talmen," viel zij uit, "vooruit, til uw benen op. Er is toch niemand die u die bundel weer afneemt." Zolang hij op vlak terrein liep was het nog uit te houden, maar toen zij bij de berg kwamen en moesten klimmen en de stenen achter zijn voeten wegrolden alsof ze levend waren, ging het zijn krachten te boven. De zweetdruppels stonden op zijn voorhoofd en liepen nu eens warm, dan koud langs zijn rug naar beneden. "Moedertje," zei hij, "ik kan niet meer, ik moet even rusten." - "Niets daarvan," zei de oude, "als wij er zijn mag u uitrusten, maar nu moet u verder. Wie weet waar het goed voor is." - "Oude, je wordt brutaal," zei de graaf en wilde de bundel afwerpen maar tevergeefs, de bundel zat zo stevig op zijn rug alsof hij er aan vastgegroeid zat. Hij draaide en keerde zich maar kon hem niet kwijtraken. De oude lachte erom en sprong vrolijk op haar kruk in het rond. "Niet boos worden mijnheer," zei zij, "u wordt zo rood als een kalkoense haan. Draag uw bundeltje maar geduldig, als wij thuis zijn geef ik u een flinke beloning." Wat moest hij doen? Hij kon niet anders dan zich in zijn lot schikken en zich geduldig achter de oude voortslepen. Zij scheen steeds monterder te worden en zijn last werd steeds zwaarder. Opeens nam zij een sprong, kwam op de bundel terecht en ging er bovenop zitten en hoe broodmager zij ook was, zij woog meer dan de dikste boerenmeid. Zijn knieën knikten maar als hij niet doorliep sloeg de oude hem met een takje en met brandnetels tegen zijn benen. Hijgend en steunend klom hij de berg op en eindelijk, net toen hij op het punt stond in elkaar te zakken, kwam hij bij het huis van de oude vrouw aan. Toen de ganzen het oudje zagen staken ze hun vleugels in de lucht, strekten hun halzen vooruit en kwamen snaterend van woele, woele, woele, op haar af. Achter de troep liep een oude meid met een roede in de hand. Zij was groot en flink, maar lelijk als de nacht. "Moeder," zei zij tegen de oude, "is u iets overkomen, u bent zo lang weggebleven?" - "Welnee, mijn dochtertje," zei de oude vrouw, "er is mij niets kwaads overkomen, integendeel, deze vriendelijke jongeman hier heeft mijn zware last gedragen en stel je voor, toen ik moe was heeft hij mij ook nog op zijn rug genomen. De weg is ons ook helemaal niet lang gevallen, wij waren opgewekt en vrolijk en hebben de hele tijd grapjes met elkaar gemaakt." Eindelijk gleed de oude vrouw op de grond en nam de jonge man de bundel van zijn rug en de manden van zijn arm. Zij keek hem heel vriendelijk aan en zei: "Ga nu maar op de bank voor de deur zitten en rust uit. U hebt uw beloning eerlijk verdiend en dat zal dan ook niet uitblijven." Daarna zei zij tegen de ganzenhoedster: "Ga jij naar binnen, dochtertje, het past niet dat je met een jonge heer alleen bent; men moet geen olie op het vuur gooien, hij zou verliefd op je kunnen worden." De jonge graaf wist niet of hij moest lachen of huilen. Zó'n schatje, dacht hij, zou zelfs als zij dertig jaar jonger was, mijn hart niet kunnen beroeren. Intussen liefkoosde en streelde de oude vrouw haar ganzen alsof het kinderen waren en daarna ging zij met haar dochter het huis binnen. De jongeling strekte zich uit op de bank die onder een wilde appelboom stond. De lucht was zacht en rondom strekte zich een groene weide uit, bezaaid met sleutelbloemen, wilde tijm en duizenden andere bloemetjes. Daar doorheen ruiste een heldere beek waar de zon in glinsterde en de witte ganzen stapten er rond en poedelden in het water. "Wat is het hier liefelijk," zei hij, "maar ik ben zó moe dat ik mijn ogen niet kan openhouden, ik ga een beetje slapen. Als er maar geen windvlaag komt want die zou mij de benen van het lijf blazen, ze zijn week als zwammen."
og da han blev stående og så på det, spurgte hun: "Vil I måske hjælpe mig? I har en rank ryg og unge ben, for jer vil det jo være en let sag. Mit hus er heller ikke langt herfra. Det ligger bagved bjergene på en hede, så I vil jo være der på et øjeblik." Den unge mand fik ondt af den gamle. "Min far er rigtignok en rig greve og ikke bonde," svarede han, "men for at vise dig, at det ikke alene er bønder, som kan bære noget, vil jeg tage din bylt for dig." - "Det var dejligt," sagde den gamle. "I må ganske vist gå en mils vej, men det kan jo heller ikke gøre jer noget. Men I må også bære æblerne og pærerne." Greven blev lidt betænkelig, da han hørte, at vejen var så lang, men den gamle lod ham ikke slippe. Hun hængte bylten på ryggen af ham og gav ham kurven på armen. "Der kan I se, hvor let det går," sagde hun. "Å, det er nu slet ikke så nemt," svarede greven og bed sig i læben, "den bylt er jo så tung, som om den var fyldt med sten, og man skulle virkelig tro, at æblerne og pærerne var af bly. Jeg kan næsten ikke få vejret." Han havde mest lyst til at lægge det hele ned igen, men det ville den gamle dog ikke have. "Der kan man bare se," sagde hun hånligt, "sådan en ung fyr kan ikke bære det, som jeg så tit har måttet slæbe på. Det er nemt nok at komme med pæne ord, men når det bliver alvor, får piben nok en anden lyd. Hvad står I nu der og venter på, i stedet for at tage benene med jer. Der er virkelig ingen, som tager bylten fra jer." Så længe de gik på den flade vej, gik det nogenlunde, men da de kom op på bjerget, og stenene rullede under hans fødder, som om de var levende, kunne han ikke holde det ud længere. Sveden perlede på hans pande, og det løb ham det ene øjeblik koldt, det næste varmt ned ad ryggen. "Jeg kan ikke mere," sagde han, "jeg må hvile mig lidt." - "Ikke her," svarede den gamle, "når vi først er kommet hjem til mig, kan I hvile jer, men nu skal I skynde jer af sted. Man kan såmænd aldrig vide, hvad det kan være godt for." - "Nu bliver du nok grov," sagde greven og ville kaste bylten fra sig men han kunne ikke. Den sad som om den var vokset fast til hans ryg. Han vendte og drejede sig, men det hjalp ikke. Den gamle lo og sprang omkring på sine krykker. "Bliv nu ikke vred, hr. greve," sagde hun, "I er jo så rød i hovedet som en kalkunsk hane. Bær I kun tålmodigt jeres byrde. Når vi er kommet hjem, skal I få gode drikkepenge." Der var jo ikke andet for ham at gøre end at føje sig i sin skæbne og traske af sted efter den gamle. Hun blev stadig flinkere til bens, mens bylten blev tungere og tungere. Pludselig sprang hun op og satte sig ovenpå den, og hvor vindtør hun end så ud, var hun dog tungere end den tykkeste bondepige. Den unge mands ben rystede under ham, men når han ikke gik, slog den gamle ham over benene med en kvist og med brændenælder. Stønnende steg han op ad bjerget, og da han endelig nåede den gamles hus, var han ved at styrte om. Da gæssene fik øje på den gamle, slog de med vingerne, strakte hals og løb hende i møde, mens de skreg: "Gæk, gæk, gæk." Bagefter dem kom et kvindemenneske, noget til års, stor og stærk men grim som arvesynden. "Er der hændt noget, siden I blev så længe borte?" spurgte hun den gamle. "Ikke noget ondt, min pige," svarede heksen, "tværtimod, den rare herre har båret min bylt for mig, og da jeg blev træt, tog han også mig på ryggen. Og vejen er slet ikke faldet os lang. Vi har haft det rigtig gemytligt." Så rutschede den gamle endelig ned, tog bylten og kurvene, og sagde venligt til den unge mand: "Sæt jer nu på bænken foran døren og hvil jer. I har ærligt fortjent jeres løn, og den skal også nok komme." Derpå sagde hun til gå se vogtersken: "Gå du hellere ind i huset, min pige, det er ikke passende, at du er alene med en ung herre. Man skal heller ikke lege med ild, og han kunne jo gå hen og forelske sig i dig." Greven vidste ikke, om han skulle le eller græde. "Det var en nydelig kæreste," tænkte han, "selv om hun var tredive år yngre, kunne hun dog ikke berøve mig min hjertefred." Imidlertid kælede den gamle for gæssene og klappede dem, som om de var børn, og så gik hun og datteren ind i huset. Greven strakte sig på bænken under et vildt æbletræ. Luften var så mild, rundt om bredte den grønne eng sig, oversået med kodriver, timian og tusinde andre blomster. En klar bæk rislede af sted, mens solen spillede på den, og de hvide gæs gik frem og tilbage eller pjaskede i vandet. "Hvor her er dejligt," tænkte greven, "men jeg er så træt, at jeg ikke kan holde øjnene åbne. Bare der nu ikke kommer et vindstød og blæser benene af mig, for de er så møre som svamp."


Toen hij een tijdje had geslapen kwam de oude vrouw hem wakker schudden. "Sta op," zei zij, "je kunt hier niet blijven. Ik heb het je wel moeilijk gemaakt, maar het heeft je toch het leven niet gekost. Nu zal ik je je beloning geven. Geld en goed heb je niet nodig, maar hier heb ik iets anders voor je." Ze stopte hem een doosje in de hand dat uit één enkele smaragd was gesneden. "Bewaar het goed," voegde zij eraan toe, "het zal je geluk brengen." De jonge graaf sprong op en daar hij voelde dat hij weer helemaal opgeknapt was, bedankte hij de oude vrouw voor haar geschenk en ging op weg zonder ook maar éénmaal om te kijken naar het mooie dochtertje. Toen hij al een heel eind weg was hoorde hij nog het vrolijk gesnater van de ganzen.
Da han havde ligget lidt og sovet, kom den gamle og rystede ham vågen. "Rejs dig op," sagde hun, "du kan ikke blive her. Jeg har ganske vist gjort det surt nok for dig, men jeg har dog ikke taget livet af dig. Nu skal du få din løn. Gods og guld behøver du jo ikke, her har du noget andet." Derpå gav hun ham en lille æske, som var skåret ud af en eneste smaragd. "Pas godt på den," sagde hun, "den vil bringe dig lykke." Greven var nu frisk og rask igen, takkede den gamle for den smukke gave og gik sin vej uden så meget som at se sig om efter den smukke datter. Da han var kommet et stykke bort, hørte han i det fjerne gæssenes lystige skrigen.


De graaf moest drie dagen in de wildernis ronddwalen eer hij eruit kon komen. Toen kwam hij in een grote stad en aangezien niemand hem kende werd hij naar het koninklijk slot gebracht waar de koning en de koningin op de troon zaten. De graaf maakte een knieval, nam het smaragden doosje uit zijn zak en legde het aan de voeten van de koningin. Zij vroeg hem op te staan en haar het doosje aan te reiken. Maar nauwelijks had zij het geopend en erin gekeken of zij viel als dood op de grond neer. De graaf werd door de dienaren van de koning gegrepen om in de gevangenis geworpen te worden maar toen sloeg de koningin de ogen op en riep dat zij hem moesten vrijlaten en dat iedereen weg moest gaan want zij wilde in het geheim met hem spreken.
Greven måtte vandre tre dage i vildnisset, før han fandt ud af skoven. Han kom da til en stor by, og da ingen kendte ham, blev han ført ind i det kongelige slot, hvor kongen og dronningen sad på tronen. Han kastede sig på knæ, tog smaragdæsken op af lommen og lagde den for dronningens fødder. Hun bød ham stå op, og han rakte hende æsken, men næppe havde hun åbnet den, før hun faldt om som død. Greven blev grebet af tjenerne og skulle føres i fængsel, men da slog dronningen øjnene op og råbte, at de skulle slippe ham og gå ud af stuen allesammen. Hun ville tale alene med ham.


Toen hij met de koningin alleen was begon zij bitter te schreien en zei: "Wat heb ik aan alle pracht en praal waarmee ik omringd ben, als ik iedere morgen vol kommer en verdriet wakker word? Ik heb drie dochters gehad waarvan de jongste zo mooi was dat de hele wereld het voor een wonder hield. Zij was zo wit als sneeuw, zo rood als appelbloesem en haar haar glansde als zonnestralen. Als zij huilde vielen er geen tranen uit haar ogen maar louter parels en edelstenen. Toen zij vijftien jaar was liet de koning de drie zusters voor zijn troon komen. U had moeten zien wat voor ogen de mensen opzetten toen de jongste binnentrad. Het was alsof de zon opging. De koning sprak: 'Mijn lieve dochters, ik weet niet wanneer mijn laatste uur zal slaan en daarom wil ik vandaag bepalen wat ieder van jullie na mijn dood zal krijgen. Jullie houden alle drie van mij, maar degene die het meest van mij houdt krijgt het beste deel.' Iedere dochter zei dat zij het meeste van hem hield. 'Kunnen jullie niet op de een of andere wijze uitdrukken hoe lief je mij hebt?' antwoordde de koning, 'daaraan zal ik dan kunnen zien hoe je het bedoelt.' De oudste zei: 'Ik houd van mijn vader als van de zoetste suiker.' De tweede: 'Ik houd van mijn vader als van mijn mooiste jurk.' Maar de jongste zweeg. Toen vroeg de vader: 'En jij mijn liefste kind, hoeveel houd jij van mij?' - 'Ik weet het niet,' antwoordde zij, 'ik kan mijn liefde met niets vergelijken.' Maar de vader stond erop dat zij iets zei. Toen zei zij tenslotte: 'De beste spijs smaakt mij niet zonder zout, daarom houd ik van mijn vader als van zout.' Toen de koning dat hoorde werd hij boos en zei: 'Als je van mij houdt als van zout dan zal je liefde ook met zout beloond worden.' Daarna verdeelde hij het rijk onder de twee oudste zusters maar de jongste liet hij een zak met zout op haar rug binden en twee knechten moesten haar naar het donkere woud brengen. Wij hebben allen gesmeekt en gebeden voor haar," zei de koningin, "maar de toorn des konings was niet te verzachten. Wat heeft zij gehuild toen zij ons moest verlaten. De hele weg was bezaaid met parels die als tranen uit haar ogen vielen. Niet lang daarna kreeg de koning berouw van zijn hardvochtigheid en hij Het door het hele bos naar het kind zoeken, maar niemand kon haar vinden. Ik moet er niet aan denken dat zij door wilde dieren is opgegeten, want dan weet ik van droefenis niet wat te doen. Dikwijls troost ik mij met de hoop dat zij nog leeft en zich in een hol heeft verstopt of bij medelijdende mensen bescherming heeft gevonden. Maar zie, toen ik uw smaragden doosje opende, lag daar net zo'n parel in als die welke uit de ogen van mijn dochter vloeiden. U kunt zich voorstellen hoe de aanblik daarvan mi] ontroerde. U moet mij zeggen hoe u aan die parel bent gekomen." De graaf vertelde haar dat hij de parel van de oude vrouw m het bos had gekregen. Hij had al gedacht dat het niet helemaal pluis was, die vrouw was zeker een heks. Maar van haar kind had hij niets gezien of gehoord. De koning en de koningin besloten de oude vrouw op te zoeken. Zij dachten: waar die parel vandaan kwam, daar moesten zij ook iets over hun dochter te weten kunnen komen.
Da de var gået, gav dronningen sig til at græde og sagde: "Hvad nytter al den glans og pragt, som omgiver mig. Hver morgen vågner jeg lige bedrøvet. Jeg har haft tre døtre, og den yngste var så dejlig, at det var et under. Hun var hvid som sne, rød som æbleblomster, og hendes hår lyste som solen. Når hun græd, faldt der ikke tårer, men perler og ædelstene fra hendes øjne. Da hun var femten år gammel lod kongen dem alle tre komme frem for sin trone. I skulle have set, hvor folk gjorde store øjne, da den yngste kom ind. Det var som om solen brød frem. Så sagde kongen: "Jeg ved ikke, når min sidste time slår, og i dag vil jeg bestemme, hvad I skal have når jeg er død. I holder allesammen af mig,men den, som holder mest af mig, skal have det bedste." Hver mente jo, at hun holdt mest af ham. "Kan I ikke på en eller anden måde udtrykke, hvor meget I holder af mig," sagde kongen, "så kan jeg se, hvad I mener." - "Jeg holder så meget af dig som af det sødeste sukker," sagde den ældste. "Jeg holder så meget af dig som af mine smukkeste kjole," sagde den anden. Den yngste sagde ikke noget. "Hvor meget holder du så af mig, min lille pige?" spurgte kongen. "Jeg ved det ikke," svarede hun, "jeg kan ikke sammenligne min kærlighed med noget." Men kongen ville have, at hun skulle sige noget. Til sidst sagde hun: "Den dejligste mad smager mig ikke uden salt. Jeg holder så meget af dig som af salt." Kongen blev rasende og sagde: "Når du holder så meget af mig som af salt, skal din kærlighed også blive belønnet med salt." Han delte nu riget mellem de to ældste. Derpå blev der bundet en sæk med salt på ryggen af vores yngste, og to karle måtte føre hende ud i den store vilde skov. Hvor har vi dog ikke tigget og bedt kongen om nåde, men han lod sig ikke formilde. Den stakkels pige græd og græd, da hun skulle bort fra os, og hele vejen blev oversået med perler, som faldt ned fra hendes øjne. Senere fortrød kongen sin store hårdhed og lod hele skoven gennemsøge, men hun var ikke til at finde. Når jeg tænker på, at de vilde dyr måske har ædt hende, bliver jeg ganske ude af mig selv af sorg. Undertiden håber jeg på, at hun endnu er i live og har gemt sig i en hule eller fundet et hjem hos gode mennesker. Men tænk, da jeg åbnede eders smaragdæske, lå der en af de perler, som faldt fra min datters øjne, og I kan forstå, hvad for et indtryk det har gjort på mig. Nu skal I fortælle mig, hvorfra I har den perle." Greven fortalte nu, at han havde fået den af en gammel kone ude i skoven. Han havde ikke været rigtig hyggelig ved hende og troede nok, at hun var en heks. Deres barn havde han hverken set eller hørt noget til. Kongen og dronningen besluttede imidlertid at opsøge den gamle. De tænkte, at der, hvor perlen kom fra, måtte de også kunne få noget at vide om deres datter.


Daarbuiten op de eenzame plek zat de oude vrouw aan haar spinnewiel en spon. Het was al donker geworden en een spaander die onder in de haard lag te branden, gaf een spaarzaam licht. Opeens klonk buiten gerucht en daar kwamen de ganzen terug van de weide en lieten hun hees gekrijs horen. Kort daarop trad ook de dochter binnen. Maar de oude begroette haar nauwelijks en knikte alleen wat met haar hoofd. De dochter ging naast haar zitten, nam haar spinnewiel en spon de draad zo vlug als een jong meisje. Zo zaten zij twee uur lang en spraken geen woord met elkaar. Eindelijk ritselde er iets aan het venster en twee vurige ogen staarden naar binnen. Het was een oude nachtuil die driemaal oehoe schreeuwde De oude keek even op en zei toen: Nu is het tijd dochtertje dat je uitgaat, doe je werk."
Den gamle sad imidlertid ude i sit lille hus ved sin rok og spandt. Det var allerede blevet mørkt, og stuen blev kun svagt oplyst af en spån, der brændte henne på skorstenen. Pludselig blev der larm udenfor, gæssene kom hjem fra engen, og man hørte deres hæse skrig. Lidt efter kom også datteren ind, men den gamle sagde knap goddag til hende og nikkede bare lidt med hovedet. Datteren satte sig nu hen til sin rok og drejede tråden så flinkt som en ung pige. I to timer sad de og spandt uden at sige et ord. Så var der noget, som raslede henne ved vinduet, og to skinnende øjne gloede derind. Det var en gammel natugle, og tre gange skreg den "Uhu." Den gamle drejede hovedet lidt henimod den og sagde så til datteren: "Nu er det på tiden, at du går ud og gør dit arbejde."


De dochter stond op en ging naar buiten. Waar ging zij naar toe? Over de weiden, steeds verder, tot in het dal. Eindelijk kwam zij bij een bron waar drie oude eiken stonden. De maan was intussen groot en rond boven de bergen opgekomen en het was zo licht dat men een speld had kunnen vinden Zij trok het vel af dat over haar gezicht lag bukte zich over de bron en begon zich te wassen. Toen zij klaar was doopte zij ook het vel in het water en legde het daarna op de weide in het maanlicht om te bleken en te drogen. Maar wat was dat meisje veranderd! Zoiets hebben jullie nog nooit gezien Toen de grijze vlecht afviel kwam het gouden haar als zonnestralen te voorschijn en spreidde zich als een mantel over haar hele gestalte uit. Alleen haar ogen schitterden er zo glanzend als sterren aan de hemel doorheen en over haar wangen lag een zachte blos als van appelbloesem.
Så rejste hun sig og gik langt ud over engen, helt ind i dalen. Der kom hun til sidst til en brønd, hvorved der stod tre gamle egetræer. Månen var stor og rund dukket op bag bjergene, og det var så lyst, at man kunne se at finde en knappenål. Så tog hun en hud af, der lå over hendes ansigt, bøjede sig ned over brønden og begyndte at vaske sig. Da hun var færdig, dyppede hun huden i vandet og lagde den så på engen, for at den skulle tørre i måneskinnet. Men hvor var hun dog forvandlet. Da hun tog den grå paryk af, vældede sølvgyldne lokker frem og hang ned om hende som en kappe. Øjnene strålede som himlens stjerner, og kinderne havde æbleblomsternes fine rødme.


Maar het mooie meisje was heel bedroefd. Zij ring zitten en begon bitter te schreien. De ene traan na de andere viel uit haar ogen en rolde door haar lange haren op de grond. Zo zat zij daar en zij zou er zeker lang zijn blijven zitten als er in de takken van de dichtstbijzijnde boom niet iets had geritseld en "kraakt. Zij sprong op als een ree die het schot van de jager hoort. De maan was juist door een zwarte wolk bedekt en m een oogwenk was het meisje weer in het oude vel gekropen en zij verdween als een licht dat door de wind wordt uitgeblazen.
Men den smukke pige satte sig bedrøvet ned og græd. Den ene tåre efter den anden trillede ud af hendes øjne og faldt ned på jorden. Hun sad der længe, men pludselig hørte hun, at grenene raslede i træet. Hun sprang op, hurtigt som et rådyr, der hører jægerens skud. Der gik netop en sky for månen, og i et nu havde pigen fået sin gamle hud om sig og forsvandt som et lys, der slukkes af vinden.


Trillend als een espenblad holde zij naar huis terug. De oude vrouw stond voor de deur en het meisje wilde haar vertellen wat haar was overkomen maar de oude lachte vriendelijk en zei: "Ik weet alles al. Zij nam haar mee naar de kamer en stak nog een nieuwe spaander aan. Maar zij ging met meer aan het spinnewiel zitten doch nam een bezem en begon te schrobben en te vegen. "Alles moet helder en schoon zijn, zei zij tegen het meisje. "Maar moeder," zei het meisje, "waarom begint u op dit late uur te werken? Wat bent u van plan?" - "Weet je dan niet hoe laat het is?" vroeg de oude. "Nog geen middernacht," antwoordde het meisje, "maar al over elven." - "Heb je er dan niet aan gedacht," ging de oude verder, "dat het vandaag drie jaar geleden is dat je bij mij kwam? Je tijd is om, wij kunnen niet langer bij elkaar blijven." Het meisje schrok en zei: "Och lieve moeder, wilt u mij verstoten? Waar moet ik heen? Ik heb geen vrienden en geen thuis waar ik heen kan gaan. Ik heb alles gedaan wat u van mij verlangde en u bent altijd tevreden over mij geweest, stuur mij niet weg!" De oude vrouw wilde niet aan het meisje zeggen wat haar te wachten stond. "Ik kan hier niet langer blijven," zei zij tegen haar, "maar voordat ik wegga moet het huis en de kamer schoon zijn. Houd mij dus niet langer van mijn werk. Over jezelf hoef je je geen zorgen te maken, je zult een dak boven je hoofd hebben en met het loon dat ik je geef zal je ook tevreden zijn." - "Maar zeg mij toch, wat gaat er dan gebeuren?" vroeg het meisje verder. "Ik zeg je nog eens, stoor mij niet in mijn werk. En nu geen woord meer, ga naar je kamer, neem het vel van je gezicht, trek de zijden jurk aan die je droeg toen je bij mij kwam en blijf in je kamer wachten tot ik je roep."
Skælvende som et espeløv løb hun hjem. Den gamle stod udenfor døren, og pigen ville fortælle hende, hvad der var sket, men hun smilede venligt og sagde: "Jeg ved det altsammen." Derpå førte hun hende ind i stuen og tændte en ny spån. Hun satte sig ikke til at spinde igen, men tog en kost og begyndte at feje og skure. "Her må være rent og pænt," sagde hun. "Men hvorfor begynder du så sent på sådan noget," sagde pigen, "hvad skal der ske?" - "Ved du, hvad klokken er?" spurgte den gamle. "Det er ikke midnat endnu," svarede pigen, "men den er over elleve." - "Tænker du slet ikke på, at i dag er det tre år siden, du kom," spurgte den gamle, "men nu er det forbi, nu kan vi ikke længere blive sammen." Pigen blev forskrækket. "Vil I nu forstøde mig," sagde hun, "jeg har hverken slægt eller venner, som jeg kan bede om hjælp. Jeg har gjort alt, hvad I har sagt, og I har altid været tilfreds med mig. Send mig dog ikke bort." Den gamle ville ikke sige pigen, hvad der skulle ske. "Jeg kan heller ikke være her længere," sagde hun, " her må være pænt rent allevegne, når jeg drager bort. Forstyr mig ikke i mit arbejde, og vær bare ikke bekymret. Du skal nok få tag over hovedet, og du vil også blive tilfreds med den løn, du får." - "Sig mig dog nu, hvad der skal ske," bad pigen. "Jeg har sagt til dig, at du skal lade være med at forstyrre mig," sagde den gamle, "ti nu stille og gå ind i dit værelse, tag huden af og tag den silkekjole på, som du var iført, da du kom til mig. Vent så derinde, til jeg kalder på dig."


Maar nu moet ik weer van de koning en de koningin vertellen die er met de graaf op uitgetrokken waren om de oude vrouw op de eenzame plek in het bos te zoeken. De graaf was hen 's nachts in het bos kwijtgeraakt en moest alleen verder gaan. De volgende dag kwam het hem voor dat hij op de goede weg was. Hij liep verder en verder tot de duisternis inviel. Toen klom hij in een boom en wilde daar overnachten want hij was bang te zullen verdwalen. Toen de maan de hele omtrek verlichtte zag hij een gestalte de berg afkomen. Zij had geen roede in haar hand maar hij kon toch zien dat het de ganzenhoedster was die hij bij het huis van de oude vrouw had gezien. "Kijk eens aan," riep hij uit, "daar komt zij aan; als ik eerst maar de ene heks heb, dan ontkomt de andere mij ook niet." Maar wat was hij verbaasd toen zij bij de bron het vel afdeed en zich begon te wassen en haar gouden haar om haar heen viel. Zij was zó mooi als hij nooit iemand ter wereld gezien had. Hij durfde nauwelijks te ademen maar rekte zijn hals zover hij maar kon tussen de bladeren uit en keek onafgebroken naar haar. Maar of hij zich nu te ver vooroverboog of wat er ook gebeurde, plotseling kraakte de tak waarop hij zat en op hetzelfde ogenblik kroop het meisje weer in het vel en sprong weg als een ree. En daar de maan ook net schuil ging, was zij aan zijn blikken onttrokken.
Nu må jeg igen fortælle om kongen og dronningen, som var draget af sted med greven for at lede efter den gamle. Om natten kom greven bort fra dem i skoven og måtte gå videre alene, og næste dag syntes han, at han var på den rigtige vej. Han gik videre, til mørket faldt på, så klatrede han op i et træ for at blive der om natten, for han var bange for at fare vild. Da månen lyste klart over engen fik han øje på en skikkelse, som kom ned ad bjerget. Han så straks, at det var den gåsevogterske, han havde set hos den gamle, skønt hun ingen pisk havde i hånden. "Der kommer hun jo," råbte han, "har jeg først den ene heks, skal jeg også nok få fat i den anden." Men hvor forbavset blev han ikke, da hun tog huden af og vaskede sig i brønden. Det gyldne hår faldt ned om hende, og han syntes, hun var den dejligste kvinde, han havde set. Han vovede næppe at ånde, men han bøjede sig så langt frem, han kunne, og så ufravendt på hende. Om han nu bøjede sig for langt frem eller noget andet er skyld i det, nok er det, pludselig knagede grenen, og i samme øjeblik kastede pigen huden over sig, sprang af sted som en rå, og da månen i det samme gik bag en sky, kunne han ikke se, hvor hun blev af.


Nauwelijks was zij verdwenen, of de graaf klom uit de boom en snelde haar ijlings achterna. Hij had nog niet lang gelopen of hij zag in de schemering twee gestalten op de weide wandelen. Dat waren de koning en de koningin die in de verte het licht van het huisje van de oude vrouw hadden gezien en erop af waren gegaan. De graaf vertelde hun wat voor wonderlijks hij bij de bron had gezien en zij twijfelden er niet aan of dat was hun verloren dochter geweest. Vol vreugde gingen zij verder en weldra kwamen zij bij het huisje aan. De ganzen zaten er omheen, ze hadden de kop in de veren gestoken en sliepen en bewogen zich niet. De koning en de koningin en de graaf keken door het venster naar binnen. Daar zat de oude vrouw heel stil te spinnen, knikte met haar hoofd en keek niet op. Het was keurig netjes in de kamer alsof de nevelmannetjes daar woonden, die geen stof aan hun voeten hebben. Hun dochter zagen zij echter niet. Zij keken er een poosje naar, toen vatten zij moed en klopten zachtjes aan het venster. De oude scheen hen te verwachten want zij stond op en riep vriendelijk: "Kom toch binnen, ik ken u reeds." Toen zij de kamer waren binnengetreden zei de oude vrouw: "Die verre tocht had u zich kunnen besparen als u uw kind dat zo lief en goed is, drie jaar geleden niet ten onrechte had verstoten. Haar heeft het geen kwaad gedaan, zij heeft drie jaar lang de ganzen moeten hoeden. Daar heeft zij niets verkeerds van geleerd maar haar zuivere hart behouden. U bent echter door de angst die u hebt uitgestaan, voldoende gestraft." Toen ging zij naar de kamer en riep: "Kom maar naar buiten, mijn dochtertje!" Daar ging de deur open en de koningsdochter kwam te voorschijn in haar zijden gewaad met haar gouden haar en schitterende ogen. Het was alsof er een engel uit de hemel binnenkwam.
Næppe var hun forsvundet, før greven klatrede ned af træet og skyndte sig efter hende. Han havde ikke gået ret længe, før han i mørket så to skikkelser komme vandrende over engen. Det var kongen og dronningen, som i det fjerne havde set lyset fra den gamles hus og var gået efter det. Greven fortalte dem nu, hvad han havde set ved brønden, og de tvivlede ikke om, at det havde været deres tabte datter. Glade gik de videre og kom snart til det lille hus. Gæssene sad udenfor og sov, med hovedet under vingerne, uden at røre sig. Da de kiggede ind ad vinduet, så de den gamle sidde ganske stille og spinde. Hun vendte sig ikke om, men sad og nikkede med hovedet. Der var så rent i stuen, som om lygtemændene boede der, og de har aldrig støv på fødderne. Men deres datter så de ikke noget til. Da de havde stået og kigget lidt derind, tog de mod til sig og bankede på ruden. Den gamle lod til at have ventet dem, rejste sig og råbte venligt: "Kom kun ind, jeg kender jer godt." Da de var kommet ind i stuen sagde hun: "Den lange vej kunne I have sparet jer, hvis I ikke for tre år siden så uretfærdigt havde forstødt jeres gode, kærlige barn. Hun har ikke taget skade. Hun har i tre år vogtet gæs, men deraf har hun ikke lært noget ondt, hun har bevaret sit rene hjerte. Men I er nu blevet straffet nok ved den angst, I har måttet udstå." Derpå gik hun hen til pigens værelse og kaldte på hende. Og da døren åbnede sig, trådte prinsessen ud i sin silkekjole, med sit gyldne hår og sine strålende øjne, dejlig som en engel fra himlen.


Zij ging naar haar vader en moeder toe en viel hen om de hals en kuste hen en zij konden er niets aan doen, zij moesten allemaal huilen van vreugde. De jonge graaf stond ernaast en toen zij hem zag werd zij zo rood als een mosroosje, zij wist zelf niet waarom. De koning sprak: "Mijn Hef kind, ik heb mijn koninkrijk weggeschonken, wat moet ik jou nu geven?" - "Zij heeft niets nodig," zei de oude vrouw. "Ik schenk haar de tranen die zij om u heeft vergoten, dat zijn louter paarlen, schoner dan die in zee worden gevonden en ze zijn meer waard dan uw hele koninkrijk. Als beloning voor haar diensten geef ik haar mijn huisje." Toen de oude vrouw dat gezegd had verdween zij voor hun ogen. Er knetterde iets in de muren en toen zij opkeken was het huisje in een prachtig paleis veranderd en een koninklijke tafel stond gedekt en bedienden liepen af en aan.
Hun faldt sin far og mor om halsen og kyssede dem, og de græd allesammen af glæde. Den unge greve stod ved siden af, og da hun så ham, blev hun blussende rød som en mosrose, hun vidste ikke selv hvorfor. "Hvad skal jeg nu give dig, mit barn," sagde kongen, "jeg har jo givet mit rige bort." - "Hun behøver ikke noget," svarede den gamle, "jeg giver hende de tårer, hun har grædt for eders skyld, det er perler, hvis lige man ikke finder i havet, og de er mere værd end hele eders rige. Og til løn for hendes tjeneste giver jeg hende mit hus." Da den gamle havde sagt det, forsvandt hun. Det knagede og bragede i væggene og pludselig var huset forvandlet til et prægtigt slot, bordet stod dækket og tjenerne løb frem og tilbage.


Het verhaal gaat nog verder, maar het geheugen van mijn grootmoeder die het mij vertelde, was wat zwak geworden en zij was de rest vergeten. Ik geloof toch dat de schone koningsdochter getrouwd is met de graaf en dat zij in het paleis zijn gebleven en daar gelukkig hebben geleefd, zolang God het wilde. Of de sneeuwwitte ganzen die bij het huisje gehoed werden, allemaal jonge meisjes waren (en dat hoeft niemand zich aan te trekken) die de oude tot zich genomen had en of zij toen hun menselijke gedaante weer terugkregen en als dienaressen bij de jonge koningin zijn gebleven, weet ik niet precies, maar ik vermoed van wel. Eén ding is zeker, de oude vrouw was geen heks, zoals de mensen dachten maar een wijze vrouw die het goed meende. Waarschijnlijk was zij het ook, die de koningsdochter bij haar geboorte de gave verleende parels te schreien in plaats van tranen. Tegenwoordig komt dat niet meer voor, de armen zouden anders gauw rijk kunnen worden.
Historien er længere endnu, men min bedstemor, som har fortalt mig den, havde en svag hukommelse og havde glemt resten. Men jeg er ganske sikker på, at den smukke prinsesse blev gift med greven, og at de har levet lykkeligt sammen der på slottet, så længe Gud har givet dem lov til det. Hvorvidt de snehvide gæs har været piger (der er ingen som behøver at føle sig stødt), som den gamle har taget til sig, og som nu fik deres menneskelige skikkelse igen, og tjente den unge dronning, ved jeg ikke bestemt, men jeg tror det dog. Så meget er vist, at den gamle ikke var en heks, som folk troede, men en klog kone, som var god og hælpsom. Sandsynligvis har det også været hende, der ved prinsessens fødsel gav hende den evne at græde perler i stedet for tårer. Nu til dags sker sådan noget ikke mere, ellers kunne de fattige nemt blive rige.





Vergelijk twee talen:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.