ITALIANO

Gianni testa fina

NEDERLANDS

Slimme Hans


La madre di Gianni domanda: -Dove vai, Gianni?-. Gianni risponde: -Da Ghita-. -Non far sciocchezze, Gianni.- -Niente sciocchezze. Addio, mamma.- Gianni va da Ghita. -Buon giorno, Ghita.- -Buon giorno, Gianni. Cosa mi porti di buono?- -Niente porto, dare.- Ghita gli regala un ago. Gianni dice: -Addio, Ghita-. -Addio, Gianni.- Gianni prende l'ago, lo ficca in un carro di fieno e, dietro al carro, torna a casa. -Buona sera, mamma.- -Buona sera, Gianni, dove sei stato?- -Da Ghita.- -Cosa le hai portato?- -Niente portato, lei dato.- -Cosa ti ha dato?- -Ago, dato.- -Dove hai l'ago, Gianni?- -Ficcato in carro di fieno.- -Che sciocco, Gianni! Dovevi infilarlo nella manica!- -Fa niente, un'altra volta.- -Dove vai, Gianni?- -Da Ghita.- -Non far sciocchezze, Gianni.- -Niente sciocchezze. Addio, mamma.- Gianni va da Ghita. -Buon giorno, Ghita.- -Buon giorno, Gianni. Cosa mi porti di buono?- -Niente porto, dare.- Ghita regala a Gianni un coltello. -Addio, Ghita.- -Addio, Gianni.- Gianni prende il coltello, lo infila nella manica e va a casa. -Buona sera, mamma.- -Buona sera, Gianni. Dove sei stato?- -Da Ghita.- -Cosa le hai portato?- -Niente portato, lei dato-. -Che cosa ti ha dato?- -Coltello, dato.- -Do ve hai il coltello, Gianni?- -Infilato nella manica.- -Che sciocco, Gianni! Dovevi metterlo in tasca!- -Fa niente, un'altra volta.- -Dove vai, Gianni?- -Da Ghita.- -Non far sciocchezze, Gianni.- -Niente sciocchezze. Addio, mamma.- Gianni va da Ghita. -Buon giorno, Ghita.- -Buon giorno, Gianni. Cosa mi porti di buono?- -Niente porto, dare.- Ghita gli regala una capretta. -Addio, Ghita.- -Addio, Gianni.- Gianni prende la capra, le lega le zampe e se la ficca in tasca. Quando arriva a casa è soffocata. -Buona sera, mamma.- -Buona sera, Gianni. Dove sei stato?- -Da Ghita.- -Cosa le hai portato?- -Niente portato, lei dato.- -Cosa ti ha dato?- -Capra, dato.- -Dove hai messo la capra, Gianni?- -Ficcata in tasca.- -Che sciocco, Gianni. Dovevi legarla a una corda!- -Fa niente, un'altra volta.- -Dove vai, Gianni?- -Da Ghita.- -Non far sciocchezze, Gianni.- -Niente sciocchezze. Addio, mamma.- Gianni va da Ghita. -Buon giorno, Ghita.- -Buon giorno, Gianni. Cosa mi porti di buono?- -Niente porto, dare.- Ghita gli regala un pezzo di lardo. Gianni lo lega a una corda e se lo trascina dietro. Vengono i cani e mangiano il lardo. Quando arriva a casa, tiene in mano la corda e nient'altro. -Buona sera, mamma.- -Buona sera, Gianni. Dove sei stato?- -Da Ghita.- -Cosa le hai portato?- -Niente portato, lei dato.- -Cosa ti ha dato?- -Pezzo di lardo, dato.- -Dove hai messo il lardo, Gianni?- -Legato alla fune, menato a casa, rubato i cani.- -Che sciocco, Gianni! Dovevi portarlo in testa!- -Fa niente, un'altra volta.- -Dove vai, Gianni?- -Da Ghita.- -Non far sciocchezze, Gianni.- -Niente sciocchezze. Addio, mamma.- Gianni va da Ghita: -Buon giorno, Ghita-. -Buon giorno, Gianni. Cosa mi porti di buono?- -Niente porto, dare.- Ghita regala a Gianni un vitello. Gianni se lo mette in testa e il vitello gli pesta la faccia. -Buona sera, mamma.- -Buona sera, Gianni. Dove sei stato?- -Da Ghita.- -Che cosa le hai portato?- -Niente portato, lei dato.- -Cosa ti ha dato?- -Vitello dato.- -Dove hai il vitello, Gianni?- -Messo sulla testa, pestato la faccia.- -Che sciocco, Gianni! Dovevi legarlo e condurlo alla greppia!- -Fa niente, un'altra volta.- -Dove vai, Gianni?- -Da Ghita.- -Non fare sciocchezze, Gianni.- -Niente sciocchezze. Addio, mamma.- -Buon giorno, Ghita.- -Buon giorno, Gianni. Cosa mi porti di buono?- -Niente porto, dare.- Ghita dice: -Voglio venire con te-. Gianni lega Ghita a una fune, la mena davanti alla greppia e l'attacca per bene. -Buona sera, mamma.- -Buona sera, Gianni. Dove sei stato?- -Da Ghita.- -Che cosa ti ha dato?- -Ghita venuta con me.- -E dove l'hai lasciata?- -Menata con la corda, legata alla greppia, messo l'erba davanti.- -Che sciocco, Gianni! Dovevi essere gentile e gettarle gli occhi addosso!- -Fa niente, un'altra volta.- Gianni va nella stalla, cava gli occhi a vitelli e pecore e li getta in faccia a Ghita. Allora Ghita s'infuria, strappa la corda, corre via, e addio sposa di Gianni!
Hans' moeder vraagt: "Waar ga je naar toe, Hans?"
Hans antwoordt: "Naar Grietje."
"Gebruik je verstand, Hans."
"Zal wel gaan moeder. Tjuus moeder."
"Tjuus, Hans."
Hans komt bij Grietje. "Dag, Grietje!"
"Dag Hans! Heb je wat meegebracht?"
"Niks, geef maar wat."
Grietje geeft Hans een mooie speld. Hans zegt: "Tjuus, Grietje."
"Tjuus, Hans."
Hans neemt de speld, steekt hem in een hooiwagen en gaat achter de hooiwagen aan, naar huis. "G'n avond, moeder."
"G'n avond Hans. Waar was je?"
"Bij Grietje."
"Had je d'r wat meegebracht?"
"Niets gebracht. Gekregen."
"Wat heb je van haar gekregen?,,"'n Mooie speld."
"En waar heb je die speld, Hans?"
"In de hooiwagen gestoken."
"Dat is dom van je Hans. Had de speld maar aan je mouw gestoken!"
"Hindert niet. Volgende maal beter."

"Waar ga je naar toe, Hans?"
"Naar Grietje, moeder!"
"Gebruik je verstand, Hans."
"Dat zal wel gaan. Tjuus, moeder."
"Tjuus, Hans."
Hans komt bij Grietje. "Dag, Grietje."
"Dag Hans. Heb je wat moois?"
"Neen. Geef me maar wat."
Grietje geeft hem een mooi mes. "Tjuus, Grietje."
"Tjuus, Hans."

Hans neemt het mes, steekt 't door zijn mouw en gaat naar huis. "G'n avond, moeder."
"G'n avond Hans. Waar ben je geweest?"
"Bij Grietje geweest."
"Wat heb je d'r meegebracht?"
"Niks gebracht. Gekregen."
"Wat heb je van Grietje gekregen?,,"'n Mes gekregen."
"En waar heb je dat mes, Hans?"
"Aan m'n mouw gestoken."
"Dat was een domme streek, Hans. Je had het in je zak moeten steken."
"Hindert niet. Andere keer beter."
"Waar ga je naar toe, Hans?"
"Naar Grietje, moeder."
"Gebruik je verstand, Hans."
"Komt wel goed, moeder. Tjuus, moeder."
"Tjuus, Hans."
Hans komt bij Grietje. "Dag, Grietje."
"Dag Hans. Wat breng je voor moois?"
"Niks. Geef maar wat moois."
Grietje geeft Hans een jong geitje. "Tjuus, Grietje."
"Tjuus, Hans."

Hans neemt het geitje, bindt z'n pootjes bijeen en steekt het in zijn zak. Als hij thuis komt, is 't beestje dood. "G'n avond, moeder."
G'n avond Hans. Waar ben je geweest?"
"Bij Grietje geweest."
"Had je wat meegebracht?"
"Niks gebracht. Gekregen."
"Wat heeft Grietje je gegeven?"
"Een geitje."
"En waar is dat geitje, Hans?"
"In m'n zak."
"Dat was dom van je, Hans. Je had het geitje aan 'n touw moeten binden."
"Hindert niet. Volgende keer beter."

"Waar ga je naar toe, Hans?"
"Naar Grietje, moeder."
"Gebruik je verstand, Hans."
"Komt wel goed, moeder. Tjuus, moeder."
"Tjuus, Hans."
Hans komt bij Grietje. "Dag, Grietje."
"Dag Hans. Heb je wat moois meegebracht?"
"Niks gebracht. Geef jij maar wat."
Grietje geeft Hans een stuk spek. "Tjuus, Grietje."
"Tjuus, Hans."

Hans neemt 't spek, bindt er een touw om en sleept het achter zich aan. Achter hem komen honden en eten 't spek op. Als hij thuis komt, heeft hij een touw aan zijn hand: niets eraan. "G'n avond, moeder."
"G'n avond, Hans. Waar ben je geweest?"
"Bij Grietje geweest."
"Heb je wat meegebracht?"
"Niks gebracht. Gekregen."
"Wat heb je van Grietje gekregen?"
"Een stuk spek,"
"En waar is dat spek, Hans?"
"Touw d'r om, meegesleept, honden gekomen, weg."
"Dat was dom van je, Hans. Het spek had je moeten dragen."
"Hindert niet. Andere keer beter."

"Waar ga je naar toe, Hans?"
"Naar Grietje, moeder."
"Verstand gebruiken, Hans."
"Komt in orde, moeder. Tjuus, moeder."
"Tjuus, Hans."
Hans komt bij Grietje. "Dag Grietje."
"Dag, Hans."
"Breng je wat mee?"
"Niks. Heb jij wat?"
Grietje geeft Hans een kalf. "Tjuus, Grietje."
"Tjuus Hans."

Hans neemt 't kalf, draagt het in zijn armen, het kalf schopt hem in 't gezicht. "G'n avond, moeder."
"G'n avond, Hans. Waar ben je geweest?"
"Bij Grietje geweest."
"Had je wat meegebracht?"
"Niks gebracht. Gekregen."
"Wat had je van Grietje gekregen?"
"Een kalf."
"En hoe heb je dat gedaan?"
"Gedragen."
"Dat was dom van je, Hans. Een kalf moet je meenemen en dan aan de voerbak binden."
"Hindert niet. Volgende keer beter."
"Waar ga je naar toe, Hans?"
"Naar Grietje, moeder."
"Gebruik je verstand, Hans."
"Komt wel goed. Tjuus, moeder."
"Tjuus, Hans."
Hans komt bij Grietje. "Dag, Grietje."
"Dag, Hans. Heb je wat moois meegebracht?"
"Niks gebracht. Geef jij maar wat."
Grietje zegt tegen Hans: "Dan ga ik met je mee."

Hans neemt Grietje, bindt haar aan een touw, drijft haar voort, brengt haar bij de voerbak en bindt haar daar vast. Dan gaat Hans naar zijn moeder. "G'n avond, moeder."
"G'n avond, Hans. Waar ben je geweest?"
"Bij Grietje geweest."
"Wat heb je voor haar meegebracht?"
"Niks meegebracht."
"Heeft Grietje je wat gegeven?"
"Gegeven niks. Meegegaan."
"Waar heb je haar dan?"
"Aan 't touw gedreven, voor de voerbak gebonden, gras gegeven."
"Dat was dom van je Hans. Je had haar vriendelijke ogen moeten toewerpen!"
"Hindert niet. Volgende keer beter."

Hans gaat naar de stal. Steekt alle kalveren en schapen de ogen uit, werpt ze Grietje in 't gezicht. Nu wordt Grietje boos, rukt zich los, loopt hard weg en Hans z'n meisje is ze niet meer.




Confronta in due lingue:













Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.