De mooiste sprookjes van Grimm
Gebroeders Grimm (Pagina 2)
28Het gespuis
Het haantje zei tegen het hennetje: Nu is het herfst, nu zijn de noten rijp, nu moeten we samen de berg opgaan en ons buikje vol eten vóór de eekhoorn alles wegkaapt. - Ja, zei het hennetje, dat gaan we eens heerlijk doen! Zo gingen ze samen op weg, de berg op, en omdat het een mooie lichte dag was, bleven ze tot de avond. Nu weet ik niet, of ze zich zo volgestopt hadden, of zo overmoedig geworden waren, maar kort en goed, ze wilden niet te voet naar huis, en het haantje maakte een wagentje van notendoppen. Toen hij klaar was, ging 't hennetje erin zitten en zei tegen het haantje: Span jij jeLees het sprookje → 29Van de visser en zijn vrouw
Er was eens een visser en z'n vrouw, die zo arm waren, dat ze alleen maar in een pot konden wonen, vlak aan zee. De visser ging elke dag hengelen; en dan hengelde hij en hengelde hij maar. Zo zat hij ook eens bij zijn hengel en keek steeds in 't blanke water, en hij keek en keek. Daar dook de dobber diep onder, en toen hij 'm ophaalde, had hij een grote bot. Toen zei de bot tegen 'm: Hoor jij es visser, zei-d-ie, laat me leven, een echte bot ben 'k toch niet, ik ben een betoverde prins. Wat had je eraan als je me dood maakte? Lekker ben ik toch niet, zet me weer in 't water en laat me zwemmen.Lees het sprookje → 30De zes zwanen
Een koning jaagde eens in een heel groot bos en zette een hert met zoveel drift na, dat geen van de jagers hem bij kon houden. Toen de avond viel, hield hij zijn paard in, keek om zich heen en zag dat hij verdwaald was. Hij zocht een uitweg, maar kon er geen vinden. Opeens kwam er een oude vrouw aan met een wiebelhoofd, die op hem afkwam; maar dat was een heks. Vrouwtje, zei de koning, kun je me de weg niet wijzen? Ja zeker, heer koning, zei ze, dat kan ik best. Maar op één voorwaarde. Vervult u die voorwaarde niet, dan komt u het bos nooit meer uit – en moet u van honger sterven. Wat is dat dLees het sprookje →
31Koning Merelbaard
Er was eens een koning, en hij had een dochter. Zij was zeldzaam mooi, maar ook zo trots en overmoedig, dat er geen vrijer goed genoeg was. De één na de ander wees ze af, en bovendien bespotte ze hen nog. Eens liet de koning een groot feest aanrichten, en nodigde daartoe van nabij en van verre de jonge mannen uit, die nu wilden trouwen. Ze werden allen op een rij geplaatst, naar rang en stand. Eerst de koningen, dan de hertogen, de vorsten, graven en baronnen, tenslotte de edellieden. Nu werd de prinses langs de rijen geleid; maar er was niemand op wie ze niet wat aan te merken had. De één wasLees het sprookje → 37De huishouding
Waar moest je heen? - Naar Walpe. - Ik naar Walpe, jij naar Walpe, saampjes, saampjes gaan we dan. Heb je ook een man? Hoe heet die man? - Cham. - Mijn man Cham, jouw man Cham; ik naar Walpe, jij naar Walpe, saampjes, saampjes gaan we dan. Heb je ook een kind? Hoe heet dat kind? - Bint. - Mijn kind Bint, jouw kind Bint; mijn man Cham, jouw man Cham; ik naar Walpe, jij naar Walpe; saampjes, saampjes gaan we dan. Heb je ook een wieg? Hoe heet je wieg? - Hippeldieg. - Mijn wieg Hippeldieg, jouw wieg Hippeldieg; mijn kind Bint, jouw kind Bint; mijn man Cham, jouw man Cham; ik naar Walpe, jij naarLees het sprookje → 41De drie gelukskinderen
Eens liet een vader zijn drie zoons bij zich komen. Hij gaf aan de oudste een haan, aan de tweede een zeis, aan de derde een kat. Ik ben al oud, zei hij, en mijn dood is nabij, daarom wilde ik jullie drieën voor mijn einde nog bezorgd weten. Geld heb ik niet, en wat ik jullie nu geef, schijnt van weinig waarde; maar het enige is: je moet het met verstand gebruiken. Je moet slechts een land zoeken, waar deze dingen nog onbekend zijn, dan is je geluk verzekerd. Na de dood van zijn vader ging de oudste zoon met zijn haan erop uit, maar waar hij kwam, was de haan al bekend; in de steden zag hij heLees het sprookje → 42De koningszoon die nergens bang voor was
Er was eens een prins, en die beviel het niet meer in het huis van zijn vader, en omdat hij nergens bang voor was, dacht hij: Ik zal de wijde wereld ingaan, dan valt me de tijd niet te lang, en ik zal genoeg wonderlijke dingen te zien krijgen. Dus nam hij afscheid van zijn ouders en liep steeds maar door, van de ochtend tot de avond, en het kon hem niet schelen waar de weg hem heen bracht. Nu gebeurde het dat hij bij het huis van een reus kwam, en omdat hij moe was, ging hij voor de deur zitten rusten. En toen hij zijn ogen de kost gaf, zag hij in de tuin van de reus een spel liggen: dat warenLees het sprookje → 43De sterrendaalders
Er was eens een klein meisje; haar vader en haar moeder waren gestorven, en ze was zo arm dat ze niet eens een kamertje had om in te wonen, en ook geen bedje meer om in te slapen, en eindelijk helemaal niets meer dan de kleren die ze aanhad en een stukje brood in haar hand, dat een medelijdende ziel haar had gegeven. Maar ze was lief en vroom. En omdat ze zo door iedereen verlaten was, trok ze, in vertrouwen op de goede God, de wereld in. Een arme man kwam haar tegen, en hij zei: Och, geef me toch wat eten, ik heb zo'n honger. Ze gaf hem het hele stuk brood en zei: Ik hoop dat Gods zegen eropLees het sprookje → 48Slimme Hans
Hans' moeder vraagt: Waar ga je naar toe, Hans? Hans antwoordt: Naar Grietje. Gebruik je verstand, Hans. Zal wel gaan moeder. Tjuus moeder. Tjuus, Hans. Hans komt bij Grietje. Dag, Grietje! Dag Hans! Heb je wat meegebracht? Niks, geef maar wat. Grietje geeft Hans een mooie speld. Hans zegt: Tjuus, Grietje. Tjuus, Hans. Hans neemt de speld, steekt hem in een hooiwagen en gaat achter de hooiwagen aan, naar huis. G'n avond, moeder. G'n avond Hans. Waar was je? Bij Grietje. Had je d'r wat meegebracht? Niets gebracht. Gekregen. Wat heb je van haar gekregen?,,'n Mooie speld. En waar heb je die speldLees het sprookje → 49De drie talen
In Zwitserland leefde eens een oude graaf. Hij had maar één zoon. Maar die was dom en kon niets leren. Toen zei de vader: Hoor eens, jongen. Ik kan niets in je hoofd krijgen; wat ik beginnen moet, ik weet het niet. Je moet weg van hier. Ik zal je bij een beroemde meester in de leer doen; die moet het maar proberen. De jongen werd naar een vreemde stad gestuurd, en bleef bij de meester een vol jaar lang. Na die tijd kwam hij weer naar huis, en de vader vroeg: Nu, mijn zoon, wat heb je nu geleerd? Vader, ik heb geleerd, wat de honden blaffen, antwoordde hij. De Here erbarme ons, riep de vader uiLees het sprookje →